De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bekeerd en onbekeerd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bekeerd en onbekeerd

7 minuten leestijd

Zooals wij hebben gezien, hebben de reformatoren steeds met nadruk op het waarachtig geloof gewezen. Wie Calvijn daaromtrent wil hooren, leze het derde boek zijner Onderwijzing in de Christelijke religie. Daarbij kan men opmerken, dat hij zich zeer welbewust is geweest, dat er kaf onder het koren is. Het is niet' alles waarachtig geloof, wat zich als zoodanig aandient. 

Deze hervormer heeft zijn gaven en krachten in dienst gesteld van de kerk des Heeren, opdat zij wel onderricht zou zijn aangaande de zaken des geloofs. Hij heeft daarbij den regel aangelegd, welken hij als de eenig betrouwbare aanprijst, n.l. Gods Woord. Hij heeft gestreden voor de goede belijdenis en vele kerken zijn hem gevolgd. Ook was hij er niet mede tevreden, dat de kerken de goede belijdenis aanhingen, maar hij deed ook voortdurend een beroep op de personen, opdat zij zich goede rekenschap geven en zich zelf onderzoeken.

En toch vinden wiJ! bij dezen leidsman der kerken een groote mate van mildheid, als het gaat om de eenheid en gemeenschap der kerken; Hij keurt het af, dat men om ondergeschikte punten de gemeenschap verbreekt en de kerk verlaat. Anderzijds schrijft hij over gezelschappen of vergaderingen, die zich als kerk aandienen, ofschoon zij daartoe het recht missen.

Hij bestrijdt ook allerlei geestdrijvers, die met het licht des Woords niet tevreden zijn en beweren den Geest te hebben. Ook dan heeft hij slechts één maatstaf. Als dezulken niet overeenkomen met wat de Heilige Geest in Gods Woord leert, moeten zij zich zijn scherpe afkeuring laten welgevallen.

Het komt ons voor, dat Calvijn ook in onze dagen een afkeurend oordeel zou hebben over velen, die meenen uiterst rechtzinnig te zijn in hun vroomheid. Zonder twijfel zijn er menschen, die in de wandeling voor „zeer zwaar" doorgaan. Wij denken b.v. aan hen, wier godsdienstigheid door sommigen met den geheel misplaatsteji term van ultra-gereformeerd wordt aangeduid, menschen, die weUicht geen bevrediging zouderi vinden, indien een man als Calvijn zelf preekte. Ultragereformeerd is een vreemdsoortige uitdrukking. Men belijdt gereformeerd, als men de gereformeerde confessie aanhangt. Gereformeerd is een confessioneel begrip, het wordt door de gereformeerde belijdenis bepaald. Wie van die belijdenis op gewichtige punten afdwaalt, heeft geen recht op dien naam. En wat gewichtige puntnn zijn, is zoo nu en dan reeds gebleken.

De kerk belijdt, dat de Heilige Schrift Gods Woord is. Dat is kerksch, omdat het Christelijk is, en dat is ook gereformeerd.

De kerk belijdt, dat Jezus is de Christus, d.w.z. dat de Jezus der Schriften, Jezus der Evangeliën, de Christus, het vleeschgeworden Woord is. Dat is evenzoo kerksch, omdat het Christelijk is en het is ook gereformeerd.

De kerk belijdt, dat Hij is de eenige Middelaar en Zaligmaker, en de zaligheid uit genade alleen, dat is Christelijk en reformatorisch en ook gereformeerd.

Zoo kunnen wij; voortgaan met op hoofdzaken te wijzen en b.v. ook over de belijdenis van God den Schepper, over de Voorzienigheid Gods, over Zijn Souvereiniteit en over de praedestinatie spreken. Dit laatste wordt dan wel als een kenmerkend stuk van de gereformeerde belijdenis aangemerkt. Geheel juist is dit niet, want de leer der praedestinatie kan niet met recht een specifiek stuk der gereformeerde belijdenis heeten. Het is zonder eenigen twijfel schriftuurlijk en behoort als algemeene Christelijke belijdenis te worden erkend.

Niet te ontkennen valt, dat de theologie van Calvijn de Souvereiniteit Gods op den voorgrond stelt en daardoor treedt ook de praedestinatie in het licht van Gods Souvereiniteit en Voorzienigheid. Het ligt Ook' voor de hand, dat dit op zijn beurt weer nadruk legt op het persoonlijk geloof en dus op het leven des geloofs. Als zoodanig kan men deze dingen kenmerkend voor de gereformeerde belijdenis noemen.

, Met. ultra-gereformeerd " bedoelt rhen' eigenlijk • een mystieke gezindheid, welke m.en als ziekelijk beschouwt, en niet altijd ten onrechte. Niet altijd, want er zijn ook menschen, die gereed staan met het woord ziekelijk, omdat zij de gezonde leer niet kennen. Zoo is het veeleer ziekelijk, indien men al wat naar innerlijk leven zweemt, zonder meer afkeurt. Er is geen ware religie zonder mystiek. Religie is gemeenschap met God door het geloof in Jezus Christus. Waar gemeenschap met God is, is deze mystiek van karakter. Het is een verborgenheid. De Christelijke religie leert een unio mystica — een verborgen gemeenschap in Christus, dat is de levende gemeenschap met Zijn lichaam. Het gaat niet aan, dit ziekelijk te noemen.

Er is echter ook een valsche mystiek en •deze voert tot geestdrijverij. Deze is echter even weinig gereformeerd als Christelijk. Zij heeft bovendien tengevolge, dat menschen, die zelf niet tot de eigenlijke geestdrijvers behooren, medeloopen in hun vroomheid of schijnvroomheid, zichzelf tot schade en anderen tot aanstoot en ergernis. Zij zijn spoedig gereed om u op te merken, dat men van den Geest moet geleerd zijn, en indien het u voegt hen te vragen, of zij zelf getuigenis van den Heiligen Geest hebben, trekken zij terug en verklaren, dat zij zich zulks niet toeëigenen.ki^nnen, , ; ., .: .: ., , ^.. .u-.- , ; . .

Men kan het echter ook ontmoeten, dat zij niet zonder zelfverheffing positie kiezen en zich een oordeel aanmatigen over anderen betreffende hun geestelijken staat, eigen vrouw en kind niet uitgezonderd, zoodat ook de laatste glimp van barmhartigheid en natuurlijke liefde schijnt uit-. gebluscht.

Hoe geheel anders gaat Paulus ons voor, die, van barmhartigheid bewogen over de verharding zijns volks, ook wel schade wil 'lijden, als zij behouden worden.

Hierin is tevens een bewijs, dat de regel der Schriften, op dergelijke vroomheid toegepast, haar veroordeelt. Dat is dan ook niet gereformeerd, noch ultra- of streng gereformeerd, maar onchristelijk.

Het kan nooit als gereformeerdf gelden, wanneer een mensch op Gods troon gaat zitten om te oordeelen. Wie is het, die verdoemt? vraagt Paulus, en het eenig antwoord is : Christus. Zoo brengt het waarachtig geloof mede, dat wij ons aan Hem en Zijn Woord onderwerpen. De eisch der bekeering ligt daar. Menigwerf vermaant de Heilige Schrift tot bekeering. En het mag ook als een vanzelfsprekende zaak worden aangezien, dat de gereformeerde prediker die vermaning der Schrift niet achterhoudt en niet nalaat te wijzen op het oordeel Gods, dat op de zonde en op den zondaar rust. Dat is de roeping van lederen dienaar des Woords.

Door de genade Gods mogen wij ook gelooven, dat Hij een wedergeboren volk op aarde heeft en dat er kinderen Gods zijn, waar dat Woord recht wordt gepredikt. Of die velen zijn en in hoeverre zij gevorderd en geoefend zijn in het leven van Gods kerk, is een verborgen zaak. De mensch ziet aan wat voor oo'gen is, maar God ziet het hart aan en Hij Werkt het nieuwe leven door Zijn Geesti'!' '5i Hoewel wij op grond van Gods Woord dus weten, dat er in de wereld tweeërlei menschen zijn, en ook belijden, dat de vergadering der, geloovigen niet zondei hypocrieten is, ' zoo mogen wij toch geen scheiding maken, • alsóf - 'OttS' - h& t- oordeel ware gegeven. - ' ' n^-, ; i/: o: -: - : •. ,

iS^Ook op dit punt kan Calvijn ons leereri, die zeer wel wist, dat er ook hypoerieten in de kerk zijn. Toch leert hij niet> ' dat wij scheiding moeten maken tusschen bekeerde en onbekeerdè menschen, of zuivere kerken moeten vergaderen y*n alleen ware Christenen. M'iinl& 'd M: i[^ÊM: ''-

Hij leert echter''wel, dat wij als broeders zullen beschouwen, die naar het uitwendige in leer en leven als zoodanigen wandelen. Over het innerlijke oordeelt hij niet. 'De zoodanigen wil hij ook niet van het Heilig Avondmaal geweerd hebben.

Zij, die zoo goed meenen te weten, wie bekeerd en wie onbekeerd is, mogen zich indachtig maken, dat zij menschen zijn, en wat Gods Woord ons omtrent een mensch leert. Indien dit er toe moge leiden, dat een iegelijk de vermaning tot bekeering persoonlijk neme en op zich zelf toepasse, zal men gemakkelijker het oordeel over anderen aan God overlaten en meer liefde en barmhartigheid ook jegens hen koesteren. Want het kan niet missen, dat hij de rijkdom der hemelsche ontferming eerst leert kennen, die de genade Gods over zijn eigen leven heeft gesmiaakt door de uitnemende kennis van den Heere Jezus

Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Bekeerd en onbekeerd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's