De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Christelijke Gereform. Kerk en de éénheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Christelijke Gereform. Kerk en de éénheid

8 minuten leestijd

III.

Prof. V. d. Meiden heeft een en ander uit de historie medegedeeld om aan te toonen dat de Ghr. Gereformeerde Kerk iets deed. Wanneer zelfs geschreven is, dat door de Chr. Gereformeerde Kerk de uitgestoken broederhand is geweigerd, dan is dat niet waar.

Wat de Christelijke Gereformeerde Kerk inzake de eenheid begeert.

In zelfvoldane rust mag nu echter geen punt worden gezet. Dat is in strijd met de uitspraken der Synode en met de Heilige Schrift. Nog steeds wordt begeerd wat de „Acte van Afscheiding of Wederkeering" zegt. „en verklaren tevens gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware Gereformeerde lidmaten, en zien te willen vereenigen met elke op Gods onfeilbaar Woord gegronde vergadering". . . . . .   Prof. V. d. M. wijst op een paar uitspraken van de Chr. Geref. Synode, waaruit, deze begeerte blijkt. Maar geen andere eenheid wordt gewild „dan in volstrekte gehoorzaamheid aan Gods Woord en met onverzwakte handhaving van Schrift en belijdenis". Tegenover de Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Kerken is het volgende uitgesproken : De Christelijke Gereformeerde Kerk wil gemeenschap met alle ware Gereformeerde lidmaten en zich vereenigen met elke op Gods onfeilbaar Woord gegronde vergadering. Zij begeert de eenheid van allen, die in waarheid in Christus zijn, met volstrekte handhaving van Gods Woord en haar belijdenis.

Wanneer dit recht wordt begeerd, dan leidt dit zeker tot recht gebed. De Kerk moet hier den weg aanwijzen. De klop van den Rechter, in den ernst der tijden, de klop ook op de kerkedeuren, mag niet worden vergeten. Om den weg aan te wijzen, vraagt Prof. v. d. M. eerst :

Waartoe zijn de geloovigen persoonlijk geroepen?

De eenige weg wordt aldus gewezen : door 't geloof in Christus, het leven uit Hem, het recht dienen van Hem. Wanneer er zulk een vreeze des Heeren is, zal het rechte motief tot één worden en saam te wonen aanwezig zijn. Waar de Pinkster-Geest werkt, zijn de geloovigen eendrachtelijk bijeen.

Wij moeten geen surrogaat van de ware eenheid maken.

Zonder het leven des Geestes zal er geen ware eenheid kunnen komen. Dan kunnen wij elkaar ook missen. In een leven van waarachtige bekeering kunnen wij niet langer buiten elkander. De ware geloovigen zullen dan elkaar ook meer zoeken lom zooveel als mogelijk is samen te arbeiden. Op verschillende terreinen kan er genoeg samen gearbeid worden. Gewezen wordt op het christelijk onderwijs, werk der barmhartigheid, verzorging van krankzinnigen.

De Statuten moeten dan ook inderdaad zoo zijn, dat allen, die op den bodem van Gods Woord en de Formulieren staan mee kunnen werken. Geen belemmerende bepalingen van een of ander kerkelijk instituut. Niet om steun gevraagd, maar wijzelf buitengesloten. Voor goede samenwerking zal menig reglement moeten worden herzien. Dit wordt ook gezien als behoorende tot den weg om tot ware eenheid te komen.

Nu richt Prof. v. d. M. het oog op de Kerk als instituut. Eerst worden enkele afkeurenswaardige zaken genoemd. De plaatselijke kerken moeten geen wegen inslaan en geen besluiten nemen, die in strijd; zijn met de besluiten der Generale Synode van die kerken. Hierdoor ontstaat een chaos. Voorts mag de eenheid de waarheid niet schaden. Geen samenkomsten moeten b.v. belegd worden met sprekers, die de waarheid der Schrift niet ten volle hand'haven. Prof. v. d. Meiden keurt dit beslist af.

Meer dan ooit moet de Kerk als instituut, zal de eenheid bewaard wordten, letten op de bediening des Woords. de bediening der heilige Sacramenten en de uitoefening der kerkelijke tucht. Bij een goede prediking wordt het volle Woord bediend. De dienaar des Woords zoekt den tekst „uit te putten om den vollen inhoud des Geestes der gemeente voor te houden. Dan preekt hij het heil, zooals het voor de gemeente verworven is en door den Heiligen Geest wordt toegepast. Dan komt dus ook klaar uit het werk van Christus, door Woord en Geest, in de harten der geloovigen.

Het Koninkrijk der hemelen wordt geopend en gesloten. In dit opzicht is er in iedere Kerk veel te verbeteren. De gedeeldheid, dorheid en oppervlakkigheid ligt ook aan de bediening des Woords. „Als er meer eenheid komt in de getrouwe bediening des Woonds, dan zal dit de eenheid der Kerken bevorderen". Nauw verwant hieraan is de bediening der heilige Sacramenten. Gewezen wordt op het verschil van verbondsbeschouwing. Prof. V. d. M. schrijft dat de eenheid niet komt, zoolang deze kwestie niet voldoende wordt opgelost. Wordt de kerkelijke tucht niet recht uitgeoefend, dan wordt de bediening der sacramenten niet heilig gehouden en Gods toorn over de gemeente ontstoken...

Getrouwheid moet er zijn in dit alles. Dan wordt de eenheid der kerken bevorderd. De kerken (als instituut) kunnen in bepaalde gevallen samenwerken.

Haar deputaten kunnen samenspreken. Een biddag kan gemeenschappelijk worden uitgeschreven. Gezamenlijk kan er b.v. een bidstond voor 't christelijk Onderwijs worden gehouden, als de waarheid maar richtsnoer blijft.

Eén zaak noemt Prof. v. d. M apart. En wel het houden van een convent met de Kerk als instituut in het centrale punt. Als geestelijke motieven hiervoor de drijfveer zijn, dan resten nog tal van vragen.

Wie zal dit Congres samenroepen ? En wie moeten er samen geroepen worden ? En wie vaardigt af? Basis kan en mag alleen zijn Gods Woord en de Belijdenis. Volgens Prof. V. d. M. is dit de juiste weg : De Generale Synoden zenden afgevaardigden. Een bidstond wordt gehouden. De breuk der Kerk moet met schuldbelijdenis voor God en elkander worden beleden. Besproken moet worden wat elkaar verdeeld houdt. De weg tot eenheid wordt aangewezen enz.

De Gereformeerden in de Herv. Kerk zouden als afgevaardigden van een bepaalde groepuit genoodigd kunnen worden. Prof.v. d. M. vraagt dat men deze idee eens in zich opneme.

Als laatste vraag wordt deze gesteld:                                                                             Hoe staat de Christelijke Geref. Kerk tegenover andere Kerken en hoe ziet zij den weg, die tot de eenheid leiden kan, in dit opzicht ?

Hoe zal de Christelijke Geref. Kerk met de Herv. Kerk één kunnen worden ? Hier wordt slechts déze weg gezien. „Volgens de Acte der Afscheiding is die eenheid er weer als de Hervormde Kerk „terugkeert tot den waarachtigen dienst des Heeren." Dit zou heerlijik gevonden worden. Niet ontkend wordt, „dat er veel dienaren het Woord zuiver bedienen, dat er veel volk des Heeren in die Kerk is, en dat de Geest des Heeren in haar midden nog werkt. Wij hebben het oog op de Kerk in haar geheel." Prof. v. d. M., gelooft, dat, als de Herv. Kerk, de Kerk in haar geheel dus, tot den waarachtigen dienst des Heeren terugkeert, de meeste moeilijkheden zijn opgelost.

Met betrekking tot de Gereformeerde Kerken moet de Chr. Geref. Kerk voortarbeiden op den ingeslagen weg. Door het werk van 1934—'37 mag geen schrap gehaald worden. Geen samenspreking wordt gewenscht als die niet gaat over het bekende rapport. De Geref. Kerken imoeten op dit rapport antwoorden. Willen ze over dit rapport een samenspreking, dan is er geen bezwaar dit toe te staan, volgens Prof. v. d. M.-  Maar de deputaten zullen van heit rapport niets mogen loslaten.

Tegenover de Gereformeerde Gemeenten kan het standpunt gehandhaafd worden dat in 1925 werd ingenomen. Toen werd aan de Geref. Gemeenten meegedeeld dat vereeniging volgens haar mogelijk is op den grondslag, waarop in 1869 de gemeenten onder 't kruis met de afgescheidenen vereenigd zijn. Toen was er „een wederzijdsche erkenning van leeraars en gemeenten." De Geref. Geimeenten lieten toen het doen van voorstellen aan de Chr. Geref. Kerk over. Er is na 1928 niets gedaan. „Een nieuwen weg behoeft de Christelijke Gereformeerde Kerk niet in te slaan, maar tot voortarbeiden is zij wel geroepen."

Ten aanzien van de Oud-Gereformeerde Gemeenten zou — aldus Prof. v. d. M. — de Chr. Geref. Kerk kunnen overwegen het standpunt van 1925 tegenover de Gereformeerde Gemeenten in te nemen. Wat de landere Gereformeerde groepen betreft zou ieder geval op zich zélf behandeld moeten worden. Bij een te houden convent (bovengenoemd) zou overwogen moeten worden uit welke groepen gedelegeerden kunnen worden gevraagd.

Ziende op de vele vragen en moeilijkheden is Prof. V. d. M. somber gestemd.

Wij staan — zoo schrijft hij — met de belijdenis van onmacht en almacht. Zonder Christus kunnen wij niets doen. Maar hier schittert ook Zijn Middelaarsmacht. „Wanneer alle geloovigen met deze belijdenis van onmacht en almacht recht leeren buigen, bidden en arbeiden, ten opzichte van het besproken eenheidsvraagstuk, dan zal de vrucht niet uitblijven.

„Mocht de Geest des Heeren krachtig werken in allen en de dag spoedig aanbreken, dat allen, die staan op den bodem der Heilige Schrift en der Drie Formulieren, door dien Geest in één kerkelijk instituut Psalm 133 zingen en zich openbaren, zooals we lezen in Hand. 2 : 42—47. Dan zien wij iets van de volheerlijke toekomst der Kerk." (Openb. 21).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

De Christelijke Gereform. Kerk en de éénheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's