De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de historie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de historie

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten

6 minuten leestijd

Onbegrijpelijke en droeve terugval der Galaten Vers 8—11.

Hoofdstuk IV.

Onbegrijpelijke en droeve terugval der Galaten Vers 8—11.

Vervolg vers 9.

Paulus verwondert er zich over, dat de Galaten, na God recht te hebben gekend, verleid zijn door de valsche apostelen, en dat zij zoo snel zijn weergekeerd tot armzalige en zwakke beginselen.

Zoo zou het ook mij wonderlijk voorkomen, wanneer onze kerk, die thans door Gods genade is geïnstitueerd, en er een zuivere leer op nahoudt en een heilig geloof belijdt, door één of twee preeken van dwalende geesten zóó van haar stuk werd gebracht, dat zij haar eigen leeraars niet rneer zou willen erkennen.

Toch zal zooiets in de toekomst geschieden : weliswaar niet zoolang wij er nog zijn, maar wanneer ik er te zijner tijd niet meer wezen zal. Want velen zullen er dan opstaan, die als leeraar willen optreden ; en zij zulten onder den schijn van Godzaligheid verkeerde leeringen invoeren, en in korten tijd alles omverwerpen, wat gedurende een lange periode met inspanning van alle krachten is opgebouwd.

Wij zijn niet beter, dan de apostelen zelf, die reeds tijdens hun leven met groot leedwezen hebben moeten aanzien, dat de door hen gestichte gemeenten verleid werden.

Daarom valt het niet te verwonderen, wanneer ook wij heden ten dage hetzelfde euvel in onze gemeenten waarnemen. Er heerscht veelal een sectegeest, welke na onze dood de overhand zal nemen, en de gemeenten vergiftigen en verleiden zal.

Christus zal echter blijven ; en Hij zal heerschen tot aan het einde der wereld ; echter op wonderbaarlijke wijze, gelijk Hij thans doet onder het pausdom.

De apostel spreekt laatdunkend over de Wet, als hij het heeft over armelijke beginselen. Men kan vragen, of het niet lasterlijk is, om de Wet, die God tooh gegeven heeft, aldus te kwalificeeren.

Gebruiken wij de Wet goed, dan dient zij inderdaad Gods beloften en de genade, welke Hij schenkt.

Voorzoover de Wet echter tegen Gods beloften en Zijn genade strijdt, is zij Gods heilige Wet niet. Zij houdt dan op, Gods Wet te zijn. Ze wordt dan een schadelijke en duivelsche leer, die alleen maar tot vertwijfeling voeren kan. Op deze gronden moet zij dan ook van de hand gewezen en uitgebannen worden.

Daarom : wanneer Paulus de Wet aanduidt als een zwak en elementair beginsel, dan handelt hij over de Wet naar de opvatting, welke huichelaars van haar hebben, die meenen, door haar gerechtvaardigd te kunnen worden. Hij heeft het dan niet over de Wet, zooals hij haar ziet met zijn geestelijk verstand.

Gelijk wij reeds meermalen hebben betoogd, klaagt de Wet ons aan, en veroordeelt zij ons, wanneer wij haar beteekenis tot de juiste verhoudingen terugbrengen. Bij het begaan van de geringste zonde verschrikt zij ons gemoed zoodanig, dat het tot vertwijfeling komt, wanneer het niet tijdig opgericht wordt. Daarom is de kracht en macht der Wet enorm, groot, indien wij er een juiste beschouwing omtrent haar op nahouden. Hemel en aarde kunnen de kracht en macht der Wet niet omvatten ; en een tittel of jota der Wet kunnen het gansche menschelijk geslacht dooden, hetgeen bevestigd wordt door de historie van de afkondiging der Wet in Exodus.

Over dit recht en theologisch gebruik der Wet spreekt Paulus in dit verband echter niet. Hij heeft voornamelijk het oog op de hypocrieten, die van de genade zijn afgevallen, of die tot dezelve nog niet gekomen zijn.

Wie door de Wet gerechtvaardigd meenen te kunnen worden, misbruiken haar. Zij kwellen zichzelf dag en nacht door het beoefenen van eigen werken. Zulke lieden gelooven door de Wet sterk en rijk te kunnen worden, en zij meenen, dat ze de macht en rijkdom, welke zij op grond van hun Wetsbetrachting denken verkregen te hebben, kunnen aanwenden om Gods toorn te stillen en af te wenden. Op deze wijze gelooven zij met God verzoend en zalig te kunnen worden.

Zóó gehruikt, is de Wet echter een zwak en elementair beginsel. Zij mist het vermogen om te helpen, en werkelijk raadgeven kan zij niet.

Zou iemand welsprekendheid willen aanwenden, dan zou hij deze woorden van Paulus zeer uitvoerig kunnen bespreken. Maar 't zou toch alles neerkomen op het feit, dat de Wet niet in staat is, om de menschen rijk en sterk te maken. Want wie door de Wet gerechtvaardigd wil worden, is gelijk aan iemand, die al zwak en ziek is, en niettemin een middel aanvaardt, dat erger is dan de kwaal, meenende daardoor zijn ziekte te kunnen verdrijven. In werkelijkheid stort hij zich zelf echter in het verderf.

Paulus wil er dus op wijzen, dat zij, die door de Wet zoeken gerechtvaardigd te worden, slechts het „voordeel" hebben, dat zij van dag tot dag zwakker en hehoeftiger worden. Van nature zijn wij kinderen des toorns en des doods schuldig, en wanneer wij het van de Wet verwachten, grijpen wij iets aan, dat in zichzelf zwak en aan een bedelstaf gelijk is.

Ieder, die van Gods beloften terugvalt tot de Wet, en van het geloof tot de werken, is als iemand, die, al zwak en behoeftig zijnde, zichzelf bovendien nog een zwaarder juk oplegt. Daardoor wordt hij nog tienmaal zwakker en hulpbehoevender ; en het gevolg is, dat hij tot vertwijfeling komt, wanneer niet Christus komt om hem te bevrijden.

Deze dingen heb ik zelf dikwijls ondervonden.

Onder het pausdom heb ik vele monniken gezien, die in blakenden ijver vele groote werken verrichtten, ten einde de gerechtigheid en de zaligheid te erlangen. En in den grond van de zaak was er niemand zwakker en ongelooviger en meer aan vertwijfeling prijsgegeven, dan deze monniken.

Steeds verkeeren de werkers van eigen gerechtigheid in twijfel en onzekerheid, omdat zij denken moeten : ge hebt niet gebeden, zooals het behoort, en ge hebt die of die zonde begaan, enz. Dan siddert het gemoed en men gaat zich steeds zondiger gevoelen, zoodat men voor zijn gevoel steeds verder van de gerechtigheid verwijderd raakt, totdat men ten slotte de vertwijfeling, waarin men komt te verkeeren, niet meer van zich kan zetten.

Velen hebben in hun doodstrijd jammerlijk uitgeroepen : ik ellendig mensch ; ik heb mijn kloosterregels niet voldoende in acht genomen ; hoe moet ik het aangezicht van den vertoornden rechter, Christus, ontvlieden ? Was ik maar een ossendrijver geweest, of de minste onder de menschen !

Zoo is een monnik aan het einde zijns levens zwakker en ongelooviger, dan aan het begin, toen hij tot zijn orde toetrad. En de oorzaak hiervan ligt in het feit, dat hij zich door zwakheid heeft trachten te sterken, en door armoede rijk is willen worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Uit de historie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's