De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zefanja,

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zefanja,

de profeet van den dag des Heeren

15 minuten leestijd

Het wee over Jerusalem

Hoofdstuk 3 vs 1 e.v.

Het onweder van Gods oordeel scheen ver weg te trekken : het land der Filistijnen, der Moabieten en de landen van het Noorden, zullen getroffen worden. Dan ineens met een scherpe wending, zonder overgang, wordt Jerusalem rechtstreeks aangesproken en vermaand zich te schikken om God te ontmoeten. Jerusalem toch is tot den hemel toe verhoogd; wat de stad is, is zij door Gods verkiezende genade. Zeker, in Jerusalem klopte de hartader van het volksleven van Israël 1^), maar Jerusalem was bovenal groot, omdat het de plaats was, die de Heere verkoren had om Zijn naam aldaar te doen wonen, waar het volk vroolijk zou zijn voor het aangezicht des Heeren. (Deut. 12 vs 11). Jerusalem, brandpunt van Gods erbarming, maar helaas ook middelpunt van afgodendienst en Godverzaking. Donker is het beeld, dat de profeet ons ophangt van de onboetvaardigheid en weerspannigheid, vooral van de leidslieden des volks, van vorsten en rechters (vs 3), van profeten en priesters (vs 4) ; de verbastering en ontaarding van den dienst des Heeren moet wel groot zijn geweest!

Wee u, weerspannige, bezoedelde, stad des gewelds ! De heilige stad is vol onheiligheid, bezoedeld door de ongerechtigheid en goddeloosheid: Uwe ongerechtigheden maken scheiding tusschen u en uwen God en uwe zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat Hij niet hoort. Want uwe handen zijn met bloed bevlekt en uwe vingeren met ongerechtigheid. (Jes. 59 vs 2, 3). Jerusalem bracht het er niet beter af voor Gods aangezicht dan de vaderen in de woestijn, die weerspannig waren en murmureerden in hunne tenten (verg. b.v. Ps. 106 vs 33, 43). Ja, zelfs Jerusalem was een stad vol van geweldpleging en dat nog wel de stad, van welke aan de vreemde boden eertijds geboodschapt moest worden, dat de Heere Sion gegrond had, opdat de bedrukten des volks daarin een toevlucht zouden hebben. (Jes. 14 vs 32) 2^) Zefanja geeft een teekening van het geestelijk-zedelijke leven in de hoofdstad des lands, die volkomen aansluit bij wat we uit de profetieën van Jeremia dienaangaande weten. Dit is een volk, dat naar de stem des Heeren zijns Gods niet hoort en de tucht niet aanneemt; de waarheid is uit hun mond verloren en verdwenen. (Jer. 7 vs 28). Men bracht wel offers, maar het hart was er niet bij; men wilde wel een hoekje van het hart voor den Heere afzonderen, maar wilde er niet aan, dat de Heere den geheelen mensch voor Zijn dienst opeischt.

Jerusalem hoort naar de stem niet, zij neemt de tucht niet aan ; zij vertrouwt niet op den Heere, tot haren God nadert zij niet. (vs 2). Jerusalem wilde aan Gods Woord niet aan, omdat zij God niet wilde ! Naar de vele en velerlei stemmen, die in de groote verwarring van Zefanja's dagen tot de mannen van Jerusalem kwamen, werd wel geluisterd. Men luisterde naar de stem van de bondgenooten, die hulp beloven, zooveel als ze maar hebben willen, en die hulp wordt niet beloofd, omdat men medelijden met het kleine volkje Israël heeft, maar zuiver uit egoïstische motieven, en ach, straks zal men in Jerusalem klagen, als het te laat is : Nog aldoor staarden wij ons blind naar onze ijdele hulp, gaapten wij naar een volk, dat niet konde verlossen. (Klaagl. 4 vs 17). Omdat in Jerusalem geen vertrouwen op God was, daarom kon ze in een critieke situatie niet van alle menschelijke hulp afzien en het met den Heere alleen blind wagen! Maar Mijn volk wou niet naar Mijn stemme hooren; Israël verliet Mij en Mijn gehoon : 't Heeft zich andere goon, naar zijn lust verkoren. Ach, het zit waarlijk niet alleen Israël in het bloed op uiterlijke machtsmiddelen te vertrouwen of op menschen te vertrouwen, al moet het woord ons wel diep in de ziel dringen : Vervloekt is de man, die op een mensch vertrouwt! Naar de stem des Heeren hoort Jerusalem niet. Och, had ze dat wél gedaan, dan zoude ze leven en de gewisse weldadigheden Davids ontvangen. „De ware godsvrucht begint bij de leerzaamheid, de geneigdheid en bereidheid zich te laten gezeggen ; waar wij ons aan God en aan Zijn Woord onderwerpen, daar is het rechte begin tot de ware dienst des Heeren. Waar echter de hemelsche leer veracht wordt, ook al vermoeien de menschen zich nóg zooveel met allerlei ceremoniën, daar openbaart zich toch hun goddeloosheid in die hardnekkigheid, dat zij het niet verdragen door het bevel Gods te worden geregeerd. 3*)

Inderdaad, zich door den Heere te laten gezeggen, dat is het abc van alle ware Godsvrucht: den Heere aan het woord laten over ons leven en ons doen en laten. Hoe zoet zijn mij Uwe redenen geweest; geen honing kan 't gehemelte beter smaken ! Maar dat heeft Jerusalem niet gekend. Daar heeft men het niet benauwd gekregen onder het woord van Gods geridht, maar daar is ook het gewetensalarm niet stilgelegd door de verkondiging van de ontkoming en de vergeving. Jerusalem is hard van aangezicht en stijf van hart, een weerspannig huis. Zeker, Jerusalem komt er niet best af bij de prediking van de profeten, maar zoo wordt de wonde opengelegd en de breuk ontdekt en dat is noodig, zal er genezing zijn. En als dan de menschen niet luisteren naar Gods vermaning door het woord, dan laat de Heere het niet bij het woord, waardoor Hij het volk wil terugbrengen in boete en berouw : bij het woord van vermaning voegt de Heere — en dat is een wonder van Zijn erbarming — de daad van vermaning, tuchtiging en kastijding. En ook in het dragen en aannemen van Gods tuchtiging zal Gods volk leeren verstaan, dat ik daarmede mijn leven niet goed maak en mijn toekomst niet veilig stel, tenzij dan door den Knecht des Heeren, van wien de profeet zegt: de straf  4^), die ons den vrede aanbrengt, was op Hem ! Jes. 53 vs 5.

De stad van den grooten Koning had den Heere niet noodig en wendde zich tot andere goden (vs 2, laatste ged). Krachtens het Verbond is de Heere Israels God ; en wat heeft Israël dan met de afgoden te doen ? Maar in trouwbreuk en verbondsverbreking vergetende, wat God voor Zijn volk wil zijn, nadert Jerusalem tot haren God niet. Ongehoord en ongerijmd is deze afval en verlating. Heeft Israël niet alles, alles aan den Heere te danken ? Het was schuldige plicht om tot haren God te naderen, maar ook van Boven gegeven privilege om tot haren God te mógen naderen. In dat woord: tot haren God nadert zij niet, hoort ge dezelfde smartelijke klacht van de miskende en vertrapte liefde die uit Jer. 2 ons tegenklinkt.

De profeet teekent, hoe het kwaad niet het minst in de leidende kringen schuilt: de leiders des volks zijn verleiders geworden. Eerst worden de vorsten genoemd ; met brullende leeuwen worden ze vergeleken. Als woedende roofdieren spreidden zij schrik rondom en heerschten met de wapenen van geweldpleging en verdrukking. We moeten hier denken aan de rijksgrooten, de hoogere ambtenaren en de voornaamste raadslieden van den koning. Deze hoogwaardigheidsbekleeders hadden grooten invloed op den gang van zaken ; uit den tijd van Salomo zijn hun namen ons overgeleverd (1 Kon. 4). Jeremia heeft, veel met hen te stellen gehad en weinig goeds wordt ons in diens profetieën over hen verteld. Blijkbaar spraken ze ook recht en hadden de beslissing over leven en vrijheid der burgers (zie b.v. Jer. 26 vs 10 e.v.). De vorsten zijn het, die later Jeremia onder de valsche beschuldiging, dat hij tot de Ohaldeën wilde overloopen, gevangen zetten in het huis van Jonathan den schrijver. (Jer. 37 vs 14). Zij zijn het ook, die aan Zedekia voorstellen — hieruit blijkt, dat de koning sanctie moest geven aan hun besluit of de beslissing in hoogste instantie had — : Laat toch deze man gedood worden, want hij maakt de handen der krijgslieden en de handen van het gansche volk slap (Jer. 38 vs 4). En Jesaia teekent niet minder scherp hen als roofdieren: Uwe vorsten zijn afvalligen en metgezellen der dieven; een iegelijk van hen heeft de geschenken lief en zij jagen de vergeldingen na ; den wees doen zij geen recht en de twistzaak der weduwe komt niet vóór hen. (Jes. 1 vs 23).

In één adem noemt de profeet met de vorsten de richters, avondwolven, die de beenderen niet breken tot aan den morgen (vs.3b)  6) De onbaatzuchtigheid van deze rechters is verre te zoeken ; zij zoeken zichzelf en eigen voordeel. De corruptie is wel erg: voor een kleinigheid zijn ze om te koopen. (Micha 7 vs 3). Hun werk is een werk der duisternis, dat het daglicht niet velen kan. Hare hoofden richten om geschenken en haar priesters leeren om loon en haar profeten waarzeggen om geld, en dan toch nog steunen zij op den Heere en zeggen : Is de Heere niet in het midden van ons? {Micha 3 vs 11). Rechtsbetrachting is in werkelijkheid rechtsverkrachting.

Hare profeten zijn lichtvaardig, gansch trouwelooze lieden (vs 4). Zij moesten altijd weer sprekers Gods zijn en als getrouwe gezanten altijd weer Gods licht laten schijnen over der menschen wegen. De eere Gods en het gebod des Allerhoogsten woog hun zwaar. Zwaar was hun woord: „het woord der profeten was het ultimatum Gods, waarin aan het volk de laatste poort tot de redding werd geopend, 't Profetisciie woord moest een crisis brengen ; ook de eenvoudigste en de meest weerspannige moest erkennen, wat goddelijk en wat menschelijk, wat goed en kwaad was. Indien de profeet de bazuin aan de mond zet, kan niemand meer slapen. Neutraliteit is er in deze geweldige strijd Gods niet; zooals de profeten roepen, roept men tot degenen, die aan de rand van de afgrond wandelen, zonder dat ze er erg in hebben". 7") Maar Zefanja teekent de profeten als lichtvaardige mannen, mannen, die de moed misten om met de waarheid voor den dag te komen, die de menschen naar de mond praatten en vat gaven aan een ijdel optimisme zonder eenigen , grond. De profeten moesten het geweten des volks wakker schudden en opscherpen, maar de profeten uit Zefanja's dagen susten de menschen in slaap en profeteerden het gezicht huns harten, een valsch gezicht en huns harten bedriegerij. (Jer. 14 vs 14, e.a.)

De valsche profeten wisten niet, hoe erg de zonde is en hoe heilig de Heere. Zij laadden niet als Jesaia het: Heilig, heilig, heihg is de Heere der heirscharen, gehoord en hun lippen waren door een kool van het altaar niet gereinigd. Daarom konden zij zoo gemakkelijk praten. Zij wisten niet, hoever het volk van den Heere was afgeweken, want zij kenden niet het „staan voor Gods aangezicht". Lichtzinnig waren zij in hun woorden en lichtzinnig in hun daden: wat trouw was, wisten zij niet. Hoort, hoe Jeremia (tijdgenoot van Zefanja) hen teekent: van den profeet aan tot den priester toe bedrijft een ieder van hen valschheid en zij genezen de breuk van de dochter mijns volks op het lichtst, zeggende : vrede, vrede, doch daar is geen vrede. (Jer. 6 vs 14) en zoo verleidden zij met leugens en lichtvaardigheid het volk. (Jer. 23vs 32). Meer om de eere en gunst bij menschen waren zij verlegen, dan dat zij de eere Gods bedoelden. Een vleiende waarzegging hadden zij voor ieder klaar, die hen te eten geeft, maar wee, wie hun niets geeft (Micha 3 vs 5). Voor een glas wijn of sterke drank doen ze al veel (Micha 2 vs 11) 8^) Deze profeten zijn een sta-in-denweg voor waarachtige boete en bekeering ; zij bedroeven het hart des rechtvaardigen door valschheid en sterken de handen des goddeloozen, opdat zij zich van hun boozen weg niet afkeeren zouden (Ez. 13 vs 22). De valsche profeten spraken van vrede, maar kenmerk van echte profetie was juist, dat onweerstaanbaar het onheil zou opdagen. Zoo zegt Jeremia tot Hananja : de profeten, die voor mij en voor u van oudsher geweest zijn, hebben tegen vele landen en tegen vele koninkrijken geprofeteerd van krijg en van kwaad en van pestilentie (Jer. 28 vs 8). Zoo stond Mieha met zijn boodschap, dat het verkeerd zou gaan, alleen tegenover de tweehonderd, die spraken van vrede en overwinning (1 Kon. 22) en zoo zal véle jaren later Ezechiël tegen valsche profeten en valsche profetessen, die als vossen zijn in de woeste plaatsen, de dreigende woorden des Heeren spreken : in het boek van het huis Israels zullen zij niet worden opgenomen. (Ez. 13)

En de priesters ? Zij waren mannen van grooten invloed en konden voor het volksleven tot grooten zegen zijn, maar ook voor deze leidslieden des volks heeft Zefanja geen goed woord: 9) Hare priesters verontreinigen het heilige, zij doen der wet geweld aan (vs 4b). Over de priesterlijke taak lezen we o.a. in den zegen van Mozes (Deut. 33 vs 10) : zij onderhielden uw woord en bewaarden uw verbond. Zij zullen Jakob Uw rechten leeren en Israël Uw wet. Hun hoogheilige roeping wordt daar in enkele woorden als in een korte instructie samengevat, maar interesse hadden de priesters uit Zefanja's dagen voor iets anders: aan plichtsverzaking op groote schaal maakten zij zich schuldig. Van hun verzuim in ambt en bediening worden zij in het openbaar door het woord des Heeren aangeklaagd. De Heere ziet profeten en priesters nauwgezet op de vingers. De priester heeft ook de taak om de wet te onderwijzen en daarom is hij te minder te verontschuldigen, hij staat niet boven de wet; immers de Heere wil geheiligd worden in degenen, die tot Hem naderen. Het heilige wordt in hun handen verontreinigd. Zij zullen gehandeld hebben naar het verkeerde voorbeeld van de zonen van Eli en zij zullen hun navolgers hebben gevonden in de dagen van Maleachi, als de priesters de tafel des Heeren verontreinigen door het brengen van ondeugdelijke offers van blinde of kreupele beesten. (Mal. 1). Volgens de wet (Deut. 17 vs 8 e.v.) waren de priesters ook met rechtspraak belast; en van hun beslissingen was geen hooger beroep : de uitspraak van den priester was bindend. Maar van hun groote macht maken zij misbruik; zij verkrachten de wet uit eigen belang, om hun weelderige leven te kunnen voortzetten ; zij buigen het recht en nemen geschenken aan ! Voorgangers in het kwaad en werkers van ongerechtigheid.

Zoo is het over het geheel bij vorsten en profeten en priesters gebleven. Als menig jaar later Ezechiël Jerusalem haar zonde voorhoudt, dan schrijft hij (hoofdst. 22 vs 25 e.v.) haast een commentaar op de korte samenvatting van de zonden der leidslieden des volks, zooals we dat hier bij Zefanja vinden: hare vorsten eten de zielen, roovende wolven zijn zij gelijk om bloed te vergieten en om zielen te verderven. Haar profeten pleisteren met looze kalk ; zij schouwen ijdelheid en profeteeren leugen.

Profeten en priesters gaan voor en de groote massa des volks vindt het goed zoo. (Jer. 5 vs 31). Zoo wordt het volk van hoog tot laag rijp voor den ondergang.

Er is wel een heel groot contrast tusschen wat we hier lezen in het zonderegister van Israels leidslieden en wat we hooren van den Oversten Leidsman en Voleinder des geloofs (Hebr. 12 vs 2) : Hij is de Hoogepriester, barmhartig en getrouw in de dingen, die bij God te doen waren om de zonden des volks te verzoenen. Hij, de ware Middelaar, die tusschen God en mensch staat, als een Middelaar van genade.

AANTEEKENIINGEN :


1) De naam Israël wordt vóór 734 gebruikt voor het Noordelijke Rijk ; daarna tot 597 voor het Judeesche rijk, terwijl kort voor Ezra's optreden de naam Israël weer gaarne in verschillende zin gebezigd wordt. (Zoo Dr Th. Vriezen in Jaarbericht 5, Ex Oriënte Lux, p. 327, in verband met een monografie van L, Rost, Israël bei den Propheten).

2) Al heeft het woord „bedrukten des volks" een idieperen zin, toch mogen we het in dit verband noemen bij de tegenstelling met de stad des gewelds, omdat achter „bedrukt" de gedachte ligt van : overweldigd door een goddelooze. Bij de behandeling van vs 12 hopen we daarop nog terug te komen. Zie : Kuschke, Arm und reich im Alten Testament, Z. A. Wissenschaft, 1939, s 31 f.

3) Calvijn, Praelectiones in Sophoniam, a. 1.

4) Hier staat in het Hebreeuwsch hetzelfde woord dat in Zefanja door tucht wordt vertaald.

5) Avondwolven : 's avonds op roof uitgaande wolven (zoo Nowack, in zijn Kommentaar). Obbink in zijn verkorte Bijbel vertaalt : hun richters zijn wolven in de nacht. De bedoeling van het laatste : die de beenderen niet breken tot den morgen, zal wel zijn, zooals Ridderbos in K. Verklaring en Smit in T. en Uitleg vertalen : die niets overlaten tot den morgen.

Horst in Eissfeldts Handbuch vertaalt: Hun rechtersi zijn wolven uit de steppe, de beenderen kauwen zij fijn tot den morgen.

8) Volz, Prophetengestalten des A. Testaments, s 29.

9) „Ik zal u profeteeren voor wijn en sterken drank" (Statenvert.) Ook Dr Edelkoort in de Christusverwachting in het O. Testament, pag. 264, meent dat dit de bedoeling is. Bleeker in T. en U. vertaalt : ik zal profeteeren van wijn en sterken drank. Dan zou dit weer wijzen op de ., heilsprofetie" van de valsche profeten. Ook iObbink (Verkorte Bijbel, 2de druk) denkt daaraan. Dr de Groot in de populaire toelichting op den Bijbel acht dit eveneens de beteekenis en wijkt daarmede van de Statenvertaling af, al duidt hij dat niet aan. (De Bijbel toegelicht enz., Hosea tot Micha, pag. 124).

10) Het is niet de bedoeling van Zefanja tegen het priesterschap te polemiseeren. Een tegenstelling profeet—priester, zooals die door sommigen wordt geconstrueerd, is er niet. Het gaat den profeet tegen de verbastering en verwording van het priesterschap en tegen den ontaarden priester.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Zefanja,

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's