NIENKE
FEUILLETON
Verhaal uit 't friesche volksleven
FEUILLETON DOOR IDSARDL
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 107)
Natuurlijk hadden zich in een minimum van tijd tal van toeschouwers rondom het slachtoffer geschaard. Kinderen schreiden ; zwakke vrouwen kregen het op de zenuwen ; ferme mannen trachtten zoo spoedig mogelijk hulp te bieden, om weinige oogenblikken later door de politie te worden afgelost, die ruim baan maakte, en onverklaarbaar vlug, voor iemand, die het groote stadsleven niet kent, de Eerste Hulp bij Ongelukken met een brancard bij de hand had, ten einde den onbekenden ongelukkige naar het Ziekenhuis te vervoeren. Proces-verbaal werd opgemaakt, waarbij de wagenbestuurder en eenigen uit 't publiek als getuigen zouden moeten optreden, het nummer van die auto met de letter genoteerd, waardoor Althans bewezen was dat deze in het Noorden thuis hoorde, en eindelijk nog geconstateerd, dat de bewustelooze chauffeur alcohol had gebruikt. Daarna werd het ingedeukte vehikel lop sleeptouw genomen en een paar minuten later ging de stroom van het leven weer zijn gewonen gang als de deinende golfslag aan den oever der zee, precies alsof er niets was gebeurd. In het volle leven is geen stilstand, want dat zou zijn de dood. En Amsterdam ziet zoo véél.
Intusschen deed zich aan den ingang van het Gasthuis nog iets anders voor. Als gewoonlijk, reed de brancard het groote ijzeren hek binnen, juist op het Ogenblik dat Liesbet Paulussen naar buiten kwam ; en hoewel zelden van die gelegenheid gebruik makende, stond zij gereed om in haar vrijen tijd een bezoek af te leggen bij een der vorige vriendinnen, met wie zij op de Heerengracht een dienst had gehad. Wat was het dat plotseling haar aandacht boeide, bij 't geen daar plaats greep bij de poort ? Het gebeurde zoo menigmaal dat onder politiegeleide een patiënt naar binnen gebracht werd, 't zij om in de operatiekamer te worden behandeld, 't zij om in 't lijkenhuisje te worden neergelegd om daar te blijven, tot nabestaanden den omgekomene in 's levens branding hadden herkend. Toch werd zij altijd onweerstaanbaar door dergelijke tooneelen getrokken, wellicht omdat 't eigen leven zoo menigmaal: op het punt gestaan had om aldus ander te gaan, in den tijd, toen zij nog geen God had voor haar hart en den vrede niet kende door de verzoening met Hem. Onwillekeurig trad zij een schrede nader en wachtte.
„Zeg eens even, juffie, u komt uit Friesland, naar ik meen, hebt u misschien ook kennis aan dit heerschap ? " vroeg op tuchtigen toon de portier, die opende, en in 't kort vernomen had wat plaats greep. Wéér deed zij een paar passen in de richting van de draagbaar, om het volgend oogenblik te staren op het verwrongen gelaat van den man, die haar ééns zoo dierbaar was geweest. Als van schrik verlamd, sloeg zij vol verbazing de handen inéén en wankelde. „Gabe Santema !" stamelde zij, nauw hoorbaar, en zou gevallen zijn, als de agent haar niet plotseling gegrepen had.
„Dat is hier een vreemd geval ; die schijnt er meer van te weten", sprak deze verbaasd, om in verband daarmee aanstonds zijn maatregelen te nemen. Doch slechts een oogenblik duurde bij Liesbet de verdooving. „Dien man ken ik", sprak zij, „hij is zeer welgesteld ; als het mogelijk is, redt hem !" Toen verborg zij haar gelaat en keerde met haastige schreden op haar weg terug.
„Waar is Zuster Ina ? " vroeg zij aan een dienstdoende verpleegster ; „'k moet oogenblikkelijk Zuster Ina spreken". Een telefoontje gaf het antwoord. Weldra stond zij in een der breede gangen voor haar. Met een vriendelijken glimlach trad Zuster Ina haar tegemoet, even frisch als gewoon, alsof zij dezen ganschen dag niet in het touw was geweest.
„En wat heeft mijn schichtig vogeltje ? " — vroeg zij plagend, om evenwel aanstonds daarop te bemerken, dat het niets heel erntigs was. Toen samen even in een zijkamertje, dat ledig was en daarop verteld wat zich zoo juist daar buiten had afgespeeld. Doch tijd van beraad en overleg was er niet. Weer ging de telefoon. „Of Zuster Ina aanstonds in de operatiekamer kwam". Dat zou den nieuwen patiënt gelden. Zoodra zij kon, zou Liesbet nader op de hoogte worden gesteld. Tot zoolang kalm blijven . . . . . . . .. . .
Wat duren in zulke omstandigheden de minuten lang. In tijden van vreugde of liefdeweelde, vliegen de uren en dagen om ; als die golven der smart over het hoofd gaan, kruipen de wijzers van het uurwerk zoo langzaam en traag.
Eindelijk — daar opende zich een deur. Zuster Ina wenkte Lieshet. „Zal je flink wezen, en een kordate meid zijn ? " vroeg zij met iets ongewoon bevelends in haar stem.
Toen bracht zij haar bij de doktoren, die de laatste hand aan het verband hadden gelegd. „U kent dezen man ? " werd haar gevraagd. „Hij heet Santema, en is koopman". Dat klopt met de brieven in zijn portefeuille. En Zevenhuizen is de woonplaats ? Heeft hij daar nog familie ? Is hij getrouwd ? Wat doet zijn vader ?
Zoo ging het eenigen tijd aaneen en Liesbet antwoordde als in een droom, „'t Beste zal zijn, dat oogenblikkelijk getelegrafeerd wordt naar de familie. Wilt u het even bevorderen, Zuster ? Doe het maar „dringend", om zeker te zijn, dat 't vanavond nog bezorgd wordt".
Bij deze woorden was het alsof Liesbet haar denkvermogen weer kreeg. „Is het ernstig, dokter ? " waagde zij te zeggen. Bij deze woorden trok die medicus een bedenkelijk gezicht. „Ernstig zeker. Een hersenschudding en vermoedelijk inwendige kneuzing. Voor de rest moet afgewacht, of wellicht het geheugen weer keert". Daarop had de overbrenging naar de groote zaal plaats. (Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's