De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten

6 minuten leestijd

De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7.

Hoofdstuk IV.

De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7.

Vervolg vers 6.

In Exodus 14 vers 15 zegt de Heere tot Mozes: „Wat roept gij tot Mij ? "Stellig heeft Mozes niet hard geroepen ; veeleer zal hij gesidderd en gebeefd hebben, want hij verkeerde in groote angst. Het ongeloof scheen in hem de overhand te hebben : niet het geloof. Mozes zag namelijk, dat het volk Israël ingesloten was door bergen en het leger der Egyptenaren, benevens door de zee ; het kon dus nergens ontkomen. Wanneer Mozes het niet waagde, zich te verroeren, dan zal hij toch zeker niet hard geroepen hebben!

Wij moeten derhalve niet oordeelen naar het gevoel onzes harten, doch aan de hand van Gods Woord, hetwelk leert, dat de bedrukte, verslagen en tot vertwijfeling gebrachte zielen den Heiligen Geest ontvangen, ten einde opgericht en vertroost te kunnen worden, en in tijden van aanvechting niet het onderspit te delven, doch te overwinnen, zij het dan niet zonder groote inspanning en moeite.

De papisten droomen, dat de ontslapen heiligen den Heiligen Geest deelachtig zijn geweest, zonder dat ze aanvechtingen gehad hebben.

Paulus zegt echter, dat Gods kracht door menschelijke zwakheid wordt volbracht, en dat de Geest mede onze zwakheden te hulp komt en voor ons bidt met onuitsprekelijke zuchtingen.

In tijden van aanvechting hebben wij de troost des Heiligen Geestes juist 't meest noodig. Hij is ons het meest nabij, wanneer wij het minst vermogen en de vertwijfeling bijna ten prooi zijn.

Wanneer iemand met opgeheven hoofd en een opgewekt gemoed tegenslag draagt, dan is dat een bewijs, dat. de Heilige Geest Zijn werk in ons reeds gedaan heeft.

Vooral in degenen, die hevig ontzet zijn, werkt de Heilige Geest krachtig, gelijk Psalm 9 vers 14 zegt: „Heere, zie mijn ellende aan, van mijn haters mij aangedaan. Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods". Zijn we dus genaderd tot aan „de poorten des doods", gelijk, zooals ik reeds gezegd heb, met Mozes het geval was, wijl hij door het water den dood voor oogen zag, en nergens elders heen kon, dan helpt de Heilige Geest op z'n krachtigst.

De groote angst en vertwijfeling, waarin Mozes zich bevond, moet stellig in zijn hart een hevig geschreeuw van Satan veroorzaakt hebben. Wellicht toch heeft de duivel aldus tot hem gesproken : Dit heele volk zal heden omkomen, want het kan nergens ontkomen. Gij, Mozes, gij alleen zijt de oorzaak van het groote onheil, dat uw volk 'heden treft, want gij hebt het uit Egypteland gevoerd.

Bij de verwijten van Satan kwam nog 't geroep des volks, dat zeide : „Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gansch geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden ? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte uitgevoerd hebt? Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest, de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven". (Ex. 14 vers 11 en 12).

Toch was de Heilige Geest niet alleen voor Mozes' bewustzijn, maar ook in werkelijkheid aanwezig. Hij bad in hem met onuitsprekelijke zuchtingen, zoodat Mozes tot God sprak : „Heere, op Uw bevel heb ik het volk uitgeleid. Help mij daarom toch !"

Dit zuchten noemt de Heilige Geest "roepen". 

Ik heb deze kwestie wat breedvoerig ter sprake gebracht, om duidelijk aan te toonen, waarin het werk des Heiligen Geestes bestaat, en op welk tijdstip Hij inzonderheid Zijn werk verricht.

In tijden van aanvechting mogen wij dus geenszins naar ons gevoel te werk gaan ; ook mogen wij niet te veel aandacht schenken aan het geschreeuw van Satan en te veel letten op de Wet en onze zonden.

Volgen wij ons gevoel, en hechten wij waarde aan genoemd geschreeuw dan moeten wij constateeren, dat wij de hulp en de bijstand van den Heiligen Geest missen, en door Hem verlaten zijn; wij zijn dan. verworpen voor Gods aangezicht.

Ge moet ook opmerken, dat Paulus er op wijst, dat de Heilige Geest ons bij den Vader vertegenwoordigt door zuchten : niet door veel woorden of een lang gebed. Wij heffen onder tranen geen groot geroep aan ; wij maken niet veel misbaar, wanneer de Heilige Geest onze zwakheden mede te hulp komt. We stamelen slechts een enkel woordje, dat uitdrukking geeft aan wat er in ons gemoed omgaat: „Abba, Vader !'' Het is slechts een klein zinnetje, maar alles is er in vervat.

Niet onze mond, maar ons hart spreekt in tijden van aanvechting aldus: Hoewel ik naar alle zijden angstig ben, en mij van U verworpen en verlaten voel, zoo ben ik toch Uw kind. Gij, o Heere, zijt om Christus' wil mijn Vader, en ik weet, dat ik door U bemind word.

Wanneer het woordje „Vader" in ons hart werkelijk overeenkomstig zijn wezenlijken inhoud wordt uitgesproken, dan wordt daarin een welsprekendheid aan den dag gelegd, als door Demosthenes, Cicero en andere groote redenaars niet is ten beste gegeven.

De ware inhoud van het „Abba, Vader!' komt niet tot uitdrukking door veel woorden, maar door zuchten ; en alle woordkunstenaars ter wereld kunnen dien inhoud niet weergeven en vertolken, want hij is, gelijk Paulus zegt, , onuitsprekelijk".

Met vele woorden heb ik dus trachten duidelijk te maken, dat een christen er verzekerd van moet zijn, dat hij Gods genade deelachtig is, en dat er in zijn hart een schreien en roepen des Heiligen Geestes aangetroffen en vernomen wordt.

Ik heb deze uiteenzetting gegeven met de bedoeling, dat wij den buitengewoon verderfelijken waan van het pausdom zouden leeren afwijzen, die daarin bestaat, dat een mensch van Gods genade niet verzekerd behoeft te zijn.

Waar deze waan wordt aangetroffen, daar is Christus van geen beteekenis.

Wie aangaande Gods genade ten opzichte van eigen persoon twijfelt, moet noodwendig ook aan alle beloften Gods twijfelen, alsmede aan Zijn wil en aan Christus' weldaden, die bestaan in Zijn geboorte, lijden en sterven en opstanding.

Er bestaat echter geen grootere Godslastering, dan aan al deze waarheden te twijfelen.

Wie Gods beloften loochent en miskent, loochent en miskent God en Zijn Chris­tus !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's