De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

10 minuten leestijd

Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde en hoe meer het wies. Exodus 1 vers 12a.

Welk een onderscheid tusschen den eersten en laatsten tijd van Israels verblijf in Egypte ! Aanvankelijk werden de nazaten van Abraham blijde ingehaald. Een goede en welwillende behandeling viel hun ten deel. Farao stond goedgunstig de landstreek af, welke geschikt was voor de uitoefening van het bedrijf van Jakob en de zijnen. Een nieuwe toekomst scheen aan te lichten voor de kinderen Israels. Zij waren overgeplant in een vreemd land. En deze planting bloeide en werd steeds meer vruchtbaar. De boom van Israels volksbetaan had een gewenschten bodem gevonden. Hij schoot zijn wortelen diep in de aarde van het Nijlland uit. Breed ontplooien zich zijn takken. Met zeer vele vruchten stond hij beladen. De gunst en genegenheid van den Heidenschen vorst was als een stralende en verkwikkende zon. Weldadige regen daalde op hem neder, want de Heere zegende hem.

„De kinderen Israels wiessen overvloediglijk en zij vermeerderden en werden gansch zeer machtig, zoodat het land met hen vervuld werd". Zoo wordt de wasdom der Hebreen geteekend in een van de voorafgaande verzen.

Doch — het kan verkeeren! De tijden veranderen en ook de koningen met hen! Straks bestijgt een koning den troon van Eypte, die Jozef niet gekend had. Stond Israël te voren in den glans van Jozefs glorie, die op hen afstraalde, van nu voortaan wordt dit geheel anders. De jaren doen den naam van Egypte's regent, eens zoo beroemd en geëerd, verbleeken. Ook Jozef wordt begraven in zijn tweede graf, dat der vergetelheid. Ondankbaarheid is het loon, dat zijn nageslacht ontvangt.

Ziet, eens had Jozef heel het Egyptische volk van een wissen ondergang gered. Gansch de natie was door zijn wijs beleid in bet leven behouden. En — wat geschiedt nu? Heel Egypte maakt zich op om de Israëlieten uit te roeien ! Een heerscher verheft zich, die het zelfzuchtige doel najaagt : Egypte voor de Egyptenaren ! De vreemde elementen wil hij uitzuiveren. Dagelijks richt hij den boozen en wantrouwenden blik naar het land Gosen. Deze streek bergt een talrijke bevolking. Het toenemend aantal dezer bewoners is hem al meer een doorn in het oog. Vormen zij niet een gestadige bedreiging voor zijn regeering ? De even heerschzuchtige als achterdochtige tyran is er steeds meer op bedacht om die uitheemsche indringers onschadelijk te maken. Hij ziet dit als eisch van wijs politiek beleid. Vandaag of morgen kunnen zij de vaan van den opstand opsteken. Of, bij een mogelijken inval van buiten af zullen zij wellicht gemeene zaak met den aanvaller maken. De voormalige gasten ziet hij als vijanden. Den gevaarlijksten belager heeft hij binnen de grenzen van het eigen land! Volgens zijn overweging koestert Egypte een adder aan den boezem. Des vorsten vrees stijgt met den dag. Hij waant deze situatie onhoudbaar. Veiligheid vóór alles !

Bezield en bezeten door dezen angst, treft de koning zijn maatregelen tot tijdige afweer van het gevaar. Als echt Oostersch despoot deinst hij voor de wreedste methoden niet terug.

Eerst treedt hij meer geraffineerd op. Zware lasten doet hij drukken op de schouders des volks. Het ondraaglijke juk van dwangarbeid moet het torschen. De door hem, ingevoerde heerendienst teistert de Israëlietiscbe natie. Israël wordt misvormd tot een slavenvolk. Dag bij dag moet het voortzwoegen in de gloeiende hitte der Oosterzon. Bij den heeten ticheloven vinden zij een vernederende arbeidstaak. Zwart van dienstbaarheid is Abraham's nakomelingschap geworden. Een instrument werd zij in de meedoogenlooze hand van Farao om zijn groote, machtige bouwwerken uit bet stof te doen verrijzen.

De zweep van den opzichter drijft de Joodsche werklieden onbarmhartig voort. Looden last, onteerend lot!

Maar — één lichtstraal blijft in deze donkerheid over : hoe meer verdrukking, hoe meer vermeerdering ! Het oogmerk des konings wordt niet verwerkelijkt. Als het „dienen met hardigheid" niet baat, verzint Farao een nieuwen list.

Als die Israëlieten zich niet dood werken, zal hij hen laten dood maken. Een tweeden aanval onderneemt hij. Het zijn de vroedvrouwen der Hebreïnnen, die zijn handlangsters moeten worden. Deze ontvangen opdracht om de pasgeboren zoontjes der Israëlieten te vermoorden. Door dezen kindermoord denkt hij zijn zaak langzaam maar zeker te winnen.

Doch deze vroedvrouwen saboteeren het gebod van den dwingeland. Het plan mislukt. Hij vindt in deze vrouwen geen willooze werktuigen.

Dan werpt de gevoellooze tyran het masker eindelijk af. Een publiek bevel gaat van hem uit, dat alle zonen, onder Israël geboren, in de rivier geworpen moeten worden. Een openlijken aanslag doet hij op Israels volksbestaan.

De Nijl zal het nakroost van Jakob en Jozef verslinden! De Nijl!

Deze stroom is voor Egypte de levensbron ! Hij onderhoudt heel het volk. Het water en de visch dezer rivier zijn een levensvoorwaarde der inwoners. Haar slib overdekt jaarlijks gansch den bodem op vruchtbaarmakende wijze. Zonder „de rivier" kan Egypte Egypte niet zijn!

En ziet — deze rivier, de levensader voor de Egyptenaren, wordt het groote, diepe watergraf voor de kinderen Israels. Hun mannelijk kroost moet in hare kolken verzinken. Allerwege sluipen de beulen rond. Geen knaapje is veilig. Boven elke woning zweeft de engel des doods. Israël dreigt ten eenenmale aan den Nijlgod als een doodenoffer ten prooi te vallen 1

Wee, o Israël, driewerf wee ! Dat wordt uw zekere ondergang. Aan den rand van een diepen afgrond zijt gij thans gekomen! Uw levenslamp wordt uitgedoofd. Uw volksbestaan staat op het spel. Uw levensboom zal geen nieuwe loten meer uitschieten. In de kiem wordt het nieuwe leven gesmoord.

Te zijn of — niet te zijn! Alleen een wonder kan hier uitkomst geven !

Dit wonder blijft niet achterwege. „Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het wies'.

Hier openbaart zich des Heeren wonderlijke almachtige genade, trouw en wijsheid.

Gosen treurt, Israël loopt rond in het somber rouwgewaad. Gosen werd het land van de „schaduw des doods".

Maar — ook nu zullen de Israëlieten een groot licht zien.

De mensch zegt: het is verloren! Maar de Heere spreekt : Ik ben de Machtige Jakobs ! Vreest, niet.

Satan woedt om het volk des Heeren uit te delgen. Farao is zijn instrument. Israël heeft alles tegen. Een zwak volk staat tegenover een overmachtige natie. Godsdienst vloekt met godsdienst. Het Heidendom gordt zich aan in volle wapenrusting tegen het Bondsvolk. De afgod kampt met Jehovah. De wereld haat het volk van God. Al Gods golven en baren gaan over Gosen heen. In deze hoek van het groote Egypteland vallen de gewelddadige slagen. Het volk krimpt inéén van smart en pijn. „Rachel beweent hare kinderen".

Doch de Heere treedt tusschenbeide met Zijn goddelijk „maar". Dit klinkt als het bazuingeluid der opstanding. Ja, heilige hoon doet zich hierin hooren. „Waarom woeden de Heidenen en bedenken de vorsten der aarde ijdelheid? Die in den hemel woont zal lachen, de Heere zal hen bespotten".

„Schoon de mogendheden. Snood' ontwerpen smeden, Hij belacht haar haat".

De hemelsche Landman had toch met eigen hand Zijn wijngaard in Egypte geplant. „Ik, de Heere, behoed dien". (Jes. 27 vers 3). Geen storm zou dezen boom ontwortelen. De brandende braambosch wordt niet verteerd. Door allen strijd heen mag Israël met Izaak getuigen met dankbaarheid : „Wij zijn gewassen in dit land". Deze palm groeit onder den druk. De Heere gedenkt aan Zijn Verbond. Zijn belofte wankelt niet. „Vrees niet af te trekken naar Egypte; Ik zal u aldaar tot een groot volk maken". Het scheen, dat de kinderen Israels groot geworden waren om hun ondergang voor te bereiden. Dan mocht Farao zijn trotsche paleizen doen rijzen en Gods volk dwingen daaraan mee te arbeiden, geen nood, want de Heere bouwde ook aan Zijn bouwwerk. „Ik weet hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen, naar Uw gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen ; zoo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken, zoo min zal Uwe trouw ooit wank'len of bezwijken".

God verandert „de doodsschaduw in den morgenstond" ; doet een „afgesnedene zaak". Dat blijkt in Egypte, later in de woestijn, in Kanaan, in Babel, onder het Romeinsche wereldrijk. Altijd voor het volk des Heeren de druk. Maar het gaat van verdrukking tot verrukking. De slaande hand wordt een zegenende en helpende.

In het woord dezer overdenking ligt, heel kort, de geschiedenis der Kerk beschreven. Meer èn — meer ! Het eene „meer" steekt scherp bij het andere „meer" af. Naar het woord van den kerkvader : het bloed der martelaren, het zaad der Kerk. „Houdt Christus Zijne Kerk in stand, zoo mag de hel vrij woeden". De poorten der hel zullen Zijn gemeente niet overweldigen. Meer dan overwinnaars zijn de ware Christenen in den Borg. Als een vaste regel blijft het waar : hoe meer de veer naar beneden gedrukt wordt, met te grooter kracht springt zij straks weder terug. Het onderpand ligt immers in Christus zelf. Israël kon niet ondergaan in Egypte, omdat het, voortzwoegend langs bloedige en doornige paden, den Messias moest voortbrengen. Het heilige Zaad kon niet vernietigd worden, noch door den Farao van het O. Testament, noch door den Farao van het N. Testament. De Messias zegepraalt onder alle verdrukking. Het is de lijdende Knecht des Heeren, die steeds uit Egypte wordt geroepen.

Het kruis leidt naar de kroon.

Israël triumfeert over den Heidenschen vorst. Mozes wordt behouden, zelfs uit de wateren des doods, stelt zich aan de spits der stammen Israels. Maar Egypte's eerstgeborenen sneven. Farao met zijn leger verzinkt en verdrinkt in de waterkolken. Uit Israels mond dreunt het lied der overwinning.

Gelukkig, als dit ook onze ervaring mag zijn ! Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen. Gods kinderen geacht als schapen ter slachting. Worden zij niet beschouwd als het afschrapsel der menschheid? „Weg met dezen". Verdrukking uitwendig en inwendig. Kleingeloof, zelfbeschuldiging, macht der overblijvende zonde. „Ik, ellendig mensch". En toch — het groote wonder is dit : „bedroefd, doch altijd blijde". „Als stervende, en ziet, wij leven"'. Vernederd en verhoogd door de kracht van Christus' opstanding. De nieuwe mensch bloeit op uit de dooden. Door den barren duisteren winter gaat het naar de lieflijke nieuwe lente. Wasdom tot eer van God, bij Wien geen ding onmogelijk is. De worm wordt een adelaar, die opstijgt met veerkrachtige vleugelslag. De genade doet spreken : het is mij goed, verdrukt te zijn geweest. Want, de druk is noodig tot loutering. In Egypte leert Israël Egypte haten door Egypte's vijandschap. Het volk moest losgemaakt worden uit de boeien der afgoderij en van het Heidendom, leer en uitzien naar Kanaan. Gezegende smeltkroes voor hen die Gods eigendom waren. De Heere verdrukt Zijn volk „uit getrouwheid". De Zijnen moeten steeds gekortwiekt worden. Het bekende beeld moge dit toelichten : de vlijmscherpe naald moet door het stramien gaan, opdat de schoone, zachte, kleurrijke, kostbare zijden draad daarop gewerkt worde. Zóó alleen komt het kunstvolle borduurwerk tot stand. Die naald gaat vóór de zijde uit! Welnu, de puntige naald van beproeving en druk neemt de Hemelsche Kunstenaar in de hand en daarmede arbeidt Hij aan de ziel der Zijnen, opdat de schoonheid en heerlijkheid van Zijn genade in hen te voorschijn kome. De gevreesde naald verdwijnt straks, doch het kunstwerk blijft over!

Van Gods kinderen geldt : het zijn de slechtste vruchten niet, waaraan de wespen knagen. De verdrukking is de weg hunner volmaking. „Hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen". „Het lijden is het snelste paard, dat de geloovigen naar de volkomenheid voert".

Maar — deze geloovigen ondergaan, evenmin als Israël in Egypte, hun lot niet geheel lijdelijk. Integendeel, zij verzetten zich met heiligen tegenstand tegen hun belagers. Met heiligen haat streven zij in tegen den aanslag, op hun leven gepleegd. Wel weerloos, maar niet eerloos, vooral niet Godloos. De zware druk prikkelt tot werkzaamheid. Zóó nemen zij ook innerlijk toe, wassen in moed, sterkte en beleid. Mozes wordt verborgen gehouden door zijn ouders ! Het wapen des gebeds wordt gehanteerd (Ex. 2). Voor dit bidden bestaat een betrouwbare pleitgrond : „Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste, zie. Ik zal uwe steenen gansch sierlijk leggen en Ik zal u op saffieren grondvesten. (Jes. 54 vers 11).                                                                  Hoog Blokland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's