UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten
De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7.
Hoofdstuk IV.
De vrucht van het Evangelie, dat vrijmaakt van de Wet. Vers 1—7.
Vervolg vers 6.
Het is niet alleen een groote dwaasheid, maar ook een vergaande goddeloosheid geweest, dat monniken, jongelui, zoowel van het mannelijk als van het vrouwelijk geslacht, vol ijver in een klooster gelokt hebben, om opgeleid te worden tot den geestelijken stand en deel uit te maken van allerlei „heilige" orden, zooals zij ze noemden. Niettemin leerde men hen, die tot het klooster waren overgehaald, te twijfelen aan Gods genade !
Door het gansche menschdom op te wekken tot gehoorzaamheid aan de heilige roomsche kerk, meende de paus iedereen te brengen in een soort heiligen staat, op grond waarvan men te zijner tijd de zaligheid zou kunnen verkrijgen.
En het mooiste is, dat de paus hun, die zijn wetten gehoorzamen, bevolen heeft, te twijfelen aan hun zaligheid.
Eerst beroemt het rijk van den antichrist zich dus op zijn verordeningen ; en eerst verklaart het zijn wetten, orden en kloosterregelen heilig, dengenen die ze houden, het eeuwige leven belovend, om daarna, wanneer het zijn onderdanen door vasten en andere lichamelijke oefeningen gemarteld heeft, aan te komen met de leer, dat het niet met zekerheid te bepalen is, of 's menschen gehoorzaamheid aan de kerk Gode behaagt of niet.
Door middel van den paus heeft satan op schrikkelijke wijze zijn spel gespeeld; hij heeft vele zielen van menschen vermoord. Derhalve kan het pausdom met recht een folterkamer van het menschelijk geweten en zelfs het rijk des duivels genoemd worden.
Heel de Heilige Schrift leert ons, dat wij niet twijfelen mogen aan, maar vertrouwen moeten op Gods barmhartigheid, geduld en lankmoedigheid. Gansch de Bijbel spoort ons aan, te gelooven, dat God niet liegen, noch bedriegen kan, maar dat Hij trouw en waarachtig is in het houden van Zijn beloften. Hij heeft vervuld, hetgeen Hij beloofd heeft, toen Hij Zijnen eeniggeboren Zoon om onze zonden in den dood gaf, „opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderven, maar het eeuwige leven hebben zou".
Er kan geen twijfel bestaan, of God ons wel in genade wil aannemen en of Zijn toorn en gramschap jegens ons wel is weggenomen, want Hij heeft Zijn Zoon voor ons, zondaren, laten sterven!
Hoewel het Evangelie van deze waarheid overvol is, en zij in heel de Heilige Schrift ons ingescherpt wordt, zoo heeft dit toch niet mogen baten. Veelal heeft men Gods Woord tot eigen verderf misbruikt; en de gerechte straffen over de verachting van des Heeren getuigenis en de veronachtzaming van het Evangelie zijn niet uitgebleven.
Het is nuttig voor ons, dit alles te weten. Ten eerste, omdat de papisten er heden ten dage zich op beroemen, dat zij nimmer iets kwaads hebben bedreven. Wij moeten hun daarom met hun eigen gruwelijkheden bewijzen, dat zij tallooze verkeerde leeringen in de wereld verbreid hebben, hetgeen blijkt uit hun eigen werken, waarvan nog ontelbare exemplaren in omloop zijn.
Vervolgens is het nuttig voor ons, dit alles te weten, omdat wij door de dwalingen de zekerheid verkrijgen, dat de leer des Evangelies de ware en juiste is.
Onzekerheid met opzicht tot het deelhebben aan Gods genade is wel de grootste gruwel, die er is.
En hoewel het zoo klaar is als de dag, dat de vijanden van Christus allerlei onzekerheden leeren (zij gebieden ons namelijk om te twijfelen), — zoo doet zich de eigenaardige omstandigheid voor, dat zij ons als ketters veroordeelen en dooden, omdat wij van onze zaak zeker zijn.
Laat ons God danken, dat wij van den gruwel der onzekerheid verlost zijn, en zekerheid mogen hebben omtrent het feit, dat de Heilige Geest in ons binnenste roept: „Abba, Vader !'', en met onuitsprekelijke zuchtingen onze zwakheden mede te hulp komt.
Ziehier het fundament, waarop wij staan :
Het Evangelie gebiedt ons, niet te zien op onze goede werken en onvolkomenheden, maar op God zelf, die ons Zijn beloften gegeven heeft, alsmede Christus, onzen Middelaar.
De paus daarentegen beveelt ons, niet op God en Christus te zien, maar op onze werken en verdiensten.
Uit een en ander volgt noodwendig twijfel en vertwijfeling voor de papisten ; voor ons evenwel vloeit er zekerheid en vreugde des Heiligen Geestes uit voort.
Ik vertrouw nu eenmaal op God, die niet liegen kan.
Hem hang ik aan, die gezegd heeft: Zie. Ik geef Mijn Zoon in den dood, opdat Hij u door Zijn bloed van zonden en dood verlossen zou.
Aan deze dingen kan ik onmogelijk twijfelen, tenzij ik God tot een volslagen leugenaar zou maken.
Onze theologie heeft dus een hecht fundament: zij rust niet in ons of in een mensch, maar haar grond ligt buiten haar, namelijk in iets, wat wij met onze eigen krachten, verstandelijke vermogens en gevoelens niet bewerkstelligen kunnen. Onze theologie rust in de waarheid Gods en Zijn beloften, die niet liegen kunnen.
De paus heeft door zijn goddelooze leer, die de menschen aan het twijfelen gebracht heeft, of Hij hun wel genadig zal zijn. God en Zijn beloften uit de kerk weggenomen. Christus' weldaden heeft hij in nevelen gehuld en het Evangelie heeft hij van haar kracht beroofd en vernietigd.
Laten wij de schadelijke leer van genoemde onzekerheid dus niet tot de onze maken, al is de heele kerk van den paus er door aangestoken.
Wij voor ons houden het er op, dat God ons genadig is, dat Hij een welbehagen in ons heeft, en dat Hij ons om Christus' wil aanneemt. En vervolgens, dat wij den Heiligen Geest deelachtig zijn, die bij den Vader voor ons bidt.
Het schreien en zuchten, waarvan deze tekst spreekt, beteekent dus, dat gij God in tijden van aanvechting aanroept : niet als een tiran; ook niet als een vertoornd rechter of een folteraar, maar als een Vader.
Ge kunt dit doen, al is uw schreien en zuchten nog zoo gering.
Want al schijnt het, dat God ons verlaten heeft, — in werkelijkheid is dit niet zoo.
Zie maar in de Psalmen.
Hoezeer ons Wet, zonde en dood ook aanklaagt en verschrikt, — laten wij aldus tot Hem zuchten en roepen: Gij, o God, Gij hebt ons om Christus' wil genade, gerechtigheid en eeuwig leven beloofd ; en daarop vertrouwen wij.
Zoo komen wij tot het slaken van de woorden : „Abba, Vader !"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's