MEDITATIE
De blijde boodschap voor de gebondenen.
U ook aangaande, o Sion, door het bloed uws verbonds, heb Ik uwe gebondenen uit den kuil, waar geen water is, uitgelaten. Keert gijiieden weder tot de sterkte, gij gebondenen, die daar hoopt, ook heden verkondig Ik, dat Ik u dubbel zal wedergeven. Zacharia 9 vers 11 en 12.
De blijde boodschap voor de gebondenen.
Lezers, hebt gij wel eens met aandacht gelezen de verzen, die aan onzen tekst voorafgaan ? Daar troost de profeet de dochter Jeruzalems met de heerlijke boodschap van den toekomstkoning Israels ; dien heerlijken koning des vredes.
Niet op het schuimend ros komt hij aangestoven. Geen zwaard heeft hij in de hand. Neen, deze koning is arm en nederig. Hij stelt zich tevreden met een veulen, met een jong der ezelinnen. Deze rechtvaardige koning is een Heiland. Hij zal de heidenen van vrede spreken en zijn heerschappij zal zijn van de zee tot aan de zee en van de rivier tot aan de einden der aarde.
Maar als de profeet de teruggekeerde ballingen, die onder groote moeilijkheden bezig zijn om de stad uit het puin te doen herrijzen, zoo mag verheugen en verblijden met de heerlijke komst van dien Messiaskoning, denkt hij toch met diepen weemoed in het hart aan de ballingen, die nog in Babel zijn achtergebleven.
In ons tekstwoord vergelijkt hij ze met degenen, die in een diepe kuil zijn neergedaald.
Ge denkt met mij onmiddellijk aan Jozef, dien zijne wreede broeders ook in een diepen kuil geworpen hadden. Of misschien hebt ge gedacht aan Jeremia, dien men ook in zulk een steile kuil geworpen had, opdat hij daar den dood zou sterven. In het Oosten had men vele diepe kuilen, die men gebruikte voor waterreservoirs. Als zulk een kuil, met trechtervormigen hals, ledig was, kon hij ook uitnemend dienen tot een, bewaarplaats voor gevangenen.
Welnu, met zulke gevangenen, in zulke diepe kuilen, vergelijkt nu ook de profeet de in Babel nog achtergeblevene ballingen.
Maar wat belooft nu de Heere door den mond van den profeet ? Niets minder, dan dat Hij hen uit dèn diepen kuil zal optrekken, opdat ze ook naar Jeruzalem, de stad des grooten konings, zouden wederkeeren.
En als gij nu vraagt naar de redenen van zulk een gunstige beschikking, dan moet gij die oorzaken geen oogenblik trachten te zoeken bij de uitnemendheid van Israël. In Israël is geen enkele grond, die er den Heere toe zou hebben kunnen bewegen om Israël ook maar een enkel oogenblik genadig te zijn. Neen, als de Heere met Israël naar recht zou doen, dan was er niet anders te verwachten dan dat Hij in zijne oordeelen en gerichten zou doortrekken.
Neen, Jacobs God kan zich niet tot erbarming laten bewegen dóór eenige waardij in Israël. Hij doet het alleen om het bloed des verbonds. Toen de Heere eeuwen geleden een verbond had gesloten met Abraham, had hij alleen gezien op de helften van de geslachte offerdieren, die allen heenwezen naar dat eenige volmaakte offerlam van Golgotha.
En toen de Heere aan den voet van den Sinaï met de twaalf stammen Jacobs een verbond kwam sluiten, liet Mozes de jongelingen de offerdieren aanbrengen en ving het bloed der slachtoffers op in de sprengbekkens om het te sprengen op het altaar en op het boek des verbonds, waarin de verbondssluiting beschreven was. En tewijl hij de helft van het opgevangen bloed der offerdieren op het volk sprenkelde, riep hij het luide uit : Ziet, dit is het bloed des verbonds, hetwelk de Heere met ulieden gemaakt heeft over al deze woorden.
Nog eens, wat een heerlijke boodschap : de Heere belooft, dat hij de overgeblevene ballingen uit den kuil van het Babylon der ballingschap zal optrekken, alleen om het bloed van den Messiaskoning.
Zou het woord van den profeet Zacharia alleen maar tot een bron van troost zijn geweest voor het Israël van den ouden dag, of heeft het ook aan het Israël van den nieuwen dag iets heerlijks te boodschappen ?
Elk mensch is van nature een gebondene gelijk. De natuurlijke mensch waant vrij te wezen. Wij zijn echter gelijk aan den vogel, die in zijn kooi geboren is en daarom eigenlijk niet weet, wat vrijheid is. Wij zijn door den vorst der duisternis met duizenden ketenen en boeien gebonden. En nog eens : dit geldt van elk mensch. Alle menschen zijn dienstknechten der zonde. Want, die de zonde doet, is een slaaf van de zonde. Want dat woord uit de grondtekst, wat door slaaf moest vertaald worden, is vertaald door dienstknecht. En slaven werden geboeid. Tot zoover is er dus onder de kinderen der menschen geen verschil. Het zijn allen geboeiden, slaven van satan en wereld en eigen vleesch.
Nu gaat het echter om de groote vraag, of onze oogen door genade daar reeds voor open gingen. Want dan beginnen de boeien te smarten en pijn te doen. Of is het niet smartvol, als men het moet belijden, dat men tegen eeri heilig en rechtvaardig God gezondigd heeft, die nochtans zoo goed is, dat hij ons ondanks al die zonden nog gedragen en gespaard heeft ?
Men zegt wel eens van een mensch, die moedeloos is : hij zit diep in de put. O, lezers, er zullen ook thans in de bange dagen, die we beleven, vele menschen diep in de put zitten. Och, dat er nog menigeen onder hen wierd gevonden, die zich bij het ontdekkende licht van Gods Geest leerde kennen als een arm en in zichzelf verloren zondaar, en het leerde uitroepen, dat hij bekommerd is vanwege zijne zonden.
Dat immers zijn de gebondenen, die daar hopen, die in den tekst worden bedoeld. O, waarop zult ge uwe hoop richten ? Op de deugden, die gij betracht en op de plichten, die ge vervuld hebt ? De Heilige Schrift noemt ze wegwerpelijke kleederen. O, wat zullen Jozef en Jeremia in den kuil tot God hebben geroepen ! O, laat er ook bij u geen stilzwijgen wezen, gij gebondenen, die daar hoopt. Laat alle hoop op eigen gerechtigheid bij u bij den wortel mogen worden afgesneden om uw eenigste hoop te richten op het bloed des verbonds, dat Gods dierbare Zoon aan het kruis heeft laten vloeien voor arme, doemschuldige zondaren. O, houdt aan, want Hij is een medelijdende hoogepriester, die uit den ruischenden kuil en uit modderig slijk wil ophalen.
En arme zondaren, die door de genade des Geestes van zichzelf leeren afzien om nu te leeren opblikken naar het kruis der verzoening, hooren het zich toeroepen : Keert gijiieden weder tot de sterkte.
Uit den ruischenden kuil terug naar de sterkte van Sion.
Terug naar Jeruzalem. Terug naar het kruis van Christus. Bij den aanvang, maar na ontvangene genade telkens weer opnieuw, als het hart verbroken is over nieuwe zonde en schuld.
En als Sion dan terugziet op al dat leed en op al die smart, op al dat lijden en op al dat strijden, dan zegt de Heere door den mond van den profeet: „Ik zal u dubbel wedergeven".
Troost, troost mijn volk, zal ulieder God zeggen, spreek naar het hart , van Jeruzalem en roept haar toe dat haar strijd vervuld is en dat ze van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al hare zonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's