Hoever gaat dat?
Deze vraag zal bij sommigen wel opkomen. Indien er toch zoo groote bezwaren zijn, dat men Ja, nu komt het, dat men haar niet als openbaring der kerk kan waardeeren. Als er zoo groote bezwaren zijn, zal men dan niet van haar wegloopen en daar gaan, waar men de ware kerk meent te vinden ? De veelheid van kerken heeft dit vraagstuk erg vertroebeld en de vergelijking met de reformatie gaat niet op. De toestanden zijn geheel andere. Toenmaals kende men slechts één kerk in het Westen, terwijl gedurende geslachten velerlei bezwaren tegen de leer en het pausdom opkwamen. Een nieuw geestelijk léven brak baan. Men werd zich bewust van Evangelie en kerk, haar belijdenis werd a.h.w. opnieuw ontdekt. Velen, werden aangegrepen door de kracht des Evangelies, zoodat de tegenstellingen werden gevoeld door en steeds groeiende menigte. De reformatie droeg derhalve een innerlijk, de gansche kerk, zooals die toen bestond, treffend karakter. Men brak met het pausdom en zijn leer, maar dit alles kwam uit de kerk op. De reformatie was dus wezenlijk reformatie en niet een afscheiding. Men reformeerde de religie en daarmede de kerk, en voorzoover men niet reformeerde, bleef men Roomsch. Er ontstond alleen een nieuwe kerk, of beter, er ontstonden nieuwe kerken, omdat de Roomsche niet overal en in haar geheel gereformeerd werd. Waar dit geschiedde, zag men niet een nieuwe, maar de bestaande kerk in een vernieuwde gestalte. Men zou haast kunnen zeggen, de geheele kerk maakte een wedergeboorte door. Deze uitdrukking zou echter niet heelemaal juist zijn. Vandaar reformatie.
Den huidigen toestand kan men dus met de reformatorische omstandigheden niet vergelijken. Ten bewijze herinnere men zich, dat er verschillende kerkformaties zijn, die een en dezelfde Nederlandsche Geloofsbelijdenis hebben, zoodat zij als om strijd gereformeerde kerken willen zijn. Geoordeeld naar de belijdenis, vormen zij dus één geloofsgemeenschap en behoorden zij ook één kerkelijke gemeenschap te zijn. Men behoeft slechts het boekje over de eenheid der kerken van vertegenwoordigers van drie kerkformaties te lezen, om een indruk te krijgen, hoever het daarvan nog verwijderd is. En behalve de drie genoemde formaties, kunnen er nog meer worden genoemd. Meerendeels uit de Hervormde kerk voortgekomen of afgescheiden, heeft zich een toestand ontwikkeld, waarbij deze gereformeerde bij de eene, en een andere gereformeerde bij de andere kerkformatie behoort.
Wij gaan de geschiedenis niet ophalen, doch de werkelijkheid is, dat velen sedert de invoering van de Synodale organisatie aanleiding en vrijmoedigheid hebben gevonden om de kerk, waarin zij geboren en veelal ook gedoopt waren, te verlaten. Zij hebben zich derhalve op het standpunt gesteld, dat de Hervormde kerk niet meer als openbaring der kerk kon worden gewaardeerd.
Wij zouden de vraag kunnen stellen, of dat terecht of te onrecht zoo is, maar die zullen wij niet stellen, omdat deze zonder nadere bestudeering der historie niet zoo maar kan worden beantwoord.
Feit is, dat de Hervormde kerk er velen zag heengaan. Voor deze kerk wijst dat in ieder geval op ernstige gebreken en ligt daarin een beschuldiging, welke op al haar leden drukt. Ook op degenen, die haar verlieten. Dat is weer de zaak van de gemeenschappelijke roeping en de gemeenschappelijke schuld, welke ook op de personen drukt.
Een tweede stuk wordt aangesneden, als wij vragen naar de reactie, welke deze dingen hebben teweeggebracht. Zeker kan worden gewezen op reacties, die tot een gezond kerkelijk leven op grond harer belijdenis gingen aansturen. Zij hebben met elkander kunnen bevorderen, dat een niet onbelangrijk deel der kerk bij de gedeformeerde belijdenis volhardde, ook al moest daarbij uit den aard der zaak een zekere mate van confessionalisme ten goede worden genomen. Dit laatste moet echter niet zoozeer aan de confessioneelen worden geweten. Het vond zijn oorzaak meerendeels in het feit, dat de kerk als geheel niet meer ging beantwoorden aan haar roeping. Er bleven te veel niet-confessioneel gezinden over, zoodat in den strijd der beginselen groep tegenover groep, partij tegenover partij werd gezet. De slotsom is echter, dat alle pogingen tot reorganisatie op niets uitliepen. De Synodale organisatie bleef.
Wie de zaken ernstig beschouwt, zal niet haastelijk bereid zijn om de Hervormde kerk zonder meer voor een valsche kerk te houden, zelfs niet, als hij lid is van een der andere formaties. Toch zullen allen, die haar confessie aanhangen en liefhebben, terecht ernstige bezwaren inbrengen. Omgekeerd blijken velen van dezulken in de Hervormde kerk geen behoefte te gevoelen om haar te verlaten, terwijl de drang naar reorganisatie schier aan alle kanten toeneemt. Het besef wordt ook levendig, dat niet slechts een wijziging harer organisatie tot het doel zal leiden.
Met formeele veranderingen zal men niet tevreden zijn. De roeping der kerk en haar belijdenis treden steeds meer in het centrum der belangstelling. Men heeft gesproken van een wolkje als eens mans hand. Indien het een bode Gods is, zal het een verfrisschenden regen brengen. En zoo God geeft, dat de Hervormde kerk tot nieuwe levensontplooiing komt, ook dan zijn er nog die andere kerkformaties. Dan is men nog niet aan de hereeniging en de gemeenschappelijke openbaring der kerk in deze landen. En het zou wel eens kunnen blijken, dat er ook nog zoo iets als een kerkelijk individualisme is, dat op zijn beurt door de gemeenschappelijke roeping zal behooren te worden overwonnen.
Men ziet uit dit lalles, dat men de gemeenschap der kerk niet gering moet achten en zeker niet om persoonlijke gevoeligheden moet verlaten, om maar te zwijgen over stroomingen, die uit ongeestelijken bodem opkomen.
Hoever, het dan wel gaan kan ?
Die vraag heeft de mannen der reformatie ook bezig gehouden. Want ook in dien tijd waren er vele gezelschappen, die zich als kerk aandienden. Dat laat zich trouwens gemakkelijk verstaan. Eenmaal gebroken hebbende .met de religie, zooals die in de Roomsche kerk werd geleerd, heeft men over het nieuwe niet op één dag eenstemmigheid verkregen. Een beweging als de reformatie, die onder zoo verschillende volken en onder zoo verschillende omstandigheden plaats vond, kende ook zijn verschillen en geschillen, doch men leerde hoofdzaken en bijkomstigheden onderscheiden en vond in de hoofdzaken overeenstemming.
Toen de vraag omtrent de ware kerk dus de algemeene belangstelling had, moest men zich ook daarover bezinnen en niemand minder dan Calvijn leert, dat men de kerk niet om allerlei verschil, zelfs niet om afwijkingen en gebreken, moet verlaten, zoo zij maar in de capitale stukken overeenstemt : als daar zijn, dat Christus in het vleesch gekomen is, de zaligheid uit genade, e.d.g. Nu zag deze uitspraak van Calvijn niet op zoo groote kerkformaties, maar veeleer op de plaatselijke kerken. Zijn oordeel komt er dus op neer, dat een kerk als kerk in de capitale stukken moet overeenstemmen. Dit schijnt nu wel in het nadeel te vallen, als men dat b.v. op de Hervormde kerk toepast, want, als men het geheel aanziet, kan men niet zeggen, dat zij in de capitale stukken overeenkomt. Daar staat echter tegenover, dat men niet kan zeggen, dat zij die als kerk in haar geheel loochent.
Men kan haar in gebreke stellen, dat zij als kerk niet beantwoordt aan den gestelden eisch, omdat zij dat schuldig is. Zij huldigt een leervrijheid, welke niet beperkt blijft binnen de capitale stukken der leer. Dat gebrek is inderdaad zeer ernstig, te meer, omdat dit op heel de kerk drukt. Ware dit niet het geval, er zouden nog een belangrijk aantal gemeenten of plaatselijke kerken worden gevonden, welke terecht mochten aanspraak maken op den naam en de waardeering der kerk. Haar leden zouden geen wettigen grond vinden om haar den rug toe te keeren, of zich bij andere vergaderingen of gezelschappen te voegen.
Anderzijds is het volkomen juist, dat niet slechts een belangrijk getal der gemeenten met meer of minder gebrek binnen het gestelde kader vallen, maar alle gemeenten, of liever plaatselijke kerken, behooren haar belijdenis te doen gelden en elkander aan die gemeenschappelijke roeping te houden. Indien dat het geval is, zooals het ook behoort te zijn, zal er een openbaar getuigenis zijn, dat klaar en duidelijk spreekt. Dan is de vraag vrijwel overbodig geworden, hoever de afwijking der kerk wel kan gaan, zonder nochtans te nopen haar als een valsche kerk te beschouwen.
Doch, zooals gezegd, indien men een antwoord op die vraag begeert, verwijzen wij naar bet oordeel van Calvijn, omdat het ons voorkomt schriftuurlijk te zijn, gezien b.v. het woord van Paulus in Filippenzen 2 : 1 en 2 en volgende verzen, alwaar hij tot eensgezindheid vermaant met een beroep op de gemeenschap des Heiligen Geestes. Maar dit sluit vanzelf in, dat men het in de groote stukken eens is, want de Heilige Geest kent slechts één Christus, één Verlosser en Heere, buiten Welken geen zaligheid te zoeken of te vinden is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's