De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Niet uit de kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Niet uit de kerk

7 minuten leestijd

Is de kerk ooit zonder de Heilige Schrift geweest ?

Stel eens, we moesten deze vraag bevestigend beantwoorden, zooals in zekeren zin het geval is. Wat is dan het gevolg ?

Als de kerk zonder de Heilige Schrift is geweest, kan zij zonder haar bestaan en is de Heilige Schrift niet noodzakelijk. Waarom zou de kerk dan ook nu niet zonder de Heilige Schrift kunnen zijn en toch kerk zijn ?

Zoo gesteld, ziet men, dat het van belang is, ook bij deze zaak stil te staan.

In zekeren zin, zoo zeiden wij, moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. Indien n.l. met deze vraag wordt bedoeld, of de kerk altijd den Bijbel, zooals wij dien bezitten, heeft gehad, dan is het antwoord : neen.

Toen Christus op aarde kwam, was er b.v. het Nieuwe Testament niet. De kerk des Ouden Verbonds had dus niet de Heilige Schrift, zooals wij die kennen. Zij had het Oude Testament. Gaat men terug in de historie b.v. tot vóór de Schriftprofetie, dan komt men in een tijd, zeg b.v. den tijd van David, dat de kerk ook dat gedeelte van het Oude Testament niet had. Gaat men terug vóór Mozes dan ontbreekt daaraan weer een groot stuk, zoodat er niet veel overblijft.

Men zou dus kunnen zeggen : Vóór Mozes bezat de kerk de Heilige Schrift niet. En toch was er de kerk. Denk aan Abraham, Noach en Adam. Het lijkt er dus op, dat de kerk zonder de Heilige Schrift kan bestaan. En als dat zoo is, waarom kan zij dan in onzen tijd en in de toekomst ook niet zonder haar ?

Men kan dan weer verder gaan en vragen, of de menschen van het inwendig licht dus tooh nog gelijk krijgen. En zoo men dezen geen gelijk geeft, of misschien het roomsche standpunt niet verkieslijk is, dat het gezag der kerk boven dat van de Heilige Schrift stelt.

Zoover zijn wij echter nog niet.

Wij belijden immers, dat de Schrift Gods Woord is, hetwelk Hij door de profeten heeft gesproken. Welnu, dan stellen wij voor de Heilige Schrift Gods Woord en vragen nogmaals : Is de kerk ooit zonder Gods Woord geweest ?

Was zij vóór Mozes zonder Gods Woord ? Had zij toen geen Woord Gods te bewaren, zij het ook, dat dit van veel geringeren omvang is geweest ? Mogelijk ook was het althans gedurende tijden niet geschreven, maar dan toch bekend en van mond tot mond bewaard.

Deze vraag nu kan niet ontkennend worden beantwoord, zoo wij de Schrift gelooven. God heeft van den beginne aan gesproken.

Reeds in den staat der rechtheid was daar een Woord Gods. Adam en Eva wisten, wat God gezegd had. Satan kwam juist op dat Woord een aanval doen. Hij zou in deze wereld tegen God niet kunnen strijden en den mensch in dien strijd betrekken, als God zich aan den mensch niet had bekend gemaakt.

Onmiddellijk na den val heeft de kerk het Evangelie ontvangen, zooals wij weten uit Genesis 3 : 15. Men begon in een later geslacht den Naam Gods aan te roepen, d.w.z. dat men saamkwam tot gemeenschappelijk gebed. Zoo heeft Calvijn zonder twijfel terecht geoordeeld, dat de kerk van den beginne aan Gods Woord heeft gehad.

Door den voortgang der openbaring is dat Woord allengs in omvang toegenomen. Het Evangelie is steeds klaarder geopenbaard, totdat het in den Christus in zijn volheid is geopenbaard geworden.

Zoo vallen de bovenaangehaalde gevolgtrekkingen weg. De kerk was nooit zonder Gods Woord en kan ook nu en in de toekomst niet ronder het Woord leven.

Daar is een levensverband tusschen Gods Woord en de kerk en tusschen de kerk en Gods Woord, omdat de kerk uit het Woord leeft en bij het Woord leeft.

Wij brengen deze aangelegenheid ter sprake, oondat er nog een andere gevolgtrekking is, die uit misverstand geboren, verwarring sticht.

Indien men — en dat is het misverstand — meent, dat de kerk eens zonder het Woord Gods was en derhalve ook zonder dat bestaan kan, heeft dat aanleiding gegeven tot de veronderstelling, dat de kerk zelf de Heilige Schrift heeft voortgebracht.

De kerk zou allengs zooveel omtrent de religie en haar eigen wezen verstaan hebben, dat zij zich daaromtrent heeft uitgesproken. De Schrift zou uit de kerk gegroeid zijn.

Het geloof zou aan de Heilige Schrift voorafgegaan zijn. Deze laatste ware dan neerslag van het geloof.

Het geloof zou iets op zich zelf zijn en feitelijk buiten de Schrift omgaan. De kerk zou den Geest hebben en uit dien Geest gesproken hebben.

Zoo zou de kerk niet staan op de Schrift, maar de Schrift zou er zijn dank zij de kerk.

Men zal inzien, dat zulk een voorstelling de dingen op den kop zet. De kerk zou niet uit de openbarende en levengevende daad Gods zijn geboren, maar de Schrift zou uit de kerk zijn voortgekomen.

In zooverre men nog van openbaring zou willen spreken, zou de Schrift meer openbaring van de kerk en van het geloof der kerk dan van God zijn.

Neemt men dat zoo, dan moet het treffen, dat het getuigenis der kerk, — waaronder dan de Schrift wordt verstaan — met geheel deze stelling in strijd komt. De Schrift toch begint en eindigt m.et het Woord Gods. Eerst het scheppende Woord, en zoodra de mensch den adem des levens ontvangt, is daar het openbarende Woord. God zelf leidt Adam in en stelt hem voor den weg des levens en des doods.

Volgens wat men naar de bestreden voorstelling het getuigenis der kerk zou willen heeten, gaat dus het Woord vooraf. Eerst het Woord en daarna het geloof aan het Woord en in het Woord. Als nu de kerk zelf zou getuigen, dat het Woord voorafgaat, hóe wil men dan, dat het uit haar is voortgekomen ? Zij zou zich zelf er van bewust zijn, dat het Woord vooraf gaat. Dan volgt ook, dat zij het heeft ontvangen en dat het Gods Woord is.

Bovendien, welk gezag zou de Heilige Schrift hebben, zoo zij uit de kerk ware ? En om welke redenen zouden wij aan de Heilige Schrift meer gezag toekennen dan aan alle woorden en geschriften, die uit de kerk voortkomen ?

Als de Heilige Schrift niet : Gods Woord is, kan haar geen hooger dan menschelijk gezag worden toegeschreven.

De kerk getuigt in haar belijdenis, dat de Heilige Schrift Gods Woord is. Zij wijst ook den grond van dit getuigenis aan. De Heilige Geest getuigt in onze harten, dat zij van God zijn.

Volgens de bestreden voorstelling getuigt de kerk omtrent God en de goddelijke zaken, hetgeen zij zelf in de Heilige Schrift zou hebben neergelegd.

In het eerste geval komt het dus neer op het goddelijk gezag des Woords, in het tweede op het kerkelijk gezag der Schriften.

In het eerste geval blijft Gods Woord staan, ook al zou er geen kerk meer zijn, die er in gelooft en alzoo belijdt, in het tweede geval zou de kerk ter eeniger tijd wel een geheel ander getuigenis kunnen geven en door haar gezag dekken.

Dat laatste zou aan de orde zijn, indien allerlei nieuwigheden zouden postvatten b.v. op grond van beweegredenen van vooruitgang, klaarder inzicht, de ontwikkelingsidee, enz.

Ook in dezen geldt de regel der Schriften : de geesten der profeten zijn den profeten onderworpen en wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Niet uit de kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's