Uit de historie
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten
Onbegrijpelijke en droeve terugval der Galaten Vers 8—11.
Hoofdstuk IV.
Onbegrijpelijke en droeve terugval der Galaten Vers 8—11.
Het is een groote dwaasheid, dat de papisten en Turken tezamen strijden over de religie en godsdienstige vragen, en dat beide partijen beweren, de ware religie en den juisten vorm van Godsvereering te hebben.
Ook de monniken zijn het onder elkaar niet eens ; de een wil al voor heiliger gehouden worden dan de ander, en wel op grond van uitwendige gebruiken, terwijl zij er in hun hart precies dezelfde meening op na houden, evenals het eene ei precies gelijk is aan het andere.
Allen hebben deze inbeelding : wanneer ik iets goeds doe, dan zal God zich over mij ontfermen ; laat ik zulks na, dan wordt Hij toornig op mij.
Tot deze opvatting komt een ieder, die van de kennis van Christus is afgedoold ; noodwendig moet zoo iemand tot afgoderij komen, want hij moet zich God voorstellen op een wijze, zooals Hij niet bestaat.
Een Karthuizer-monnik meent in het houden van zijn orderegels Gode welbehagelijk te zijn ; een Turk wegens het in acht nemen van de voorschriften van den Koran ; ieder voor zich meent, dat God hem voor een en ander zal beloonen.
Een God echter, die op bovenslaande wijze de zonden vergeeft en rechtvaardigt, is nergens ter wereld te vinden. Daarom is het een ijdele inbeelding en een droombeeld, God alzoo voor te stellen. Hij is dan niets meer dan een afgod, welke men in zijn eigen hart opgericht heeft.
Nergens toch heeft God beloofd, dat Hij menschen rechtvaardigt en zalig maakt op grond van bepaalde godsdienstige handelingen, regels en plechtigheden, welke door menschen zijn uitgedacht en ingevoerd. Integendeel ! Nergens heeft God een grooteren afkeer van, gelijik de gansche Heilige Schrift betuigt, dan van daden en handelingen op religieus gebied, welke de menschen eigenmachtig hebben voorgeschreven. Op hun eigenwillig optreden heeft God zelfs koninkrijken en keizerrijken van den aardbodem verdelgd.
Zij, die op eigen krachten en gerechtigheid vertrouwen, dienen derhalve een god, die slechts in hun eigen gedachten, en niet in werkelijkheid bestaat. Want de ware God spreekt aldus : in geen gerechtigheid, wijsheid of religie, heb ik een welgevallen, tenzij in die, welke den Vader door den Zoon verheerlijkt en grootmaakt.
Wordt deze Zoon in het geloof aangegrepen, zoo spreekt God, en gelooft men in Mij en Mijn beloften, dan ben ik van hem, die dit doet, de Vader. Ik neem dan: hem aan, en maak hem rechtvaardig en zalig. Alle anderen blijven onder den toorn, omdat zij iemand vereeren, die van nature geen God is.
Iedereen, die bij deze leer niet blijft, komt er noodwendig toe, een onjuist beeld van God te gaan vormen. Hij verstaat niet, wat te verstaan zij onder christelijke gerechtigheid en wijsheid, en hoe God recht moet worden vereerd. In den grond vam de zaak is zoo iemand een afgodendienaar, die staalt onder de heerschappij van de Wet, van zonde, dood en duivel. Alles wat zoo iemand doet, is bij voorbaat zonder beteekenis en veroordeeld.
Er zijn heden ten dagen menschen, die tot aanhangers van de Evangelische leer willen gerekend worden, en leereh, dat de menschen door den dood van Christus van zonde bevrijd worden. Zij schrijven echter oneer toe aan de liefde, dan aan het geloof, waardoor zij Christus de grootst mogelijke srnaad aandoen. Ze verdraaien Zijn Woord op misdadige en goddelooze wijze, dfoomende, dat God een welgevallen in ons heeft en ons tot Zijn kinderen aanneemt op grond van de liefde, waarmede wij als reeds met God verzoende menschen Hem en onzen naaste beminnen.
Is deze opvatting juist, dan hebben wij Christus in het geheel niet noodig.
Bovengenoemde lieden dienen dus niet den eenig waren God, maar afgoden huns harten, die ziji zelf verzonnen hebben.
De ware God heeft namelijk geen welgevallen in ons, en Hij neemt ons niet aan op grond van onze liefde, deugden of een zekere verandering, maar alleen om Christus' wil.
Men werpt ons tegen : de Schrift gebiedt toch, dat wij God van ganschen harte zullen liefhebben.
Inderdaad.
Maar daaruit volgt nog niet : God beveelt het ; dus volbrengen wij het.
Beminden wij God werkelijk, dan zouden wij zeer zeker gerechtvaardigd worden, en op grond dezer gehoorzaamheid het eeuwige leven verkrijgen. Maar het Evangelie zegt tot ons : gij bemint God niet ; ge zult dus niet leven.
De uitspraak : „gij zult den Heere uwen God van ganscher harte liefhebben", eischt een volkomen gehoorzaamheid, volkomen vreeze en vertrouwen, volkomen liefde tot God. Krachtens zijn verdorven natuur brengt de mensch deze gehoorzaamheid niet. Bedoelde uitspraak klaagt ons dus aan, en zij veroordeelt ons.
Wie evenwel gelooft, dat Christus het einde der Wet is, die is gerechtvaardigd. Een jood, die meent, door gehoorzaamheid aan de Wet Gode welgevallig te zijn, dient niet den God zijner vaderen ; maar hij is een afgodendienaar, die een afgod zijns harten aanbidt, die in wezen niet bestaat. Want de God zijner vaderen, van wien hij hoog opgeeft, heeft aan Abraham een Zaad beloofd, waardoor alle volken zouden gezegend worden. Daarom wordt God gekend en Zijn zegen geschonken door het Evangelie van Christus, en niet door de Wet.
Hoewel Paulus in dezen tekst in de eerste plaats de Galaten toespreekt, grijpt hij in dezelfde woorden ook de joden aan, die, hoewel zij, naar het uiterlijke beoordeeld, met alle afgoderij hadden afgerekend, toch in hun hart afgodendienaars zijn, en wel in meerdere mate dan de heidenen, gelijk geschreven staat in Romeinen 2 vers 22 : „Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij het heilige ? "
De heidenen zijn nimmer Gods uitverkoren volk geweest ; zij beschikten niet over het Woord ; daarom kunnen wij hun afgoderij „grof" noemen.
De afgodisohe joden echter sierden zich met hun goddeloozen vorm van Godsvereering, met den Naam Gods en met Zijn Woord, gelijk alle werkheiligen plegen te doen. Door een schijn van Godsvrucht bedriegen zij vele menschen.
Derhalve : hoe „heiliger" en „geestelijker" een bepaalde soort van afgoderij is, des te schadelijker en gevaarlijker is zij.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's