De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Gereformeerde Kerken en de éénheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Gereformeerde Kerken en de éénheid

7 minuten leestijd

III.

Dr Sietsma heeft in zijn artikel ons willen voorhouden, als typeerend voor de Geref. Kerken, „de waarachtige begeerte naar een leven naar de Schriften en het hartelijk verlangen om niet met hetzelfde vaandel en niet met denzelfden krijgszang nog langer gescheiden op te trekken".

Is dit nu echter slechts een leuze, waarbij zich direct weer een onoverkomelijk „maar" voegt ? , zoo vraagt Dr S. Ook hij ziet, evenals anderen, talrijke bezwaren. Daarom schreef hij maar niet over verlangen naar eenheid, alleen om een beetje sterker in getal te zijn. Daarvoor hebben de Geref. Kerken bovendien te veel ervaring aangaande de moeilijkheden, welke met vereeniging van voorheen gescheiden groepen, gepaard gaan. Zulk een vereeniging gaat niet zóó maar. De ervaring bewijst dat. Dr S. wijst alleen maar eens op de kwestie van de dubbele opleiding van de a.s. predikanten in de Geref. Kerken. (De opleiding aan de Vrije Universiteit en de Theol. School te Kampen). Wat heeft het lang geduurd, voordat dit niet meer hinderde en wrong. Zulke oorzaken van wrijving, van niet volkómen één worden, van herinnering aan vroegere gedeeldheid, zouden er óók zijn, wanneer b.v. de Chr. Geref. Kerk en de Geref. Kerken zich vereenigden of de Herv. Gereformeerden met de Geref. Kerken gingen samenleven. Men heeft een andere historie, een andere inslag, een andere kijk op allerlei dingen. En wat een bezwaren zijn er niet om tot zulk een vereeniging te komen ! Als Dr S. denkt aan de Gereformeerden in de Her­vormde Kerk, dan ziet hij alleen maar een weg tot eenheid in het gebod Gods. Maar verder ziet hij geen weg. Misschien — zoo zegt hij — wil God de Hervormde Kerk nog terugbrengen tot een werkelijk leven naar de belijdenis, maar hier is nog slechtseen wolkje als eens mans hand. Dr S. ziet als; weg het breken met de bestuursorganisatie van 1816. Maar, van deze weg schijnt men, zoo voegt Dr S. er aan toe, het verst verwüderd te zijn.

Bij vereeniging met de Christelijk Gereformeerden behoefden noch de Gereformeerden, noch de Chr. Gereformeerden, evenmin als de Herv. Gereformeerden, zich te wijzigen inzake de hoofdzaken van belijdenis en kerkopvatting. Deze is bij al deze groepen dezelfde. Veel grooter zijn de bezwaren om tot eenheid te koimen met hen, die practisch de belijdenis hebben losgelaten of van haar werkelijke beteekenis beroofd. Bij vereeniging met Chr. Gereformeerden zijn de bezwaren weer andere, dan bij de Herv. Gereformeerden. Enkele zijn reeds genoemd. De Chr. Geref. Synode wees vooral op het „dogmatische" bezwaar inzake de verbondsbeschouwing en den weg des heils. Verschil van accent was er reeds ten tijde van de vereeniging in 1892. Bovendien zullen de Chr. Gereformeerden tegen vereeniging opzien, omdat zij zooveel kleiner in getal zijn dan de Gereformeerden, zoo meent althans Dr S. Practisch zouden bij vereeniging tóch de Chr. Gereformeerden in de Geref. Kerken worden opgenomen en opgesmolten. Wel zou hun practische invloed groot zijn, maar de min of meer officieele invloed zou gering zijn. Om dit te vermijden, moest er wel een sterke wil zijn om gemeenschappelijk en met algemeene instemming te handelen. Als men een halve eeuw eigen zaken verzorgd heeft, valt het niet mee om plotseling zijn officieele invloed zoo goed als geheel te zien verdwijnen. Terwijl het voor de Geref. Kerken niet prettig is zich steeds te moeten afvragen of men de broeders over stemde en om jarenlang te moeten rekenen met een groep, die „ietwat anders georiënteerd is".

In dit alles ziet Dr S. echter geen reden en geen verontschuldiging om de roep tot eenheid niet met klem te doen hooren. Vooraf gaat de eisch van waarachtige bekeering des harten. Wie niet in eenigheid des geloofs vereenigd zijn, kunnen niet samenleven in de Kerk van Christus. Hieruit volgt, dat alleen kerken, die de tucht hebben naar het Woord Gods, den eersten stap tot vereeniging kunnen zetten. De eisch van de waarachtige bekeering is daarom tegelijk de eisch van een waarlijk den Heere belijden naar Zijn Woord. Dan alleen heeft het hebben van een gemeenschappelijke belijdenis zin en kan de verkondiging van het Evangelie ook waarlijk aan het Woord en de daarop gegronde belijdenis worden gebonden.

Dr S. vraagt dan, of hij te veel zegt, wanneer hij constateert, dat er in ons land kerken en groepen zijn, die hierin geheel dezelfde overtuiging hébben en toch niet samenleven en niet samen de Kerk des Heeren openbaren. Daaraan knoopt hij de vraag vast, of deze erkende en gebleken eenheid nog langer mag worden ontkend met de daad. Of dus nog langer deze kerken en groepen kerkelijk gescheiden mogen optrekken. Dr S. gelooft niet, dat iemand zal zeggen, dat dit zoo nog wel langer mag. De verschillen zullen wel als schakeeringen, als het leggen van verschillend accent te dragen zijn, ja, zouden ze niet door de vereenigde Kerk door het gebruik van Woord en belijdenis zijn te onderzoeken en tot een oplossing te brengen? Bij moeilijkheden en bezwaren heeft de Christen te vragen wat God wil, dat hij doen zal, en er moet in Gods kracht aangepakt worden.

Als verdere stap wijst Dr S. dan op twee dingen, die z.i. moeten gebeuren. „De Gereformeerde belijders uit allerlei kerkformaties ; moeten elkaar beter leeren verstaan en daartoe elkaar beter leeren kennen". Als men slechts wil, kan dit. Hierdoor kunnen de Gereformeerden in de Herv. Kerk ook bereikt worden. De geloofsgenooten moeten elkaar zoeken, „dorp voor dorp en stad voor stad, eventueel wijk voor wijk''. Dit zou een goede voorbereiding zijn. De broeders (en zusters) moeten zich rekenschap geven waar zij staan en waar een ander staat. Samen kan dan gezocht worden naar de weg om uit de moeilijkheden te komen. Dit moet ook kunnen in geschrifte. Samensprekingen kunnen niet als kerkelijke vergaderingen worden aangezien. Onjuist is het om samen te komen als kerken, die niet met elkaar in verband leven of voorshands kunnen leven. In beginsel moet dan eerst tot samenwerking besloten zijn. Kerkeraden en Synodes kunnen echter deze actie bevorderen en stimuleeren. Dr S. denkt het zich als volgt:

Plaatselijke kringen worden gevormd, bestaande uit personen, die een roeping hebben bij het leiden en voorlichten der gemeente. (Predikanten, ouderlingen en eventueel andere personen). Deze personen kunnen zich dan weer gewestelijk en landelijk met elkaar verstaan en gemeenschappelijke voorlichting geven, eventueel ook door lectuur. Voorts zou een- of meermalen een Gereformeerd congres gehouden kunnen worden, waar vooral de kerkvraag besproken zou moeten worden. Hier zou de stof voor kerkelijke bezinning ui beraadslaging geleverd kunnen worden. Gezorgd moet worden dat slechts zij aan deze actie deelnemen, „die ten volle staan op de basis van de Gereformeerde belijdenis en dit ook willen doorvoeren. Voorts is Dr S. van meening, dat de onderhandelingen met de Chr. Geref. Kerk moeten worden voortgezet. Hier moet misvatting zijn. De Geref. Kerken noch de Chr. Gereformeerden, kunnen bedoelen dat vóór de samenspreking eerst de een zich moet hebben geschikt naar de opvatting van de ander. Ware dit zoo, dan zou dit voor de Geref. Kerken beteekenen, dat zij door de Chr. Geref. niet langer als Gereformeerde Kerken, d.i. in dit verband als Kerk van onzen Heere Jezus Christus, werden erkend.

Men moet de zwarigheden bespreken, niet, om daarbij leeruitspraken los te laten, te wijzigen of te aanvaarden als compromis om tot vereeniging te komen, maar men moet ze bespreken als ware men één vereenigde Kerk. Terwijl bij deze bespreking zonneklaar de mogelijkheid en de noodzakelijkheid openbaar worde van het overgaan tot definitieve samenwoning. Waarbij het totaal onjuist zou zijn de kerkgeschiedenis als basis van gesprek te nemen en zoo een uitspraak te doen, waarbij de één de ander wil bewegen tot 't erkennen van gelijk of ongelijk in vroegere daden, die niet meer ongedaan zijn te maken. Tevens moet men niet er naar streven zich, wat de belijdenis aangaat, vast te leggen op die punten, waarover gediscussieerd wordt. „Door onderlinge gedachtenwisseling, door kerkelijke en niet-kerkelijke bespreking op den grondslag van de belijdenis, in onderlinge goede trouw en goed vertrouwen, moet men in de Kerk des Heeren spreken over de nadere uitwerking van de leer der Kerk". Zoo moeten de beide Synodes ook samenspreken over de verschillen op dogmatisch terrein. Dr S. merkt hierbij op : „Wanneer deze beide kerken aan dezen eisch Gods voldoen, is de weg misschien open, om, met langdurigen en stagen arbeid, te werken aan een toebrengen tot die eenheid ook van kleinere groepen in het land, die nog steeds de Gereformeerde belijdenis liefhebben".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Gereformeerde Kerken en de éénheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's