Persoonlijk geloof
De nadruk op het leven des geloofs, welken wij ook in de belijdenis hebben gevonden, stelt ons tevens voor den eisch van persoonlijk geloof. De religie is persoonlijk en de Christelijke religie mag wel bijzonder de religie der persoonlijkheid worden genoemd. Religie is gemeenschap met God, en zullen wij uit de kracht der religie leven, dan leven wij uit de persoonlijke gemeenschap met God. Men kan nu eenmaal geen gemeenschap met God hebben, terwijl onze persoon er buiten valt. Daarentegen als die gemeenschap er is, zal daarvan ook het bewustzijn de werkingen gewaar worden, zooals Art. IX ook opmerkt. Dit alles weten wij, zoo uit de getuigenissen der Heilige Schrift, als uit hunne werkingen, en voornamelijk uit degene, die wij in ons gevoelen.
Uit die werkingen weet men ook, dat men hetzelfde leven deelachtig is, waarvan de Heilige Schrift getuigt; het leven der gemeente Gods, met welke men mede in gemeenschap staat, alzoo zij allen vereenigd zijn in één Heere.
Indien iemand dat persoonlijke leven mist, kan hij de getuigenissen der Heilige Schrift lezen en leeren kennen, zoodat hij kan zeggen : ik weet, dat de Heilige Schrift zoo en zoo spreekt, ik ken haar naar de letter. Hij kan de prediking des Evangelies horen en een dik boek over theologie van buiten leeren.
Dit alles neemt dan ook een plaats in zijn bewustzijn in. Hij kan er over praten, denken en redeneeren. Misschien schrijft hij ook verhandelingen over theologische onderwerpen en mengt zich in de theologische discussie. Hij zal zich zelf ook geloof toeschrijven, en toch kan het zijn, dat hij het waarachtig geloof mist. Mogelijk dat een eenvoudig mensch, die niet zooveel theologie heeft geleerd, maar deel heeft aan het waarachtig geloof, blijk zou geven de belijdenis der kerk beter te verstaan.
Wat is dat nu ?
Zooals wij den vorigen keer hebben opgemerkt, wordt de religie door sommigen tot een zaak van het menschelijk verstand gemaakt. Het zou dus den schijn hebben, alsof het hetzelfde ware een hoofd vol theologie te hebben en een religieus mensch te zijn, laat staan het waarachtig geloof in den Christus der Schriften deelachtig te zijn. Religie is echter nog wat anders dan verstandelijke kennis, al brengt religie ook haar kennis mede. Op ander gebied kan men een dergelijk onderscheid opmerken. Een ongeleerd man kan wel een wetenschappelijke verhandeling lezen. Wanneer zijn belangstelling groot genoeg is, kan hij zich ook wel een dosis theoretische kennis eigen maken. Toch mist hij de practijk van den geleerde, die zelfstandig onderzoekingen verricht en de dingen bij ervaring weet. Van hooren zeggen en bij ervaring zijn twee dingen. Wat men hoort, is om zoo te zeggen, niet door ons heengegaan.
Het iswel waar, dat alle menschen een besef der Godheid hebben en uit dien hoofde ook wel verstandelijk kunnen opnemen, wat de prediker verkondigt. Doch alleen de Heilige Geest leert deze dingen geestelijk verstaan. Hij wekt het nieuwe leven door Zijn wederbarende kracht en geeft licht in de waarheid, die verkondigd wordt. Daarom wordt gesproken van Woord en Geest.
Zoo kan er niet genoeg op worden gewezen, dat het op persoonlijk geloof aankomt en het is ook goed, dat de prediker des Woords daarop altijd weer de aandacht vestigt. De belijdenis leert ook, dat wij ons geloof naar de Schrift hebben te reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. Het behoeft geen verklaring, dat zij dat doen kan, omdat zij de persoonlijkheid des geloofs onderstelt. Daaromtrent kan dus geen twijfel zijn.
Die wetenschap voert echter ook tot opvattingen en practijken, die evenzeer afkeuring verdienen als een verstandelijk maken der religie. Niet zelden ontmoet men de opmerking : wat er gekend moet worden. Met groote nadruk onderstreept men het bijvoegelijk naamwoord „waar" en „waarachtig" bij geloof : „waar geloof", „waarachtig geloof". „Als het zoo maar eens wezen mocht", e. d. g. uitdrukkingen, welke misschien wel heel goed bedoeld en niet zonder grond worden gebruikt, maar die niet altijd van een levend geloof getuigen en evenzeer uit gewoonte kunnen worden gebezigd.
Ook zulke woorden kunnen alleen van hooren zeggen worden overgenomen, zoodat zij geen innerlijke waarde hebben. En men kan het er zeker voor houden, dat men met vroom klinkende woorden uit een onbekeerd hart voor Gods aangezicht evenmin kan bestaan als met een verstandelijk geloof. Het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht. Wanneer het leven in een ziel ontwaakt, gaat het getuigen en de eere Gods zoeken. Wij beweren niet, dat dit altoos een stem van vreugde en lof zal zijn, want er is menigvuldig aanleiding tot geklaag en geween. Doch, wanneer de oprechte klaagt vanwege de zonde, wordt de rechtvaardigheid Gods geprezen en is er een pleiten op de genade Gods. Leven, het zij in droefheid of vreugde, leven getuigt van het leven.
Een overgenomen geloof, al klinkt het nog zoo vroom, is in zich zelf dood en brengt geen verzoening aan.
Het is intusschen wel verklaarbaar, dat velerlei wind van leer de vermaning tot zelfonderzoek en onderzoek des Woords in orthodoxen kring op den voorgrond doet treden, zoodat de nadruk valt op het innerlijke leven. Verklaarbaar is het, dat men prijs stelt op de prediking van het leven der religie. Doch in dezen weg kan men ook van Gods Woord afdwalen en de belijdenis der kerk negeeren, die er op wijst, dat wij ons geloof naar Gods Woord zullen reguleeren. Dat geldt ook voor de prediking. Er is geen mensch, hoe heilig die ook geacht moge worden, en hoe vroom hij moge zijn, die een beteren maatstaf des levens zal kunnen aanleggen dan God ons in Zijn Woord wijst.
De prediker, die een ander evangelie brengt dan hetwelk ons door de Schrift geleerd wordt, verdient niet gehoord te worden op grond van het Woord zelf, dat niet vergeefs daartegen waarschuwt, ook al ware het een engel uit den hemel. De vrijzinnigheid om een ander evangelie te brengen, schuilt echter niet alleen bij de z.g. vrijzinnigen, zij kan zich ook onder den schijn eener vroornklinkende orthodoxie voordoen. Doch vrome woorden en de voorstelling van een levend geloof, die aan de Schrift niet beantwoordt, maken nog geen orthodoxie en kunnen het Evangelie evenzeer te kort doen.
De menschen spreken wel eens van dood preeken. Het is inderdaad mogelijk, dat men een kerk leeg preekt, indien men een evangelie brengt, dat niet uit God is, maar het is ook mogelijk, dat men de menschen dood preekt. Weliswaar kan geen enkele prediker den menschen het geloof schenken, want dat is een werk van den Heiligen Geest. Het is ook waar, dat de prediking des Woords scheiding maakt, maar de Schrift leert ons nimmer, dat het Woord vruchteloos is. De belofte des Heiligen Geestes is daar om zulks anders te leeren. Doch zij is aan het Woord gebonden.
Daar kan geen Evangelieprediking zijn zonder de prediking der zonde. Zonder zonde geen verzoening, zonder oordeel geen verlossing, zonder zonde geen blijde boodschap der hemelsche barmhartigheid. Juist daarom mag ook de prediking der hemelsche ontferming in Christus Jezus nooit ontbreken, of te kort schieten, want dan wordt van het Woord afgedaan.
Zoo is het ook een waarheid der Schrift, dat de mensch in zich zelf onbekwaam is tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad, dat hij uit zich zelf naar God niet vraagt, noch God zoekt. Ook deze dingen behooren tot de prediking, die een voorbeeld en regel zoekt in het Woord. Maar dan komt het Evangelie met de zoekende daad Gods naar voren, waarvan ook de eerste belofte getuigt. Ik heb geen lust in den dood des zondaars, maar daarin, dat hij zich bekeere en leve. Die zoekende daad vertolkt zich reeds in de roeping, welke tot ons komt, als wij onder de prediking des Evangelies ter neder zitten.
Reeds ten dezen opzichte raakt het onze persoon. Het is een persoonlijke zaak, zeggen wij, en terecht. Ziedaar reeds de persoonlijke zaak, als de roep des Evangelies tot ons komt. Wij zullen ook daarover persoonlijk rekenschap schuldig zijn.
„Ja, maar, het geloof is een gave Gods. De mensch kan niet, en vermag de goddelijke weldaden niet aan te nemen, als het hem niet van boven gegeven wordt". Het is alles waar, en wij kunnen daaraan nog meer toevoegen. Het verontschuldigt echter niet. Wij kunnen deze dingen tegen de menschen zeggen, maar hoe komen wij daarmede voor God uit?
Geloof of geen geloof, de mensch staat schuldig voor God en zal ook van de roeping des Woords, die tot hem kwam, verantwoording hebben te doen.
Tegenover het persoonlijke des geloofs staat ook het persoonlijke van het ongeloof. Want geloof en ongeloof zullen rekenschap geven. Het is daarom zóó, dat wij niet alleen in het waarachtig geloof persoonlijk met God van doen hebben, maar dat wij als mensch, zooals wij bestaan, met een persoonlijken God van doen hebben.
De zonde neemt onze verantwoordelijkheid voor God niet weg, maar zij wordt door de zonde bevestigd. Anders ware zonde geen zonde. Zoo neemt ook de belofte Gods onze verantwoordelijkheid niet weg. Anders ware de genade geen genade. Daarom treft de persoonlijke betrekking ons allen en onder alle omstandigheden, zoodat er geen andere toevlucht over blijft dan in de ontferming Gods.
Maar, zal iemand tegenwerpen : Het Woord leert toch ook een uitverkiezing. Men moet verkoren zijn en wat helpt al mijn zoeken en klagen, als mij dat voorrecht niet te beurt valt?
Zeker, de Schrift spreekt daarvan niet twijfelachtig. Degenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. (Ef. 1 e.a.p.). Men meene echter niet, dat de uitverkiezende genade Gods des menschen verantwoordelijkheid wegneemt, alsof hij tegen God zou kunnen zeggen : „Gij hebt mij niet verkoren en daarom ben ik verloren".
Gij weet ook, dat alle dingen in Gods hand zijn, zoodat ook alle dingen in dit leven ons van Zijn vaderlijke hand toekomen. Ploegt de ploeger niet, omdat hij niet weet, wat God beschikken zal ? Of ploegt hij op hope ?
Neen, de mensch is voor geheel zijn doen en laten voor God verantwoordelijk krachtens zijn wezen, omdat God hem zoo heeft geschapen. Die het geweten en niet gedaan hebben, zullen met dubbele slagen geslagen worden. Zoo handelt God met den mensch naar zijn verantwoordelijkheid. Wij kunnen daarom de waarheid Gods nooit straffeloos tot een uitvlucht en verontschuldiging gebruiken.
Wanneer wij op deze en dergelijke uitvluchten blijven hangen en in onzen onbekeerlijken wandel volharden, mogen wij geen valsch evangelie aanhangen of prediken, maar wij laten het Evangelie links liggen om onzen eigen weg te vervolgen. En als wij zulk een eigenzinnigheid aan de Schrift toetsen, zullen wij ontdekken, dat wij ons zelf in den weg staan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's