NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 108)
Dien nacht deed Liesbet geen oog dicht. Door haar intiemen omgang met Zuster Ina, had zij veel voor bij het overige dienstpersoneel en deelde zij mede in de gunst der Zusterschaar. Was het haar ooit te veel deze een dienst te bewijizen, uit dankbaarheid voor 't geen om harentwil was gedaan ? Doch zoo kwam het, dat zij zich bewoog, waar anderen uit de keuken nooit kwamen en ook dezen nacht van de Zusters, die den nachtdienst hadden, telkens vernemen mocht hoe het met dien nieuwen patiënt op de mannenzaal was.
Maar ook steeds was 't antwoord hetzelfde : „Nog altijd buiten kennis, en vrij wat verhooging. Een enkele maal zwaar gekreun als van iemand, die veel pijn heeft".
Wat er zooal niet in haar hoofd en hart omging, viel moeilijk te zeggen. Opnieuw leefde het verleden voor haar op en weer zag zij zich in gezelschap van den dorpeling, met wien zij was opgegroeid, doch door stand en positie zoo ver van hem gescheiden. Tot die onverwachte ontmoeting voor het bioscooptheater plaats had, hier in Amsterdam, en zij vanaf dat oogenblik hem door haar oog en heel haar optreden had weten vast te houden, tot streeling van haar ijdelheid, vaak ten spot harer vriendinnen, zoodat de verhouding al intiemer werd en eindelijk de droeve afloop kwam. Nooit had zij hem sindsdien weer gezien. De eenige hrief, welken zij, hem geschreven had, om hem haar nood bekend te maken, bleef onbeantwoord. Als was het de dag van gister geweest, zóó doorleefde zij weer de angst en rusteloosheid, welke zich van haar had meester gemaakt tot zij hier, door de goede zorg van Zuster Ina, een schuilplaats vond, en méér dan dat. Tot zij hier kwam tot belijdenis van zonde en tot kenis van zichelve en van den Heiland Jezus Christus, die kwam om het verlorene te redden.
Sinds dien tijd was een wonderlijke rust in haar ziel gedaald. In stilheid deed zij haar arbeid, tot groote tevredenheid van allen, die met haar in aanraking kwamen, bemind door elk, die haar leerde kennen. Eischen had zij niet meer, als zij slechts af en toe genieten mocht van de tegenwoordigheid van haar kind, 't welk haar lief was als haar leven, al was het dan ook een kind der schande, en als zij nu en dan wezen mocht in gezelschap van Zuster Ina, die als een moeder waakte over haar leven en wie zij alles zeggen mocht.
En nu kwam daar opeens deze gebeurtenis hare rust verstoren. Daar lag in groote hulpeloosheid, onbewust van het gevaar, hetwelk zijn leven bedreigde, de man, die haar ten val bracht en eens zich had voorgedaan alsof hij haar beminde. Doch geen gedachten van wraak of woorden van bitterheid kwamen bij haar op. Daarvoor had de genade teveel in hare ziel uitgewerkt. Het eenige, dat in dezen langen nacht altijd maar leefde in haar hart en "zweefde op de lippen, was de bede : „O, God, red hem !" '
Zoo kwam de morgen. Reeds vroeg was de dokter op de zaal om te informeeren naar den nacht, dien de patiënt had doorgebracht en andermaal een onderzoek in te stellen. Doch nog altijd was het bewustzijn niet teruggekeerd. Alleen waren er soms enkele teekenen, waardoor er eenige hoop bestond dat dit nog zou gebeuren. De sterke constitutie van het slachtoffer vooral gaf daar aanleiding toe.
Vast stond, dat bovendien een arm en been gebroken was, zoodat operatief ingrijpen niet langer kon uitgesteld, 't Werd een gevaarlijke onderneming, waarbij de levenskans heel gering was, doch er moest gehandeld worden. Als gewoonlijk, was Zuster Ina daarbij tegenwoordig. Hoe 't kwam, wist zij niet, maar in bijzondere mate scheen haar dit geval te interesseeren, wat in hoofdzaak toegeschreven werd aan de betrekking, die er tusschen dezen patiënt en haar beschermeling bestond. Opzettelijk liet zij Liesbet onkundig van wat stond te geschieden. Vooral de morgenuren gaven deze meer dan genoeg afleiding bij den arbeid, dien zij had te verrichten. Alleen viel het dengenen, die met haar werkten, op, hoe buitengewoon stil zij was en hoe verstrooid bij haar werk. Dat was niet de Bet van gewoon, 't Liep tegen tienen, toen Zuster Ina met een buitengewoon hooge kleur haar afzonderlijk riep. Aanstonds begreep zij. „En ? " vroeg zij met bevende stem, terwijl de blik van haar oog méér sprak, dan een reeks van woorden zou gedaan hebben.
„De operatie is verricht, mijn kind. De vleeschwonden waren niet zoo ingrijpend, hoewel zij hier en daar een litteeken zullen achterlaten, maar erger was het met 't been".
„Moest het weggenomen ? " vroeg Liesbet, die zoo langzamerhand hier al aan iets gewoon was geworden.
„De voet is geamputeerd ; meer kan ik je niet zeggen".
„Dus zijn heele leven verder invalide". „Als hij er van mag opkomen ; maar de dokter geeft niet veel hoop".
Toen deed zich hier iets voor, waar Zuster Ina niet op gerekend had. Met een beslistheid, die zij niet van haar verwacht had, klonk het antwoord : „Gods macht is groot, Zuster ; Gabe Santema zal weer beter worden".
Aarzelend keek Zuster Ina het ontroerde meisje aan. Thans was de beurt aan haar om zich te verwonderen. Sprak hier enkel het natuurlijk verlangen, of was het een overtuiging die gemengd met het geloof, als vrucht der gebedsworsteling mocht worden aangezien ? Zacht streelde zij haar wang en glimilachte. „'k Hoop het, kind, om hem en de zijnen, en om jou", liet zij er beteekenisvol op volgen. Daarop sprak zij : „Met een uur kan de familie hier zijn ; 'k zal deze zelf ontvangen en de noodige inlichtingen geven". „Maar mijn geheim vertelt u niet ? " smeekte Liesbet, weer met dat angstige in toon en blik, dat indertijd Zuster Ina bij de eerste ontmoeting zoo getroffen had.
„Dat kan ik je nog niet belooven. Daar kan óók te lang en te veel gezwegen worden en als ik meenen mocht, dat het tijd van spreken is, in jouw belang, dan zal ik het niet nalaten, doch laat dit maar aan mij over. En nu elk maar weer aan zijn eigen taak. Hoe staat het er ook weer : „Die den Heere verwachten ? "
„Die den Heere verwachten, zullen de krachten vernieuwen. Zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden ; zij zullen loopen en niet moede worden, en wandelen en niet mat worden", was het antwoord. Daarop een vluchtige handdruk en elk ging zijns weegs, maar beiden alsof hun een zware last ontnomen was. Kwam het, omdat zij beiden den Heere verwachtten ?
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's