Onfeilbaar
Een nieuw punt van discussie wordt aangeraakt, als wij de Heilige Schrift Gods onfeilbaar Woord noemen.
Kan dat worden volgehouden ?
Prof. Sevenster schrijft juist een artikel over deze materie in „Kerk en Wereld" d.d. 31 Oct. 1941. „De leer van de onfeilbaarheid van de Bijbel wordt bij mijn weten in ons land eigenlijk alleen nog in bescherming genomen door Gereformeerden". Gewezen wordt daarbij op een studie van Prof. Berkouwer. Afgezien wie de schrijver met „Gereformeerden" op het oog heeft, kan worden beweerd, dat de belijdenis van de onfeilbaarheid der Heilige Schrift inderdaad voor gereformeerd mag worden gehouden.
Prof. Sevenster voegt daaraan echter toe : „En van deze Schriftbeschouwing wil de orthodoxie in onze kerk voor het overgroote deel, getuige haar woordvoerders, niets weten". Dit wordt dan aangetoond door aanhalingen van vooraanstaande vertegenwoordigers, waaronder ook verwezen wordt naar uitspraken van Barth en ten slotte wordt het woord aan Luther gegeven.
De strekking van het artikel komt hierop neer, dat men een critische houding tegenover de Schrift kan innemen en toch spreken van Gods Woord.
Hier komt dus de onfeilbaarheid der Heilige Schrift in het gedrang. En zonder nu nader in te gaan op het standpunt der door den schrijver aangehaalde theologen en hoe zij over de onfeilbaarheid denken, kan het ons aanleiding geven om dit voor ons zelf onder de oogen te zien.
Indien men toch zou bedoelen, dat er in de Heilige Schrift, zooals die daar voor ons ligt, geen enkele feil of fout zou zijn ingeslopen, dan kunnen wij het spoedig eens zijn. Vooreerst ligt de Schrift daar voor ons in een vertaling, waarbij men zich bediend heeft van handschriften en vertalingen. Handschriften, die op haar beurt zijn afgeschreven door veeltijds onbekende handen, en weer terug gaan op andere handschriften, soms in een andere taal, en in ieder geval zóó, dat wij geen enkel oorspronkelijk handschrift bezitten.
Wie nu meent, dat door al die hoofden en handen, welke daaraan hebben medegewerkt, geen enkele feil is gemaakt, zoowel bij het afschrijven als bij het vertalen en dat daarbij niet iets uitgelaten of toegevoegd kan zijn, die moet toch een andere voorstelling van menschenwerk hebben dan de Schrift zelf.
Wij spreken dan in het geheel nog niet over de teboekstelling in haar eerste stadium, omdat wij geen enkel oorspronkelijk handschrift bezitten en van de geschiedenis der teboekstelling in zooverre niets of weinig afweten.
Dit alles doet niets af van ons geloof, dat God zelf over de teboekstelling en het verzamelen en bewaard blijven der Heilige Schrift, en ook over haar gansche geschiedenis heeft gewaakt. Het zou al te gering van Gods Voorzienigheid zijn gedacht, zoo men meende, dat Hij geen zorg zou hebben over Zijn Woord.
Het is ook zeker geen vergissing van God, dat Hij Zijn Woord in de handen der menschen heeft gegeven met al wat daarmede saamhangt en evenmin heeft Hij het daardoor aan Zijn macht en Voorzienigheid onttrokken.
Indien men de onfeilbaarheid der Heilige Schrift dus zou laten afhangen van de vraag, of wij in den vorm, waarin wij haar ontvingen, geen moeilijkheden en vraagpunten zouden hebben, ja, op tegenstrijdigheden zouden stuiten, waarop velen zich beroepen, dan kan men van onfeilbaarheid bezwaarlijk spreken.
Wil men haar in dien zin onfeilhaar hebben, dan zou men die onfeilhaarheid aan iedere overschrijving en aan iedere vertaling moeten toekennen! Op die wijze werd de onfeilbaarheid van het goddelijke op het menschelijke overgebracht en zou de Schrift altoos in onfeilbare handen zijn gewweest. Dan zouden de genoemde handelingen van overschrijven en vertalen onfeilbaar worden geacht. Daarom moet men wel onderscheiden, wat men belijdt, als men de onfeilbaarheid der Schrift als Gods Woord belijdt.
Zonder twijfel kan men zich op de reformatoren beroepen, zoowel op Luther, als ook op Calvijn, als men wil aantoonen, dat zij de onfeilhaarheid der Schrift niet zóó hebben verstaan, ook al ontving Calvijn de Schrift letterlijk als Gods Woord en zong Luther van het Woord, dat eeuwig stand houdt.
De onfeilbaarheid der Heilige Schrift als Gods Woord kan zelfs niet teruggebracht worden op de onfeilbaarheid der apostelen en profeten, daar zij zelf daartegen zouden geprotesteerd hebben, zijnde menschen van gelijke bewegingen als wij allen. Zulk een goddelijke eer zouden zij zich zelf niet toeschrijven. En toch vermanen zij om het profetische Woord vast te houden, omdat het zeer vast is, hoewel zij dat ook in zijn overgeleverden en soms vertaalden vorm hadden.
De onfeilbaarheid wordt dus in geen geval op menschen toetrokken, maar op Gods Woord Maar nu komt het. Christus zelf zegt : die zijn het, die van Mij getuigen. Wij hebben dus met een getuigenis te doen en dit wijst boven zich zelf uit op de eigenlijke openbaring en het eigenlijk geopenbaarde. Het getuigenis is het woord der getuigen en deze waren feilbare menschen.
Hoe nu ?
Nu raakt het aan de profeten en de apostelen zelf en wij hebben reeds betoogd, dat zij zich zelf niet onfeilbaar hebben geacht. De Schrift is trouwens op dit punt duidelijk genoeg. De profeet Nathan moest zelfs terug naar David om hem mede te deelen, dat zijn voornemen om den Heere een huis te bouwen, niet doorging. En Elia lag moedeloos onder den jeneverboom. Op Jona hebben wij reeds gewezen en deze voorbeelden waren te vermeerderen. Maar, zoo zegt men, die getuigen zijn feilbare menschen en dat drukt op hun getuigenis. De oorspronkelijke openbaring is onmiddellijk en de Bijbel geeft daarvan slechts een getuigenis. Wij kennen dat slechts middellijk.
Wat wil men echter met die oorspronkelijkheid en onmiddellijkheid ? Wat weet men van een oorspronkelijke en een onmiddellijke openbaring en waaraan wil men die kennen ? Hoe wil men het getuigenis daaraan meten ? En dan wel een getuigenis, dat men ook niet in zijn oorspronkelijken vorm kent, en hoogstens moet gissen naar de middelen en de methoden van het onderzoek.
Men werkt hier met het denkbeeld eener oorspronkelijke en onmiddellijke openbaring en dat van een oorspronkelijk getuigenis, waarvan men niet meer dan een denkbeeld heeft. Ook in deze wijze van redeneeren is de feilbare mensch aan het woord. Zoo komen wij niet uit de feilbaarheid uit, maar raken van de eene feilbaarheid in de andere.
God gaat in Zijn openbaring met menschen om, niet alleen met feilbare schepselen, maar met gevallen menschen. Hij gaf Zijn Woord aan dien gevallen mensch en betrouwde het niet alleen in de hand van de profeten en apostelen, maar in de hand van de kerk der eeuwen en zoo weer aan de wereld en voor alle tijden, altijd weer aan gevallen menschen en zondaren.
Dat is geen waagstuk van God. In geenerlei wijze. Bij God is geen waagstuk. Hij weet wat Hij doet en het Woord zal Hem dienen in alle dingen, waartoe het gezonden is. Het Woord bewaart zich zelf door alle feilbaarheid van getuigen en overdragers heen en desondanks.
Dat is de onfeilbaarheid des Woords. Het faalt niet, als het in de wereld wordt gezonden en door de hand der menschen gaat, omdat het met een goddelijke bestemming in de wereld gezonden is.
Het getuigenis des Woords is waarachtig om des Woords wil en onfeilbaar door de menschelijke feilen heen. Deze feilen kunnen van de onfeilbaarheid der Heilige Schrift, zijnde Gods Woord, dus niets afdoen.
De onfeilbaarheid der Schrift is goddelijk en niet menschelijk.
Zoo is ook de onfeilbaarheid des Woords een stuk des geloofs, hetwelk niet wankel wordt gesteld door een critisohe opmerking omtrent een woord of een tekst, of zelfs ook aangaande den schrijver van een boek, dat ten onrechte op zijn naam zou staan en d.g. meer.
De onfeilbaarheid der Heilige Schrift wordt echter wel aangerand, zoodra men haar goddelijke waarheid aanrandt.
Zoo gaat de gansche Schrift uit van de schepping der wereld en nu kan men niet zeggen, dat de apostelen en profeten nog niet op de hoogte zijn geweest met de beschouwingen van een latere eeuw, zoodat hun getuigenis het gebrek van hun onwetendheid aan zich draagt en indien zij in onzen tijd geleefd hadden, zij anders zouden hebben getuigd, b.v. in den zin eener evolutie-leer.
Dat stuk raakt verder aan de kennis van den mensch, maar ook aan de waardeering van den Christus. (Vgl. b.v. Joh. 1).
Van het een komt men in het ander. De zondeval en wat daarmede saamhangt, de wereldzonde, het werk der verzoening, de vleeschwording des Woords, de heilsfeiten, de toevergadering tot het lichaam van Christus, de rechtvaardigmaking, de wedergeboorte, de kerk, de ambten en zovele dingen, die hier konden genoemd worden en niet aan de willekeur van ons zijn overgelaten, maar waarin God de onfeilbaarheid van Zijn Woord door alle tijden zal bewijzen.
Wie ter harte neemt, wat Johannes in het eerste hoofdstuk van zijn Evangelie over den Zoon, het Woord, dat bij God was en God was, schrijft, zal bedachtzaam staan tegenover een Schriftbeschouwing, welke haar onfeilbaarheid prijs geeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's