Iets uit het gesprek over de Jeugddiensten.
In het „Weekblad van de Nederlandsche Hervormde Kerk" verschijnen enkele artikelen over de jeugddiensten. De noodzakelijkheid of niet-noodzakelijkheid, het voor en tegen, wordt andermaal besproken. Andermaal, zeggen we. Over dit onderwerp toch is al heel wat gesproken en geschreven.
We herinneren ons nog wel de vraag, welke nog niet zoo lang geleden gesteld werd : hoe komen we van de jeugddiensten af ? Hiertegenover is vanzelf wel weer een en ander opgemerkt. We herinneren ons nog, dat in onze studietijd te Utrecht Dr Severijn, toen predikant te Dordrecht, in een lezing voor „Voetius" zich tegen de jeugddienst verklaarde, omdat men bij zoo'n dienst toch niet spreken kan van een samenkomst der gemeente.
En Ds Woelderink schreef indertijd in „De Vaandrager", in de „Vragenbus", dat de jeugddienst, welke opkomt uit de kerkelijke afbraak, zoo niet aanvaard kon worden en de Kerk niet ten goede kan komen. Ik meen althans, het zoo juist weer te geven. K. Terpstra, van Godlinze, denkt zich de regeling als volgt (Weekblad der Ned. Herv. Kerk, no. 36, 25ste jaargang) „voor de jeugd van 14—20 jaar worden er op bepaalde tijden aparte jeugddiensten gehouden, uitgaande van den kerkeraad, waar in het bijzonder verwacht worden de catechisanten, de leden van de jeugdvereenigingen en verder worde er bekendheid gegeven in heel de gemeente en haar periferie. In grootere plaatsen vormen de jeugddiensten een bijzonder werkterrein van den jeugdpredikant, die voor het werk onder de jeugd in de gemeente beroepen is. De inhoud der verkondiging, waarvan de evangelische boodschap steeds centraal moet zijn, sluite aan bij de psychologische gesteldheid van de jeugd".
Voor de kleinere gemeenten wordt dan de regeling als volgt gedacht:
„Vanwege het kleinere getal zou ik daar in de plaats van jeugddiensten willen stellen : gezinsdiensten, waar verwacht worden de catechisanten, leden der jeugdvereenigingen; de oudste kinderen der Zondagsschool enz., met hun ouders en de overige leden der gemeente en waar de inhoud der prediking dan ingesteld zij op de rijpere jeugd, die aangesproken wordt op de wijze als boven (in het artikel van K. T.) omschreven. Zoodoende krijgt men een kans om de jeugd, die anders zelden of nooit komt — of er zonder veel aandacht zit — te bereiken. En men heeft ze in het verband der gemeente. En het zou kunnen zijn, dat men ook in grootere gemeenten, waar men overigens een voldoende aantal jongeren samen kan brengen, deze „gezinsdiensten" zou kunnen gebruiken. Vooral ouders, die graag hun grootere kinderen mee naar de kerk nemen, zonder ze elke Zondag tegen hun zin deze verplichting op te leggen, zouden deze diensten, dunkt mij, dankbaar aanvaarden.
K. T. gaat er in zijn artikel van uit, als we het goed zien, dat de rijpere jeugd een „eigen verkondiging van de evangelische boodschap noodig heeft, door de psychologische eigenaardigheid van de leeftijd, onafhankelijk van de vraag of deze jeugd al of niet naar de gewone godsdienstoefening komt".
In het Weekblad, bovengenoemd, no. 34, 25ste jaargang, schrijft B. van Ginkel van Utrecht en neemt in zijn schrijven deel aan het gesprek over den jeugddienst. Hoewel Van Ginkel den zegen wil erkennen, die God ook in de jeugddienst kan schenken, blijft bij niettemin afwijzend staan tegenover deze instelling. En waarom? Hij begint met o.m. op te merken, dat de voorstanders van de jeugddiensten ongetwijfeld deze overtuiging hebben, uitgesproken of niet uitgesproken : de kerkdienst is te veel ouderen-dienst. Gewezen wordt dan op de volgende feiten. De ouderlingen zijn voornamelijk ouderen; de bedaagden zitten meestal centraal in de kerk; de jongeren zitten wat meer verborgen, „ze hooren er wel bij, maar toch niet als de Kerk der toekomst, veeleer als een weinig beteekenend toevoegsel. De prediking komt hiermee overeen. „Is haast niet ieder predikant zichzelf bewust, dat zijn prediking te veel is ingesteld op de ouderen, op hun nooden en ook op de voor hen meer eigenaardige zonden? " In deze moeilijkheid lijkt de jeugddienst dan een oplossing te geven. De situatie in grootere gemeenten is dan zoo : „er is een ouderen dienst, er is een jongeren dienst. In de ouderen-dienst zijn nog wel heel wat jongeren, maar de stadsjeugd gaat toch vaak en gaarne naar de jeugddienst, waar inmiddels ook ouderen zijn, die zich het meest thuis voelen in de sfeer, die de jeugddienst biedt". Bij aanvaarding van de jeugddienst kan de beoordeeling tweeërlei zijn. Men kan dankbaar zijn voor het ontstaan van de jeugddienst, waarin gepreekt kan worden in woorden en beelden, die de jeugd van dezen tijd verstaat, waarin „de liturgische vormgeving zich kan ontwikkelen, los van de eigen Nederlandsche traditie van de laatste eeuwen". De jeugddienst kan echter ook gewaardeerd worden als iets voorloopigs. Zij is slechts voorportaal naar den eigenlijken kerkdienst met Woord en Sacrament. De jeugddienst staat dan onder kerkelijke leiding, opzicht en tucht. Gewezen wordt op het gevaar van zekere „eigendunkelijke kerkelijkheid", wanneer hier en daar gesproken wordt van jeugd-kerk, „terwijl er geen ambten zijn, geen kerkorde, geen kerkelijke belijdenis en geen sacramenten". De redenen opnoemend, waarop V. G. tegen de instelling van de jeugddienst is, wordt in de eerste plaas de vinger gelegd bij het verregaand individualisme in ons kerkelijk leven. Als voorbeeld wordt genoemd dat vier kerkgangers uit één gezin op één Zondag in drie of vier verschillende kerken het Woord Gods gaan hooren. Men zou kunnen aanvoeren, dat dit in de jeugddienst nu juist wordt tegengegaan, omdat de jongeren dan steeds naar denzelfden dienst gaan en dus lang „niet in die mate een individueele keus maken, welken predikant zij volgen, als ouderen". Hun kerkgang blijft echter een kerkgang van personen, van individuen. Sterk legt V. G. er de nadruk op, dat we juist hier af moeten. We moeten weer leeren als gezinnen naar de kerk te gaan. Een stukje uit het huwelijksformulier wordt aangehaald, n.l. uit het gebed, waarin het gaat over het godzalig opvoeden der kinderen „tot stichting van Gods gemeente".
„Ouders en kinderen zijn erfgenamen van hetzelfde verbond, mogen aanhooren dezelfde beloften, hebben recht op dezelfde verbondsteekenen en zegelen. Het kind, de jonge man of vrouw, zij hebben er zonder uitzondering récht op, omdat God hun dit gaf, om aanwezig te zijn in den volledigen kerkdienst met zijn Doop en met zijn Avondmaal. Blijft zonder deze de prediking niet een stichtelijke toespraak ? Verliest zij op den duur haar karakter als prediking niet ? "
In de kerk hooren gezin bij gezin bij elkaar, allen onder dezelfde beloften. In de kerk juist moeten de jongeren zich wel het allermeest verbonden gevoelen met de ouderen en de ouderen met de jongeren.
V. G. pleit dus, zooals hij zelf zegt, sterk voor den gezinskerkgang, op grond van de belijdenis van het verbond der genade. De moeilijkheden worden niet over 't hoofd gezien. Hier moeten wij echter een roeping zien, „dan twijfelen we aan de mogelijkheid niet!" Als ouderen en jongeren beiden deze roeping erkennen, dan zullen ze daarin zich met elkaar verbonden weten. En de dienaar des Woords zal al meer gaan spreken tot heel de gemeente, tot jong en oud.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's