De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten

5 minuten leestijd

De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7.

Hoofdstuk IV.

De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7.

Vervolg vers 6.

Zoo heeft dan God den Geest Zijns Zoons gezonden in onze harten, gelijk Paulus hier zegt.

Christus weet dus zeker, dat God een welbehagen in Hem heeft. En daarom moeten ook wij, die den Geest van Christus hebben, er vast van overtuigd zijn, dat we om Zijnentwil genade deelachtig zijn.

De uitwendige teekenen inzake het bezitten van den Heiligen Geest bestaan, zooals ik reeds gezegd heb, in het gaarne hooren spreken over Christus, alsmede in het Hem prijzen en belijden : ook al kost het ons leven en onze bezittingen.

Vervolgens zal men, krachtens de roeping des geloofs, zijn taak en werkzaamheden met vreugde en met inspanning van alle krachten naar vermogen vervullen.

De zonden behooren we te vlieden, en we mogen geen vermaak in haar hebben; we zullen ons niet trachten meester te maken van de betrekking, die een ander heeft; de nooddruftige broeders dienen we te helpen, en de bedrukten te troosten.

Wannneer deze dingen vrucht zijn des geloofs, dan kunnen wij er zeker van zijn, dat de Heilige Geest ons deel is, en dat wij genade kennen.

Uit een en ander volgt genoegzaam, dat de paus met zijn leer 's menschen gemoed in verwarring brengt, en ten slotte tot vertwijfehng brengt, want hij leert en gebiedt zelfs, dat wij in twijfel behooren te leven.

Overeenkomstig Psalm 5 vers 10 is er in zijn mond niets rechts, en ook is op hem van toepassing, wat elders gezegd wordt: „Onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid". (Psalm 10 vers 7).

Wat is echter de zwakheid des geloofs ook bij de Godvruchtigen groot!

Hadden wij wat meer zekerheid omtrent de genade, welke wij deelachtig zijn, en toonden wij wat meer zekerheid omtrent het feit van de vergeving onzer zonden ; geloofden wij sterker den Geest van Christus te bezitten, en kinderen Gods te zijn, dan zou dat ons opvroolijken en we zouden God wat meer dankbaar zijn voor de ons geschonken onuitsprekelijke gaven.

Daar wij echter veelal in twijfel, vreeze en somberheid leven, daarom durven wij niet tot zekerheid te komen.

Ons geweten verwijt ons, dat zulks een groote vermetelheid zou zijn, alsmede een aanmatiging van te veel eer, en hoogmoed.

Deze dingen worden eerst door ons begrepen, wanneer men de stap doet, want zonder ervaring komt men niet verder.

Een iegelijk wenne er zich dus aan, om voor zichzelf vast te stellen, dat hij, wanneer dat zoo is, genade bezit, en dat zijn persoon en werk Gode welgevallig is.

Voelt men twijfel in zich opkomen, dan oefene men zich in het geloof ; men bestrijde dan den twijfel, en stelle alles in het werk om weer tot zekerheid te komen, zoodat men zeggen kan : ik weet, dat God een welbehagen in mij heeft; ik wéét, dat de Heilige Geest mijn deel is, niet krachtens waardigheid of verdiensten, doch om Christus' wil, die zich om ons der Wet onderworpen heeft, en de zonden der wereld heeft gedragen.

In Hem geloof ik.

Ben ik een zondaar, die telkens weer dwaalt, — hier staat tegenover, dat Hij rechtvaardig is, en niet dwalen kan.

Daarom hoor, lees, zing en schrijf ik zoo graag over Hem, en het liefste zou ik hebben, dat Zijn Evangelie over gansch de wereld bekend werd, en dat velen werden bekeerd en toegebracht tot de gemeente, die zalig wordt.

Wie deze dingen getuigen kan moet den Heiligen Geest bezitten, want zij komen niet vanzelf in het menschelijk hart op. Zij vallen ons alleen door Christus ten deel, die ons door Zijn kennis rechtvaardigt en die ons ook een nieuw hart schenkt. Nieuwe begeerten komen voorts in ons op, alsmede de zekerheid en het stellige vertrouwen, dat God de Vader, terwille van Zijn Zoon Jezus Christus, een welbehagen in ons heeft. En tenslotte gaaa we goedkeuren en beamen, waartegen wij ons eerst hebben verzet, of waarvan wij de beteekenis niet kenden, om welke reden wij ze ook verachtten.

Dagelijks behooren wij er steeds meer naar te streven, dat wij uit onzekerheid komen tot een vaste overtuiging.

Wij moeten ons inspannen, om de ijdele waan, als zou de mensch omtrent zijn genade-staat bij God geen zekerheid kunnen hebben, te verwerpen en met wortel en tak uit te roeien. De heele wereld wordt met deze opvatting bezoedeld.

Twijfelen wij aan Gods genade, en gelooven wij niet, dat God in Christus een welgevallen in ons heeft, dan loochenen wij, dat Christus ons verlost heeft, terwijl wij dan tevens ook al Zijn weldaden in twijfel trekken.

Gij, jongeren, gijlieden kunt de zuivere leer des Evangelies gemakkelijk aanvaarden, en het valt u niet moeilijk, om de verderfelijke waan, waarover ik sprak, te laten voor wat ze is, en er niet door aangestoken te worden.

...... die roept: Abba, Vader !

Paulus had ook kunnen zeggen : God heeft den Geest Zijns Zoons in onze harten gezonden, zonder meer. Maar de toevoeging : „die roept: Abba, Vader", wijst op de aanvechting, welke op een christen kan aankomen.

In Romeinen 8 vers 26 lezen we: „Wij weten niet, wat wij bidden zullen, maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen".

Dat is dezelfde zaak.

Het is wel een geweldige troost, wat Paulus hier zegt, en wie dit gelooft, geeft in tijden van aanvechting den moed niet meer op : hoe groot de bestrijdingen ook mogen zijn.

Veel is er echter, dat ons geloof belemmert, te weten onze zonden en twijfelzucht.

En ook de Satan zegt : ge zijt een zondaar ; God is toornig op u, en ge zijt voor eeuwig veroordeeld.

Te midden van vertwijfeling en verschrikking en juist onder het brallen van Satan komt, zoo zegt Paulus, de Heilige Geest tot ons, en deze roept in ons: Abba, Vader!

Zijn geroep heeft de overhand over dat van zonde, Wet, dood en duivel. Het dringt door wolken en hemelen heen, totdat het doorklinkt tot de ooren van God ......

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's