Uit de historie
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten
Onbegrijpelijke en droeve terugval der Galaten. Vers 8—11.
Hoofdstuk IV.
Onbegrijpelijke en droeve terugval der Galaten. Vers 8—11.
Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen, die van nature geene goden zijn. Vers 8.
Hier rekent Paulus eigenlijk met de Galaten af ; weliswaar geeft hij hun tot aan het einde van den brief nog voorschriften, die het leven betreffen, maar disputeeren en redetwisten doet hij met hen niet nieer.
Eerst heeft de apostel de Galaten berispt, dat de Goddelijke en hemelsche leer zoo gemakkelijk en spoedig uit hun hart is verdwenen. Het is als wilde hij zeggen : ge houdt er leeraars op na, die u onder de dienstbaarheid der Wet willen brengen. Ik voor mij heb dat niet gedaan, want ik heb u door hetgeen ik u geleerd heb uit de duisternis en uw onkunde omtrent God willen brengen tot Zijn wonderbaar licht en de kennis van Hem. Ik heb u vrijgemaakt van de dienstbaarheid, en u geplaatst in de vrijheid der kinderen Gods : niet door u de werken der Wet en verdiensten van menschen te prediken, maar op grond van de genade en de gerechtigheid Gods. Ik heb u voorts geleerd, dat de hemelsche en eeuwige goederen u geschonken worden door Christus. Waar deze dingen nu zoo zijn, — waarom laat ge thans het licht voor wat het is, om u te wenden tot de diuisternis ? Waarom keert ge u zoo gemakkelijk van de genade tot de Wet, en van de vrijheid tot de dienstbaarheid ?
Ge ziet hier, gelijk ik reeds meermalen in het voorgaande heb betoogd, dat men in het stuk des geloofs gemakkelijk vallen kan. Het voorbeeld der Galaten bewijst zulks.
Ook heden ten dage hebben wij voorbeelden hiervan, namelijk in de sacramentariërs, de wederdbopers, enz.
Voortdurend zijn wij bezig met de inscherping van het geloof ; wij dringen op de aanvaarding des geloofs steeds aan in onze prediking, in onze college's en onze geschriften.
Heel nauwkeurig onderscheiden wij steeds de Wet van het Evangelie, en toch richten wij weinig uit. De dnivel is daar de schuld van ; hij is een kunstenaar, door wien de menschen zich licht laten verleiden. De satan kan namelijk heel moeilijk dulden, dat men komt tot de rechte kennis der genade en des geloofs in Christus. Ten einde Christus uit ons oog en ons hart weg te nemen, toovert hij ons bedriegelijke beelden voor.
Het is dus niet voor niets, dat Paulus ons in bijna elk vers Christus voorstelt ; en het is niet zonder reden, dat hij de leer des geloofs zoo zuiver voordraagt, en haar alleen gerechtigheid toeschrijft. En evenmin is het zonder beteekenis, dat hij afmaant van de Wet, aantoonende, dat zij tot toorn leidt, en de zonde vermeerdert, inplaats van genade te schenken.
Het liefst zou Paulus alle menschen er toe willen brengen, dat zij zich Christus niet uit hun armen laten rukken, evenmin als een bruid zich haar bruidegom laat ontnemen.
Maar waarom zegt Paulus, dat de Galaten wederom terugkeeren tot arme en zwakke beginselen, te weten tot de Wet ? Want de Wet der Tien Geboden hebben zij nimmer gekend, wijl zij heidenen waren.
Waarom zegt de apostel niet alleen zonder meer : eertijds, wanneer gij God niet kendet, diendet gijlieden degenen, die van nature geene goden zij. En nu, als gij God kent, waarom verlaat ge Hem nu, en keert ge u tot de afgoden ?
Is het dus voor Paulus hetzelfde, wanneer men van de beloften Gods vervalt tot de Wet en van het geloof tot de werken, en wanneer men goden dient, die geen goden zijn ?
Hierop antwoord ik : een ieder, die het stuk der rechtvaardigmaking ontrouw wordt, erkent God niet, maar is een afgodendienaar.
Keert men zich tot de Wet, dan is dat hetzelfde, als wanneer zoo iemand zioh tot den dienst der afgoden begaf. Het komt op hetzelfde neer, of iemand een monnik, dan wel Turk, jood of wederdooper is. Is het stuk der rechtvaardigmaking van haar kracht beroofd, dan blijft er niets anders over, dan louter dwaling, huichelarij, goddeloosheid en afgoderij. Het doet niets ter zake, of men al den schijn aanneemt, de ware religie en heiligheid te willen betrachten.
De reden hiervan is, dat God alleen gekend wil en kan worden door Christus : de Zoon, die in den schoot des Vaders is, heeft ons Christus verklaard (Johannes 1 vers 18). Hij is het gezegende Zaad, waarop God al Zijn beloften heeft gefundeerd. Daarom is Christus, om zoo te zeggen, het middel, de spiegel, waardoor wij God zien, dat wil zeggen : waardoor wij Zijn wil kunnen kennen.
In Christus zien wij, dat God geen vertoornd rechter is, maar een welwillend en goed Vader. Hij heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard, om ons van Wet, zonde en dood te bevrijden, en genade, gerechtigheid en eeuwig leven te schenken. God heeft Christus voor ons allen overgegeven.
Dit is de rechte kennis Gods en de ware Goddeilijke leer, welke niet bedriegt, en waarin wij ons niet vergissen.
Wie deze kennis ontrouw wordt, komt tot allerlei inbeeldingen. Hij wil een eigen, godsdienst stichten, orden in het leven roepen, goede werken verrichten, om zoo God te dienen, enz.
Er is echter geen twijfel aan, dat God dergelijke eigenwililigheden niet aanvaardt. Op grond daarvan schenkt hij niemand het eeuwige leven.
Alle menschen hebben van nature de gedachte gemeen, dat God op goede werken en verdiensten het eeuwige leven schenkt. Zulks wordt gedacht door papisten, joden, mohammedanen, ketters, enz. Zij kunnen niet hooger klimmen, dan de farizeër uit het Evangelie ; ze erkennen de christelijke gerechtigheid niet, welke uit het geloof is.
De natuurlijke mensch verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. Van nalture is hij ganschelijk onkundig, omtrent hetgeen Godes is. Daarom is er in den grond van de zaak geen onderscheid tusschen papisten, joden. Turken en ketters. Hun persoonlijkheden, godsdienstige plechtigheden en andere gebruiken zijn weliswaar verschillend, maar allen huldigen dezelfde menschelijke rede, hebben hetzelfde hart, en verkeeren in denzelfden waan.
Een Turk denkt precies als een Karthuizer monnik, namelijk : wanneer ik dit of dat doe, dan heb ik een genadig God in den hemel. Doe ik dat niet, dan vertoornt Hij zich over mij.
Tusschen hetgeen een mensch zelf werkt en de kennis van Christus is geen compromis mogelijk.
Wordt de kennis van Christus verduisterd, dan heeft het geen beteekenis, of zulks geschiedt door een monnik, dan wel door een volslagen heiden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's