De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NIENKE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NIENKE

FEUILLETON

5 minuten leestijd

VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN

(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen)

109)

Intusschen was het vrouw Santema alsof de sneltrein lang niet hard genoeg reed. Heel vroeg in den morgen had de boer haar met Tjerk naar de stad gebracht, waar de eerste trein genomen werd, gelijk den vorigen avond was afgesproken. Toen het er aan toe kwam, vond hij het zelf ook beter op „Donia-state" te blijven, om het aan haar en zijn zoon over te laten de reis naar Amsterdam te ondernemen, 't Afscheid was koel geweest, maar aller gedachten waren bij hetzelfde onderwerp. Hoe dichter men de hoofdstad naderde, hoe angstiger zij werd. Aan den eenen kant was daar het groote verlangen, om precies te weten hoe Gabe het maakte, aan de andere zijde de vrees, van te laat te komen. In geen jaren was zij in Holland geweest. De laatste maal was kort voor hun trouwen, met nog een tweetal paren. Toen was het een pleizierreis, waarover nog lang werd nagepraat. Men had zich wonderlijk vermaakt. Overdag naar Artis en het Panopticum en het Rijksmuseum of een uitstapje naar Zandvoort en 's avonds naar Carré of de Schouwburg. Wat had men genoten van het groote stadsleven en zich verbaasd over de drukte op den Dam en in de Kalverstraat ! Tot diep in den nacht duurde de herrie, zoowel buiten als in het hotel, waar de reizigers, naar het scheen, altijd maar binnen konden komen, en grappen had men daar heleefd, niet het minst doordat men als jongelui zich in die vreemde stad zoo vrij gevoelde. Nu was het iets anders. Nu ging zij met bevend hart, om misschien haar oudsten zoon niet levend weer te zien.

Eindelijk stormde de lange trein het Centraalstation hinnen, maar wat een drukte ! Een geloop en gedraaf, een gegil en gefluit, een gedrang naar den uitgang van elk, alsof het leven er aanhing, en toen na veel duwen en stooten de controle gepasseerd was, lag daar die groote stad, maar met een vertier, dat het een buitenman groen en geel voor de oogen deed zijn. Neen, zij kende Amsterdam miet meer. Geen wonder, dat Melle Paulussen, die het vorig jaar met zijn moeder dezelfde reis deed, er zoo vol van was, en wèl een wonder, dat zij goed en wel weer in Zevenhuizen waren teruggekeerd. Men zou vreezen elk oogenblik te zullen beleven, wat hier met haar zoon gebeurd was. Gelukkig, dat Tjerk bij haar was. Een reisgenoot had in den trein reeds gezegd, welke tramlijn genomen moest worden om dicht bij het Ziekenhuis uit te stappen en zoo de plaats van bestemming te bereiken. Nu ging het de drukke straten der stad door, waar alles dooreen wemelde als in een mierenhoop, en elk evenveel haast scheen te hebben. Zwijgend zagen beide dit bonte leven in allerlei vorm en gedaante zich bewegen, om eindelijk dicht bij het Gasthuis uit te stappen. „Eerste straat rechtsom draaien en dan links", had de welwillende conducteur gezegd, 't Was vrouw Santema alsof zij lood in de schoenen had. Wat zou haar hier te wachten staan ?

„Hier zal het wezen", sprak Tjerk, en wees op een groot gebouw, midden in een tuin. Ja, daar stond het, in groote vergulde letters.

Schoorvoetend en met een zucht werd het pad gevolgd, door een handwijzer aangeluid. Eindelijk bij de hoofdpoort. „Friezen zeker", , : zei de portier, en keek naar het breedgouden oorijzer van de boerin. „Wie moet u hebben ? "

„Santema ; Gabe Santema", was het antwoord van Tjerk. „Gister moet hier een on­geluk zijn gebeurd met een auto. Het is mijn broer en dit is mijn moeder. We hebben een 1 telegram gekregen "

„'t Kan wel ; hier gebeuren zooveel ongelukken. Maar even in de wachtkamer ; 'k zal de directrice opbellen".

„Leeft hij nog ? " waagde vrouw Santema te zeggen.

„'k Weet het niet, moedertje ; een oogenblik geduld".

De verschijning van Zuster Ina gaf aflei­ding. Oogenblikkelijk werden de vreemdelingen tot haar aangetrokken. Dat gelaat en die stem ! Tjerk stond als aan den grond gena­geld. Was dat niet het evenbeeld van Nienke ? Doch tijd van nadenken was er niet.

„Bent u misschien de familie van Santema uit Zevenhuizen ? " vroeg zij op vriendelijken toon.

„Ja, juffrouw ; leeft hij nog ? " klonk het bevend.

„Hij leeft nog, moeder ; doch is nog altijd buiten kennis, 't Schijnt nog al erg te zijn aangekomen".

„En zullen wij dus niet eens met hem kunnen spreken ? "

„Ten minste niet direct ; maar we hopen nog het beste".

Daarop volgde in 't kort een verhaal van hetgeen den vorigen avond op het Muntplein had plaats gegrepen, en hoe men den patiënt hier gebracht had.

„Maar hoe wist u dan, wie hij was en waar wij woonden ? " vroeg opeens de moeder, wie geen woord ontging.

Een oogenblik bewaarde Zuster Ina 't stilzwijgen. Daar zat zij reeds aanstonds voor een moeilijk geval. Zou zij de waarheid verzwijgen ? Maar waartoe was dit noodig ?

„Wij hebben hier toevallig iemand uit uw woonplaats, die tegenwoordig was bij de aankomst van de brancard en het slachtoffer aanstonds herkende", klonk het eenigszins aarzelend.

„Liesbet Paulussen ? " „Ja juist ; dus u kent haar ? " „Of wij haar kennen ; haar broer en haar oom werken beide op „Donia-state"."

„Dat klopt dus. U ziet, dat ook hier weer een wonderlijke leiding in den samenloop der omstandigheden is, gelijk dat zoo menigmaal in een menschenleven kan voorkomen, en die ons, wanneer wij haar mogen opmerken, veel te zeggen heeft".

Bij deze woorden keek Tjerk haar aan. Zou die Zuster een geloovige zijn ?

„En zou er nog kans op beterschap zijn. Juffrouw ? " vroeg vrouw Santema met bevende stem.

„Alle hoop is nog niet opgegeven en Liesbet zegt, dat zij dit vast gelooft". Bij deze woorden zag Zuster Ina de beide vreemdelingen nauwlettend aan als om de uitwerking van dit woord te zien.

't Scheen evenwel, dat men daar niet veel aandacht aan schonk. De harten waren al te zeer vervuld van den persoon, dien men zocht.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

NIENKE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's