MEDITATIE
Doe wèl!
Doe wèl bij Uwen knecht, dat ik leve. Psalm 119 vers 17a.
Recht gebeden, is meer dan het halve werk, lezer. Misschien bevreemdt en verwondert u dit, want bidden is een bij uitstek afhankelijk werk ; bidden is het werk van kleine menschh. Farizeërs bidden niet; bidden is tollenaarswerk. Maar voor deze kleine menschen zijn groote dingen weggelegd. Imimers, voor wijzen en verstandigen hebt Gij het verborgen, o Vader in den hemel, maar den kinderkens is het licht opgegaan.
Van den vromen koning Gustaaf Adolf wordt verhaald, dat hij vlak voor het losbranden van den beslissenden strijd van zijn paard steeg en neerknielde om te bid den; onder zijn gevolg zullen er wel geweest zijn, die zich verwonderd afvroegen; wat krijgen we nu? Maar de koning vergiste zich niet en God hoorde hem.
De gebedsworsteling van Immanuël in den Olijvenhof ontsloot Hem den weg tot Zijn kruistriomf en doodsverwinning.
En als dit roepen uit de diepte zelfs voor Hem nog noodig was, hoeveel te meer dan voor ons, kleine, zwakke menschen.
Doe wèl bij Uwen knecht, zoo bad de Psalmist, en daarin verdient hij aller navolging. Let vooral op de wijze, waarop deze man Gods over zichzelf spreekt; hij noemt zich Gods knecht; gelukkig de mensch, die een knecht van God mag en wil zijn; die een hodger eere en vreugde en heerlijkheid kent dan den liefdedienst van dezen dierbaren en onvolprezen Koning. Dit te mogen zijn is de hoogste onderscheiding, die een mensch te beurt kan vallen; dit te willen zijn is een krachtig bewijs van ontvangen genade.
Met schaamte moet beleden, dat wij onvervalschte Adamstelgen zijn, die het immers ook beneden zich achtte om eenvoudig te luisteren naar Gods stem en liever zijn eigen weg wou gaan. Gods knecht, Gods dienstmaagd zijn, d.w.z. vragen, altijd en bij alles : Heere, wat wilt Gij ? Heere, leer mij Uwen weg en leid mij.
En dan zijn we er nog niet, want soms is Gods weg zóó steil en de loopbaan, ons voorgesteld, zóó moeilijk begaanbaar, dat wij ons huiverend en onwillig afkeeren. En daarom vraagt de Psalmist, dat de Heere hem zal wèl doen. Wat is dit anders dan dat de Almachtige Koning Zijn heerlijke kracht in de zwakheid van Zijn knechten en maagden zal vervullen en volbrengen. Dit begeerde weldoen is niet het reiken van een helpende hand, waardoor de mensch, die toch zijn best zoo doet en het zoo goed bedoelt, zijn welslagen verzekerd ziet en zijn doel bereikt. O neen, het is veel meer en het is heel anders. Het is maar geen noodzakelijke aanvulling van het ontbrekende, maar het is dit, dat de Heere Zijn genade ons genoeg doet zijn en in ons werkt het willen en het volbrengen naar Zijn welbehagen.
Wij van onszelf zoo zwak, dat wij geen oogenblik kunnen stand houden, terwijl aan allen kant vijanden opdringen en gevaren dreigen en bezwaren ontmoedigen. Maar de Heere is zoo getrouw als sterk: Hij zal Zijn werk voor ons volenden.
Weldoen is goeddoen, en wat is nu goed voor een mensch, die een knecht Gods mag zijn en wil zijn ? Dat hij van zichzelf afgebracht en op God geworpen wordt.
Dat de gekrookte rietstaven, waarop hij zoo gaarne leunt, zullen doorbreken, opdat hij niets overhoudt van zichzelf.
Dit is goed voor een mensch, dit is bevorderlijk voor zijn waarachtig geluk en voor de vervulling van zijn levensdoel, dat hem nu 't volle licht Gods zal duidelijk worden : ik ben onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad. Ik ben eigenlijk toch maar arm en blind en naakt en jammerlijk en ellendig. Het helpt niet, of mij de menschen al helpen willen ; 't baat niet, of ik zelf al mijn best doe; ik ben tot al deze dingen onbekwaam. Ai mij, Heere, ik ben aan 't zinken en tot hinken ieder oogenblik gereed. Ik ben een zondaar ; ik heb met gedachten, woorden en werken Gods Wet overtreden ; ik ben niet waardig Gods knecht, Gods kind te zijn. Dit is goed voor een mensch, dat hij leert hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want dan zal hij verzadigd worden. Want God doet geen half werk; maar Hij wekt den honger naar Zijn genade en gemeenschap, daar komt te Zijner tijd, dat is op Gods tijd, ook de vervulling. In Zijn wèldoen is voortgang tot de eeuwige voltooiïng.
Het is goed, dat die dorstige mensch leert neerknielen aan Gods bronen leert drinken uit de fontein des heils ; dat die zwakke, doorgebroken mensch leert leunen en steunen op den arm des Heeren, die wonderen doet; dat hij geloovig leert zien op den Gekruisigde en vol verwachting zijn oogen opheft naar de bergen Gods, vanwaar alleen en zekerlijk zijn hulp zal komen. Het is goed voor een mensch, dat hij leert schuilen bij Immanuël en zijn hoop bouwt op Gods grootheid en goedheid, die grenzeloos en gadeloos zijn. Immers dan zal de Heere een vurige muur rondom Zijn kinderen zijn en tot heerlijkheid in het midden van hen.
Als de Heere mij wéldoet, zegt Gods knecht in onzen tekst, dan zal ik leven. Wat is leven ? Dat laat zich niet gemakkelijk onder woorden brengen ; er zijn dingen, die zich beter laten gevoelen dan zeggen ; zoo is het ook met het leven. Hier denk ik aan het woord van den Psalmist: Wij zien het, maar doorgronden 't niet. Reeds in het natuurlijke is leven een wondervolle verborgenheid ; hoeveel te meer in het geestelijke. Blijkens het Woord des Heeren hangt dit leven ten nauwste saam met den Chttstus. Hoe zou het ook anders kunnen. God is de Bron van dit wondere leven en met deze eeuwige, heilige Bron, is geen gemeenschap mogelijk dan in en door den Christus Gods, Immanuël : God met ons. In dat leven is het roemen stamelen en het stamelend roemen van de genade, die ons wordt toegebracht in de openbaring van Jezus Christus. O, al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk. Hij is veel schooner dan de menschenkinderen; gena is op Zijn lippen uitgestort, dies Hij eeuwiglijk van God gezegend wordt. Dit leven waarborgt de vrucht van 's Heeren Woord en leiding in ons leven, want de levende legt het in zijn hart, zegt de Spreukenkoning. Waar het leven ontbreekt, daar ontbreekt ook de opmerking, het luisterend ter harte nemen, het acht geven op het Woord; de Wet ontroert niet en het Evangelie lokt niet. Het blijft alles zonder andere uitwerking dan de verzwaring van het oordeel, wijl alles tegen ons getuigen zal.
Om de vernieuwende werking van Gods Geest wordt hier dus gebeden voor alle kinderen en knechten des Heeren. Zonder deze is de mensch als de heide, die 't niet gevoelt, wanneer het goede komt.
Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp. Er is gansch geen grond voor inbeelding, bij niemand, want de allerhoogste afhankelijkheid is allerwege. Worde 't slechts beseft! Daar is echter evenmin grond voor wanhoop, want het is Israels God, die krachten geeft, van Wien het volk zijn sterkte heeft; looft God, elk moet Hem vreezen. Amen.
Amsterdam
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's