De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NIENKE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NIENKE

FEUILLETON

15 minuten leestijd

VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN

(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 106)

„Bij den laatste zou je dit toch niet zeggen".

„'k Weet het van heel nabij. Glazema loopt met de verfkwast en is mooi voor de hand, maar thuis is hij voor vrouw en kinderen soms onuitstaanbaar. Trouwens, de menschen, die altijd zoo lief voor de vreemden zijn, deugen gewoonlijk niet".

„Wat ben je op dezen mooien avond somber, Mini. Kijk eens, hoe prachtig de zon het Westen kleurt en straks als een groote vuurbol zal ondergaan''.

„Dat weet ik wel, moeder, maar het is hier immers alles even benauwend. Soms is het mij, alsof ik geen lucht krijgen kan. De menschen meenen — hebben tenminste altijd gemeend — dat op „Donia-state" alles even lief en aardig is en dat vooral, nu ik weer beter mag worden, 't geluk ons op de schoenen groeit en zij weten niet van dat verborgen hartzeer, dat wij hebben".

„'t Leven hier beneden, is altijd vol teleurstellingen en dit zal ook blijven, onverschillig waar het geleefd wordt. Als wij naaar de kracht mogen ontvangen om het te kunnen blijven dragen tot het einde".

Bij deze woorden was 't alsof de boerin meer in zichzelf sprak, dan tot haar dochter. Kwam het, omdat de vrees wel eens boven kwam, dat het haar aan die noodige kracht ontbreken zou bij de dingen, die komen konden ? Of sprak zij die woorden, om Mini te brengen op een ander terrein, waar zij zelf ten slotte altijd weer rust vond en dat behoorde tot het gebied des geloofs ? Daar toch hadden zij beiden, in de moeilijker tijden, welke achter hen lagen, hun troost en sterkte gevonden. En zou dan diezelfde God, Die hen tot hiertoe zóó nabij geweest was en een Hoorder des gebeds toonde te zijn, ook niet verder geleiden en bewaren ? 't Was Mini alsof zij merkte te ver te zijn gegaan. Was dat de taal, die paste in den mond van iemand, die als van de poort des doods werd terug geroepen en tot verbazing van allen nog in het land der levenden was ? Moest niet juist zij voor haar moeder een andere zijn, die dag en nacht zoo gewaakt had over haar leven en kwam dit optreden overeen met haar begeeren in een leven van toewijdinlg anderen te dienen ?

„Ik geloof, dat ik vanavond een slechte troosteres voor u ben, maar ik kreeg in eens maar zoo'n bevlieging", sprak zij na eenigen tijd. „Voor de rest weet moeder, dat ik niets liever wil dan in alles u bij te staan en Tjerk ook en Wimpie, die stakkerd, ook. Wat was hij onlangs blij met zijn mooi rapport en welke idealen heeft die jongen voor de toekomst. Hij wil dokter worden, heeft hij mij gezegd, als tenminste vader geen bezwaar had tegen die dure studie".

Een oogenblik kwam er een glimlach op het gelaat van vrouw Santema. 't Streelde haar, dat de jongste zoo knap was en zoo veel beloofde en misschien een man van naam werd. 't Zou heel goed klinken : „Dr Santema", en in moederlijke trots zag zij reeds op een der stadsgrachten een voornaam heerenhuis, en op de groote, hooge deur, een royale? naamplaat, waarop de naam van haar zoon en daarnaast een bord aan den muur, waarop de spreekuren van den arts. En hij zou een drukke practijd krijgen en zijn naam zou wijd en zijd beroemd worden en hij zou een vrouwtje in huis halen, een dame, die geheel in een doktershuis op haar plaats was, en dan later, dan zou haar huis uit hem gebouwd worden en zij haar kindskinderen komen te zien, misschien zoo'n blonde krullebol als wel eens in de pastorie van Ds Buitenveld logeerde, of als. Betty Krips, óók zoo'n beelderig kind, en dan zou zij ........

Maar waar was zij nu weer ? Wonderlijk, dat de hoop op andere en betere tijden een mensch altijd weer doet leven en hij idealist blijft, ook al klimmen de jaren en is voor eigen leven de middaghoogte reeds bereikt.

Daar werden moeder en dochter plotseling opgeschrikt door belgerinkel. De telegrambesteller kwam per fiets het erf op en zocht om volk. Daarop reed hij den appelhof in om uit het bekende taschje het verzegeld geheim te halen en over te reiken. Men was zooiets hier wel gewoon. Meermalen noodzaakte de handel om spoedberichten te zenden en als de aanleg niet zoo kostbaar was, had „Doniastate" reeds lang telefoonverbinding gehad met het dorp, maar toch was de ontvangst van zoo'n bericht altijd een gebeurtenis, welke de aandacht trok.

Was het verbeelding, of beefden vrouw Santema de handen, toen zij het telegram aannam en even aarzelde om het zegel open te breken. „Santema, Donia-state, Zevenhuizen", stond op den omslag te lezen.

„Moet ik misschien ook antwoord mee terug nemen ? " vroeg de besteller, 't Gebeurde nogal eens. Dat won een reis naar het dorp uit en de man kreeg daarvoor een dubbeltje.

,,Waarom leest moeder niet, " vroeg Mini, zonder acht te geven op den bode, die nog altijd van de een op de ander keek, zonder heen te gaan.

„Doe jij het", sprak zij, en gaf het telegram aan haar dochter.

't Volgend oogenblik had deze 't los en las. Toen verbleekte zij.

,,Onraad ? " klonk de angstige vraag van moeder.

„Van Gabe. Hij heeft een ongeluk gehad. Lees u zelf".

Ja, daar stond het. „Zoon auto-ongeluk gehad. Vrij ernstig gekneusd. Overkomst gewenscht". Daaronder stond het adres van een der Ziekenhuizen te Amsterdam.

't Was vrouw Santema, alsof de letters voor haar oogen begonnen te dansen. Was het dat, wat haar den ganschen avond zoo gejaagd en vol angst deed zijn alsof een groot onheil te wachten was ?

Een zacht gekreun kwam op uit haar borst. Toen zeeg zij ineen. De sterke boerin van „Donia-state" scheen het aan de noodige kracht te ontbreken. „Water !" riep Mini, en wees den onthutsten besteller den weg naar Swopk, die op het boenstap bij de groote houten pomp bezig was de melkemmers te schuren. „Water!!" riep zij nog eens, met verheffing van stem. Toen scheen het alsof deze doordrong tot den omfloersden geest harer moeder. Nog even bleef zij, zwaar hangend in haar arm als iemand, die o zoo vermoeid is, roerloos liggen, om daarna langzaam de oogen te openen en rondom zich te zien. Juist kwam Swopk met een witte spoelkom aangedraafd. „Och heden, wat was er nou met de vrouw ! En dat op zoo'n mooien, stillen avond, 't Kwam toch ook niet van , de warmte". Toen viel haar oog op dat papier met opgeplakte letterstrook. O, zoo ; had dit het gedaan. Een Jobsbode. Swopk had 't altijd gedacht, dat het zóó nog wel eens komen zou en schudde het zware hoofd waarvan de haarlokken naar alle kanten uithingen.

„Je kunt wel gaan", sprak Mini daarop tegen den jongen, het betreurend, dat hij van dit tooneel getuige was geweest. Het zou opnieuw in Zevenhuizen opspraak geven en breed worden uitgemeten, met wie weet, welke toepassing.. De groote „men" wist immers altijd zoo haarfijn de dingen te vertellen en had gewoonlijk nog voor het onderzoek en de rechtspraak, het vonnis reeds geveld.

„Moeder is wat geschrokken!" riep zij hem nog na. „Mijn broer heeft een ongeluk gehad en zoo iets is altijd naar, maar we zullen hopen, dat het mee valt", en om hem daarmede meteen voor een gunstig verhaal in het dorp te winnen, greep zij in haar beurs en gaf hem 'n fooi. „Je behoeft het Jan-en-alleman niet te vertellen, wat je hier gehoord en gezien hebt", zei ze nog, waarop de fietsacrobaat zijn vinger op den mond legde als om te kennen te geven, dat hij geen woord zeggen zou en was 't volgend oogenblik verdwenen. Lekker een doosje cigaretten binnen!

Intusschen was mede door de zorg van de meid, vrouw Santema weer ten volle bij kennis. Dat was haar nog nooit overkomen ! Foei, wat was dat klein. Maar het kwam zoo onverwacht en zij had zich den geheelen dag al niet recht lekker gevoeld. Wat stond daar ook weer ? Mini moest 't haar nog eens voorlezen. Een auto-ongeluk ! Zij was daar altijd wel bang voor geweest. De courant stond dagelijks vol van die rampen en Gabe was nogal roekeloos.

Wel een goede chauffeur en handig en vlug, maar ook iemand, die het wagen durfde. Soms rijden van 60 tot 80 Km. En ook nóg wel sneller. Dat had zij van meetaf tegen die auto gehad. En dan nog dat andere. Als hij achter het stuur zat, gebruikte hij zoozeer geen alcohol, maar wel bier, en daar zat toch ook wel wat in. En dan dat ongeregeld leven, 's Nachts vaak maar een halve slaap en het eten ongeregeld, 't Een met 't ander. „Vrij ernstig gekneusd", stond er. Dat was nog iets anders dan „ernstig", 't Scheen dus nog mee te vallen, of het moest wezen, dat men dit ging seinen om niet te veel te doen schrikken. In elk geval was hij bij kennis, anders had hij dit adres niet kunnen opgeven.

„Amsterdam" was het laatste. Daar kwam het telegram dus weg. Aanstonds herinnerde zij zich het verhaal van Melle. Daar had hun Liesbet ook gelegen, „'t Is geen Gasthuis, 't is een Ziekenhuis, en voor goed óók", zei de jongen, als hij het daar nog over had, en zoo was het. Dus, nu werd Gabe daar verpleegd en wie weet in welken toestand hij thans verkeerde! Zoo'n telegram was altijd zoo kort! D'r bleven zoovele vragen over, waarop men geen antwoord kreeg, al bekeek men het van alle kanten. Wat zou zij nu graag even willen zien hoe hij het had. Gabe hing nooit erg aan moeder ; veel meer aan vader naar het scheen, en 't was wel eens alsof hij zich voor haar schaamde, vooral in bijzijn van anderen, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en hij was toch haar jongen, even goed als Tjerk en Wimpie. Maar hoe moest het nu! „Overkomst gewenscht" stond daar. "t Was al avond. Reeds dook de zon in het Westen.

De laatste reisgelegenheid naar Holland voor vandaag was al voorbij. Hoogstens zou men nog tot Zwolle kunnen komen, en wat gaf dat. Daarbij, de man afwezig en wie weet hoe laat en onder welke omstandigheden thuiskomend. Swopk moest Tjerk eens roepen. Amsterdam lag niet bij de achterdeur. Zóó werd daar onder den pereboom van „Donia-state'' gewikt en gewogen en alle mogelijkheden, waaromtrent 't telegram in het onzekere liet, overdacht.

Toen de schemering sterk inviel om weldra tot duisternis over te gaan, ging men naar binnen. Aan slapen was terstond geen denken. Wie zou onder zulke omstandigheden kunnen slapen, terwijl de man en een dochter nog op pad waren en een zoon daarginds met gekneusde, misschien wel gebroken ledematen in het ziekenhuis lag!

Toen deed Tjerk, wat in langen tijd hier niet gebeurd was. Hij nam den ouden familiebijbel van de plank, en las na eenige oogenblikken van zoeken :

Een lied op alamoth, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

God is een toevlucht en sterkte. Hij is krachtelijk bevonden een hulp in benauwdheden.

Daarom zullen wij niet vreezen, al veranderde de aarde hare plaats en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën.

Laat hare, wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren door derzelver verheffing. Sela.

De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.

God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen : God zal ze helpen in het aanbreken van den morgenstond.

De heidenen raadsen, de koninkrijken bewogen zich: Hij verhief Zijne stem, de aarde versmolt.

De Heere der heirscharen is met ons, de God Jacobs is ons een hoog vertrek. Sela.

Komt, aanschouwt de daden des Heeren, die verwoestingen op aarde aanricht;

die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, den boog verbreekt en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt.

Laat af en weet, dat Ik God ben : Ik zal verhoogd worden onder de heidenen. Ik zal verhoogd worden op aarde.

De Heere der heirscharen is met ons, de God Jacobs is ons een hoog vertrek. Sela.

't Was wonder, welk een indruk dat klassieke lied van oud-Israël maakte in dezen kleinen kring, door den nood van het leven nauwer dan immer aan elkaar verbonden. Gelijk het Woord des Heeren zoo menigmaal als een balsem werkt, welke de pijn van geslagen wonden verzacht. Met de handen in den schoot gevouwen, zat vrouw Santema met gesloten oogen en gaf thans aan haar tranen den vrijen loop. Waartoe zou zij deze langer tegenhouden ? Dat had zij al zoo lang en zooveel gedaan ; thans liep de maat over. En het gaf haar meteen verlichting.

Mini staarde met ernstig gelaat onafgebroken in het licht der lamp, alsof zij daar, onder het lezen van Tjerk, de noodige wijsheid zocht. Eenige oogenblikken bleef het nog stil. Toen sloot hij het familieboek om met iets ongewoons in zijn stem te zeggen : „Daar moet het van komen, moeder, van God, en van Hem alléén. Die ook ons een toevlucht en sterkte en een hulp in benauwdheden wil zijn".

Een zwakke beweging met het hoofd  was haar toestemmend antwoord.

„En dan dacht ik morgenvroeg, met de eerste gelegenheid, naar Amsterdam te gaan" — vervolgde hij. „Tenminste als dit vader goed is: Over land kunnen wij reeds vóór 11 uur daar zijn. Misschien dat nog iemand mee wil ? "

Daarop werd dit een onderwerp van overleg. Voor Mini was de reis te vermoeiend, doch reeds aanstonds gaf moeder te kennen, dat zij mee ging. Tevergeefs zocht men haar hiervan af te brengen, door voor te stelen, dat vader en Tjerk samen gingen en zij dan later kwam, als blijken mocht, dat dit noodig was. Wel zag zij tegen de onderneming en inzonderheid tegen de eerste ontmoeting aldaar op, maar zou zij dan minder zijn dan vrouw Paulussen, die eveneens met Melle gegaan was, en dan nog wel over zee toen daar ginds het leven van haar kind aan een zijden draad hing ?

„En als het nu eens heel, héél erg was" — bracht Mini nog in. „Dan is het te meer noodig, dat ik ga en de Heere mag onze sterkte zijn", was het antwoord.

Plotseling sloeg Nero aan. Daar was volk op komst. „Brandt het lampje in het voorhuis ? " vroeg moeder. Toen hoorde men de stem van Santema. Ongewoon hard en ruw, als altijd, wanneer bovenmate gedronken was. Daarop een tasten naar de deurklink, om met een ruk deze te openen en te sluiten. Eenige oogenblikken later trad hij het verlichte vertrek binnen, 't Was iets ongewoons, op dit late uur de lamp brandend, en nog meer ongewoon, dat vrouw en kinderen, voor zoover dan aanwezig, rondom de tafel zaten. Even kwam er iets van een vreemden grijnslach over zijn gelaat en stond hij op het punt een dwaasheid te zeggen, toen het hem opviel, hoe ernstig de huisgenooten keken.

Daarop reikte de boerin hem het telegram, met iets verwijtends in gebaar en blik. Zwijgend nam hij en las. Eerst scheen hij verbijsterd en begreep niet. Alleen het woord „auto-ongeluk" drong tot hem door. Maar toen daarop Tjerk de toelichting gaf liet hij zich zwaar in zijn armstoel neervallen. Aanstonds leek hij nuchter geworden.'

Gabe, zijn Gabe, die naar zijn vader genoemd was, lag daar in Amsterdam, misschien wel dood. En gelijk dat meer bij dronkaards gezien wordt, werd hij opeens door zijn gevoel overmeesterd en brak uit in een luide weeklacht, over dien besten, goeien jongen, die zooveel op hem leek en in alles zoo flink was en die zulke groote zaken deed. Van wien de kooplui zooveel hielden, omdat hij zoo'n verstand van vee had en zoo geschikt was in den handel. En nu misschien voor altijd ongelukkig of weg. Och ! Och !

Maar zijn woorden maakten geen indruk op de huisgenooten. Weldra, wist de boerin hem naar bed te krijgen en kort daarna verkondigde zwaar gesnork dat 't leed in den slaap vergeten werd.

Nog even bleef men bijeen, in de hoop, dat Maai met Loving zou thuis komen, doch toen de klok naar middernacht wees, ging men eveneens zijn legerstede opzoeken, 't Was morgen vroeg dag en men wist niet, wat dan weer voor de deur stond.

Hoofdstuk XVIII

Aan den rand. 

't Hoofd gewikkeld in breede zwachtels, zwaar ronkend als een, die in diepen slaap verzonken is, in 't gelaat overal de merkteekenen dragend van iemand, die in den strijd is geweest, zóó lag op de mannenafdeeling van 't Ziekenhuis de jonge man, om wien in het ouderlijk huis, vér vandaar, al zoovele tranen waren geschreid, en de eenzame, nachtelijke uren zoo dikwijls wakende werden doorgebracht. Was dat nu Gabe Santema van „Donia-state ? "  Hoe het geval zich had toegedragen, wist nog eigenlijk niemand, 't Was des avonds tegen een uur of acht en op het Muntplein. Juist tegen den tijd dus, dat 't daar buitengewoon druk is met volgeladen trams en met voetgangers, zich spoedend naar de velerlei gelegenheden van vermaak en ontspanning, toen uit een der zijstraten een auto met vaart kwam aansuizen, om opvallend zig-zag-rijdend zich 'n weg door het publiek te banen, waarvoor elk opzij stoof, tot in een ondeelbaar oogenblik de botsing daar was, schuin tegen het voorbalcon van de gemeentetram. Door de vaart werd de auto inéén gedrukt, terwijl de glasscherven van de voorruit her en der vlogen en de onbekende chauffeur deerlijk gewond en buiten kennis, van tusschen de brokstukken zijner carosserie werd weggehaald. 

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NIENKE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 oktober 1941

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's