Het zedelijkheidsvraagstuk
Het is al jaren geleden — elf jaar — dat een boek met als titel „Het zedelijkheidsvraagstuk" verscheen. In dit boek zijn gebundeld een zestal referaten gehouden in verschillende kerkgebouwen der Ned. Herv. Kerk te Rotterdam. In zijn „Ter Inleiding" wijst Ds P. G. de Vey Mestdagh op den grooten zedelijiken nood in die dagen.
Hij schrijft : „Verbijsterend is het immers, wat wij lezen, wat wij hoorem, wat wij aanschouwen.
Waar zijn de normen gebleven ? Welke is de toestand der jongeren op zedelijk gebied ? Waar zitten, wat doen, wat bespreken, wat lezen onze jongens en meisjes ? Welke is de houding der ouders ? Wat beteekent, wat doet het huisgezin ? Wat doet de kerk ?
Er zijn teere banden gebroken, die hechtten aan God en Zijn heilig Evangelie, met het gevolg dat onrust en moedeloosheid de harten vervult nu steeds brutaler de zonde om zich heengrijpt, en de hartstochten zich zonder rem laten gelden.
Wanneer we dit lezen zouden we ons af kunnen vragen :
Is dat soms in 1941 geschreven ? Het behoeft thans zeker niet minder zóó te worden gevraagd en gezegd. Enkele artikelen van personen, die met deze toestanden goed op de hoogte zijn, spreken hier wel zeer duidelijke taal.
Via De Standaard kwam ons een noodkreet onder oogen van Mr J. Overwater, Kinderrechter te Rotterdam. Een noodkreet, welke de verwildering der jeugd betrof. In de eerste negen maanden van 1941 was het aantal schuldigverklaringen van jonge menschen 2 maal zoo hoog als anders in een normaal jaar !
Letterlijk schrijft hij dan als volgt :
„De maatschappelijke omstandigheden werken dit in, de hand en het lijkt er waarlijk op, dat onder de jeugd het besef van wat mag en niet mag zoodanig is verslapt, dat men eenvoudig zijn gang gaat en dat de mogelijkheid van ingrijpen, welker betrekkelijkheid trouwens meer bekend geworden is dan goed is, geen, remmenden invloed van beteekenis meer heeft. Als ernstig bezwaar wordt ook genoemd het feit, dat er nijpend gebrek is aan plaatsruimte in de inrichtingen, welke bestemd zijn voor de tenuitvoerlegging van straffen aan jeugdige personen.
Bij de jongens betreft het vooral diefstal. Voor de meisjes gelden vooral klachten op zedelijk gebied. Hier viert een verregaande ongebondenheid hoogtij. Mr Overwater schrijft o.m. :
„Bij heel veel meisjes ontbreekt in deze dagen het behoorlijkheidsbesef volkomen. Zij gedragen zich liederlijik en luisteren naar raad noch vermaan. Zelfs heel jonge kinderen moeten wegens geslachtsziekten in de barakken worden opgenomen, en niet eenmaal, doch meerdere keeren na elkaar. Men denke vooral niet, dat hier sprake is van verleide schepseltjes. Zij weten, wat zij zoeken, deze kinderen, en zij gedragen zich niet zelden als volleerde landhaaien. Zelfs meisjes van dertien en veertien jaar zijn er onder en zij maken zich schuldig aan handelingen, waarover in een dagblad niet kan worden geschreven."
Een niet minder belangrijik artikel kwam ons in een artikel van Ds Koolhaas via het Huizer Kerkblad onder oogen. Het betreft een artikel vam mej. A. E. Eykman, Inspectrice bij de Kinderpolitie. Haar artikel is overgenomen zooals Ds. K. dit vond in de Hervormde Kerkbode van Voorburg en Leidscfaendam van Vrijdag 26 September 1941.
Om zijn belangrijkheid willen we gaarne dit geheele artikel onzen lezers voorleggen.
Gezin en sociale nood.
Reeds vóór den oorlog waren velen werkzaam op het gebied der kinderbescherming, gealarmeerd door de toename der criminaliteit en de algemeene zedelijke achteruitgang der Nederlandsche jeugd. Nu de invloed van den oorlog op het gezinsleven er de jeugd zich aan alle kanten doet gevoelen, is er echter eerst waarlijik reden tot zulk een ongerustheid. Op het politiebureau (de afd. Kinderpolitie) in de groote stad, wordt dit wel op het schrilst ervaren.
Bij de weergave van mijn ervaringen op dit gebied is het inoodig zoo zakelijk en objectief mogelijk te zijn, maar als ik mij ertoe beperk de eenvoudige feiten weer te geven en daarbij een vergelijking tref tusschen toestanden vóór en na den oorlog, dan kan het niet anders of het beeld, dat ik u voor oogen stel, moet zuiver zijn.
Om te beginnen met het gezinsleven in het algemeen.
Dit wordt geheel ontwricht, daar waar de vader in de werkverschaffing of in 't buitenland werkt en de imoeder de gewone moeilijkheden, vermeerderd met de beslommeringen van de distributie, de duurte enz. alleen niet aan kan. Gewoonlijk komen eerst de schulden, het geknoei met distributie-bonnen, de kleeding gaat achteruit, daarna volgen moedeloosheid, prikkelbaarheid, ruzie, onverschilligheid, vervuiling en verwaarloozing. Er wordt niet meer gelet op het schoolgaan der kinderen. Het verschijnsel doet zich nu voor, dat de gezinsinkomsten wel hooger zijn, maar dat de huishouding achteruit gaat. Verder is 't verloop verschillend. De eene moeder zal in moedeloosheid met haar gezin mee afzakken, de andere zal haar gezin alleen laten en haar vermaak elders zoeken. Vooral de vrouw, die jarenlang getobd heeft om van een klein steunbedrag rond te komen, verbeeldt zich nu de gelegenheid te hebben om 't leven nog éénmaal te genieten. Zij gaat er 's avonds op uit en laat haar kinderen alleen liggen. Zij vindt gemakkelijik gezelschap om de avonden op een vroolijke manier dóór te brengen. En als de man thuiskomt van de werkverschaffing of het buitenland, vindt hij zijn gezin verwaarloosd, zijn vrouw weggeloopen uit angst voor ontdekking of erger nog in het ziekenhuis opgenomen en de kinderen bij vreemden uitbesteed.
Dergelijke symptomen, die vroeger sporadisch voorkwamen, zijn nu aan de orde van den dag. Dagelijks komen de klachten van buren of familieleden binnen over dergelijke wantoestanden. Bij onderzoek blijken zij gewoonlijk maar al te gegrond te zijn.
Ongekend was tot nu toe de onverschilligheid, ja harteloosheid, die sommige vrouwen ten opzichte van hun kinderen aan den dag leggen. Als het zoover met haar gekomen is, dat haar de kinderen door de Kinderpolitie worden afgenomen, neemt zij zonder een spier te vertrekken of met een zucht van verlichting afscheid van de kinderen en zegt hen voor het laatst goeden dag.
Wij behoeven slechts onze eigen reactie op de oorlogsgebeurtenissen na te gaan, om te gissen, welken invloed deze moeten hebben op de meer ontvankelijike ziel van het kind en op de onevenwichtige en emotioneele naturen. De kinderen zijn uit het lood geslagen, er zijn geen grenzen aan hun fantasie, alle remmen op hun gedragslijn zijn weg. Bij de jongens uit zich dit in een lust tot avonturen, zwerven en spijbelen. De wildste plannen worden gemaakt, al mislukken zij gelukkig gewoonlijk op gebrek aan organisatievermogen.
De kinderen staan aan grootere verleidingen bloot dan ooit. Als vroeger het volkskind alles aangreep om aan geld te komen, door koffertjes te dragen, de weg wijzen aan vreemdelingen en boodschappen doen, welk geld later versnoept of verdobbeld werd, nam dit niet zulke ernstige vormen aan, dat de Kinderpolitie er geen maatregelen tegen kon treffen. Thans is dit een rage geworden, de kinderen worden voor allerlei diensten ruimschoots betaald en maar al te vaak leidt dit tot oplichting en diefstal van allerlei aard. Het begrip van 't mijn en dijn vervaagt. De feiten, waarvoor de jongens met de politie in aanraking komen, zijn ernstiger dan voorheen, de diefstallen op veel grooter schaal. Waar in de jaren vóór de oorlog de criminaliteit onder de jongens toenam, wijzen de statistieken uit, dat zij thans meer dan verdubbeld is.
Het laat zich begrijpen, dat ook bij de vrouwelijke de zwakken meer gelegenheid hebben dan ooit om moreel te gronde te gaan. Hierbij doen zich drie verschijnselen voor. Ten eerste, het aantal gevallen is veel grooter, ten tweede, de meisjes zijn jonger, die zich misdragen ; ten derde, de misdragingen zijn evenals bij de jongens veel ernstiger.
De statistieken van vóór den oorlog toonen aan, dat het aantal meisjes, dat wegens wangedrag met de Kinderpolitie in aanraking kwam, het hoogste was op 17- a 18-jarigen leeftijd. Thans zijn het vooral de meisjes van 14—16 jaar, die moreel ten gronde dreigen te gaan. Men behoeft slechts 's avonds naar de parken of de cafe's in de volksbuurten te gaan om de waarheid hiervan bevestigd te zien. Gij zult dan zelf aanschouwen, hoe jong de meisjes zijn, die de ouderlijike woning ontloopen en in de portieken staan te wachten, totdat iemand haar mee naar binnen meemt, of de meisjes, die met de mannelijke bezoekers uit het café komen en in de duisternis verdwijnen.
Mocht het vroeger een hooge uitzondering heeten, dat de meisjejs zich aan drank te buiten gingen, thans is dit schering en inslag, ook bij de heel jonge.
Het aantal meisjes van 14 jaar en ouder, dat wegens geslachtsziekten in de ziekenhuizen verpleeigd wordt, is schrikbarend.
Het loopt op het bureau af en aan van ouders, die komen klagen over het wangedrag van hun dochters ; velen ook, omdat de meisjes 's nachts niet thuis gekomen zijn, en het duurt vaak dagen, ja weken, voordat de politie de meisjes vindt, die de ouderlijke woning ontloopen zijn.
De schaamteloosheid en onbeschaamdheid van dit soort meisjes is ook iets nieuws. Zij zijn over 't algemeen ohverschillig en cynisch en hebben een houding van „jullie maken mij •toch niets". Er is haast geen zachte plek te vinden, om de meisjes te benaderen.
Hoe moet onze houding als Christenen tegenover dit alles zijn ? Als het zoo doorgaat, dreigt de zedelijke verwildering van ons volk een lawine te worden, die niet meer te stuiten is. Wij kunnen ons er niet miee afmaken met te zeggen, dat de nuchtere Nederlander na afloop van den oorlog zijn evenwicht wel weer terug zal vinden. Het kwaad Is reeds te diep geworteld. Het oogenblik is gekomen, dat er een groote daad', van het Christendom moet uitgaan. Als wij een Christelijk land willen zijn, zal dat in dien zin moeten zijn, dat wij vele Christenen hebben, die zich van hun taak en opdracht bewust zijn en bereid zijm samen op de fores te staan voor ons volksheil. Dit is voor ons, Nederlanders, die geheoht zijn aan ons isolement en altijd klaar staan met den dooddoener, dat wiji het zoo druk hebben met ons eigen werk en gezin, een ding. Onze persoonlijike belangen zullen moeten wijken als wij tot samenwerking op dit gebied willen komen.
Allereerst zullen van den kansel en op alle manieren, die de Kerk ten dienste staan, practisch raadgevingen gegeven moeten worden. De ouders moeten van daaruit gewezen worden op de verleidingen, waaraan hun kinderen in dezen tijd foloot staan. Zij moeten worden aangespoord hun kinderen binnenshuis te houden en de sfeer in huis moet zóó zijn, dat de kinderen liever thuis blijven en hun vrienden meebrengen, dani dat zij heili op straat zoeken. De ouders moeten zich meer dan ooit bezinnen voor Wien en waartoe zij hun ikinderen willen grootbrengen en zich bewust zijn van hun verantwoordelijkheid om hun kinderen klaar te maken voor den strijd des levens. Zij moeten er op gewezen worden, dat zij zich niet behoeven te schamen, indien zij de moeilijkheden, die de opvoeding van hun kinderen onvermijdelijk meebrengt, niet aankunnen, doch dat zij zich bijtijds moeten wenden tot die menschen of instanties, waar zij raad of hulp kunnen ontvangen.
Het is dus noodig, dat er menschen zijn, die kundig en bereid zijn om die hulp te bieden. In de groote steden, zouden evenals wij in Rotterdam reeds hebben, bureaux voor huwelijks- en gezinsmoeilijkheden opgericht moeten worden.
Onze kinderwetten werken uitstekend in Nederland, maar als deze goed willen blijven functionneeren, zijn er vele helpers noodig. Er is een groote behoefte aan goede gezinsvoogden en - voogdessen, aan patroons en patronessen en aan sociale werkers op allerlei gebied.
Laat iedereen, die daarvoor geschikt is, tijd vinden om te helpen, omdat er nu zoO' groote behoefte aan is.
De oudere generatie heeft bij de jeugd veel goed te maken. Het is' door het gebrek aan geloof hij de ouderen, dat de jeugd zich van de Kerk afkeert. Nu heeft deze de gelegenheid om de jeugd weer op te vangen en te brengen, daar, waar voorzien wordt aan de sterke behoefte van de jeugd aan een levensideaal. Het is het gemis aan zulk een ideaal, dat de jeugd doet ondergaan in den maalstroom van tegenstrijdige meeningen, die in dezen tijd op hen afkomen. Laten wij echter hun een ideaal geven, dat alleen waard is om voor te
leven.
A. E. EYKMAN,
Inspectrice bij de Kinderpolitie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's