De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geen verscheuring van „het huisgezin des Heeren”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geen verscheuring van „het huisgezin des Heeren”

4 minuten leestijd

In de artikelen over de jeugddiensten, gepubliceerd in het Algemeen Weekblad van de Ned. Hervormde Kerk, heeft K. Terpstra, van Godlinze, o.a. ook gewezen op de psychologische eigenaardigheid van de leeftijd onzer jongeren.

Wanneer de vraag, of de jeugd een eigen vertolking van het Evangelie noodig heeft en deze kerkelijk toelaatbaar is, bevestigend beantwoord wordt, dan komt voorts de vraag, „wat dan die eigenaardigheid dier vertolking uitmaakt, welke inkleeding der boodschap en de vorm van den eeredienst moet zijn". T. gaat dan verder met te zeggen, dat voor wie de jeugddiensten afwijst, natuurlijk net zoo goed de vraag van de verkondiging aan de jeugd een antwoord blijft eischen. We brengen dit nog even onder de aandacht onzer lezers, omdat Ds J. G. Woelderink, in een artikel over de jeugddiensten, in het reeds eerder genoemde blad, ook hierover een en ander opmerkt. W. begint met terug te grijpen op het inleidend artikel van den heer Stufkens. In dit artikel werden de bezwaren tegen de jeugddiensten wel opgesomd, maar niet nader gewogen en ook niet getoetst aan Schrift en belijdenis. Alleen wordt geconstateerd, dat niet aanvaardbaar is gemaakt, dat de voorstanders van de jeugddiensten het mis hebben gehad. Terwijl de vraag, in hoeverre een gevaar, waarop de voorstanders bijzonder hebben te letten, misschien samenhangt met den oorsprong-der jeugddiensten, is blijven liggen. Naar het oordeel van Ds W. nu zijn de bezwaren, die omstreeks 1930 tegen de jeugddiensten zijn ingebracht, vaak gebagatelliseerd. Ze werden beschouwd als bezwaren van menschen, die met hun tijd niet mee wisten te gaan. Bovenal echter oordeelde men toetsing aan Schrift, en Belijdenis niet noodzakelijk! De practijc eischte de jeugddienst, zo meende men, en daarop alleen werd gelet.

Bij de nieuwe aanval wordt dan ook niet alleen uitgegaan van de resultaten, maar in de eerste plaats wordt naar de geloofsbrieven gevraagd.

Thans, in 1941, waagt Ds W. het, zijn bezwaren, die nog niet gewijzigd zijn, naar voren te brengen. Hoewel dit misschien de beschuldiging van „individualisme en stokpaardjesrijderij" met zich mee kan brengen. Eerst wordt echter een misverstand voorkomen. Ds W. onderscheidt n.l. terecht tusschen jeugdarbeid en jeugddienst, wanneer dit woord dienst althans heenwijst naar den „dienst des Woords". Bij de jeugdarbeid mag en moet wel terdege gebruik gemaakt worden van al de middelen, welke de paedagogische wetenschap ons verschaft. De bezwaren, welke ontwikkeld worden, gelden dan ook niet de jeugdarbeid, maar alleen de genoemde jeugddienst De dienst des Woords moet niet allereerst gesteld worden onder het aspect van de eischen der paedagogiek. En het gesprek over de psychologie — in welk stuk men volgens den heer Stufkens minder zeker is geworden — kan geheel op den achtergrond blijven, wanneer men in de jeugddienst met den „dienst des Woords" heeft te doen.

„In den „dienst des Woords" hebben we te doen met de samenkomst van Christus' Gemeente ; geen onderlinge samenkomst, maar een samenkomst voor Gods aangezicht, een samenkomen met den Heer der Gemeente, die niet maar gedacht wordt in haar midden tegenwoordig te zijn, maar die voor het geloof rëeel in haar midden tegenwoordig is in Woord en Sacrament en door de kracht Zijns Geestes die tegenwoordigheid openbaart aan hen, die gelooven. Deze Gemeente is in haar hoedanigheid van Gemeente van Christus één en ondeelbaar, een lichaam, waarvan geen enkel lid op zichzelf staat; sexeverschil is hier van geen beteekenis, evenmin als standsverschil; het verschil in psychische structuur valt evenzeer wegr Gods roeping éenerzijd en het geloof anderzijds zijn de samenstellende factoren, die alleen gewicht in de schaal leggen. Deze Gemeente wordt in het Nieuwe Testament een enkele keer het huis(gezin) des Heeren genoemd; de geloovigen Gods huisgenooten; niet de verbrokkeling van „het gezin" is het groote gevaar van den jeugddienst, maar de verscheuring van „het huisgezin des Heeren; !" De leden der Gemeente weten zich niet meer één, zelfs niet daar, waar de Heer der Gemeente tegenwoordig is".

We willen onderstreepen, dat in den „dienst des Woords" niet de verschillen in sexe, stand en psychische structuur op den voorgrond treden. Door deze verschillen wordt de dienst des Woords niet bepaald. Naar deze verschillen mag de gemeente niet worden „gedeeld"' in haar bijeenvergaderen. In de „dienst des Woords" leggen alleen de roeping Gods en het geloof gewicht in de schaal. Vervolgens mag het „Huisgezin des Heeren" niet worden verscheurd. Ouderen en jongeren moeten zich één weten, bij elkaar behoorend in Gods huis. Geen verbrokkeling, geen verscheu­ring van dit gezin.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Geen verscheuring van „het huisgezin des Heeren”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's