Een overgang
We willen de aandacht vestigen op een overgang van de eene Kerk naar de andere, in dit geval van de Chr. Geref. Kerk naar de Geref. Kerken. Dergelijke overgangen komen méér voor. Zonder dat hiervan melding wordt gemaakt in de pers. Zonder dat in breeden kring min of meer beroering wordt gewekt. De betrokken familie, kerkeraad, gemeente, wordt er door geraakt. Het geval, dat wij nu op 't oog hebben, heeft echter meerdere aandacht getrokken. Het betreft n.l. Ds W. Meijnhout, die tot 14 Sept. 1941 predikant was bij de Chr. Geref. Kerk te Vlissingen. Deze Ds W. M. is uit de Chr. Geref. Kerk uitgetreden en overgegaan tot de Geref. Kerken. In „Belijden en Beleven" noemt Ds P. van Dijk dit een pijnlijk geval, niet alleen voor de Chr. Geref. Kerk, maar ook voor de Gereformeerden. Hij meent, dat deze overgang aan de gezochte eenheid met de Chr. Geref. broederen meer schade dan goed zal doen. Ds Van Dijk gelooft, dat de stap van Ds M. niet voldoende verantwoord is. Omdat de Chr. Geref. Kerk toch de kenmerken van een ware Kerk vertoont. En deze kenmerken toch niet verliest door haar aarzeling en bezwaren tegen de eenheid met de Gereformeerden.
Het was te verwachten, dat lang niet allen het met de beoordeeling van Ds Van Dijk eens zouden zijn. Verschillende brieven zijn door hem ontvangen. Brieven, waarin men zijn instemming betuigde, maar méér brieven met een afkeuring over Ds Van Dijk's beoordeeling.
Ook ontving Ds Van Dijk een brief van Ds Meijnhout zelf. In deze brief gaat Ds M. in op Ds Van Dijk's oordeel, dat zijn stap niet voldoende verantwoord zou zijn. We kunnen het verstaan, dat Ds M. hiertegen vooral opkomt. Hij vindt dit een vreeselijke beschuldiging ; „een beschuldiging, die ik evenwel niet kan accepteeren, daar zij geen enkelen rechtsgrond bezit". Om dit aan te toonen, schrijft Ds M. dan als volgt :
Het uitgangspunt van Uw redeneering was: de Chr. Geref. Kerk vertoont nog de kenmerken van een ware Kerk. Daaruit concludeert U zonder meer : derhalve mag iemand daar niet uit treden.
Mag ik U thans enkele vragen doen ?
Ten eerste : is het volgens Uw beschouwing dan wel voldoende verantwoord, dat de kerkeraden van Gereformeerde Kerken personen als lidmaat aanvaarden, die uit de Chr. Geref. Kerk tot de Gereformeerde Kerken overkomen, omdat ze de gronden, waarop de Chr. Geref. Kerk in 1892 door sommigen zelfstandig werd voortgezet, niet meer als wettig kunnen beschouwen ?
Ten tweede : is het volgens Uw beschouwing dan wel voldoende verantwoord, dat de Generale Synode der Gereformeerde Kerken van 's-Gravenhage, 1914 (art. 79) een speciale bepaling heeft gemaakt met het oog op predikers uit de Chr. Geref. Kerk, o.m. luidende : „Dat een broeder, vroeger predikant der Chr. Geref. Kerk kan worden toegelaten " ?
Indien Uw antwoord bevestigend luidt, dan hebt U ook het recht niet om mijn stap onverantwoordelijk te noemen (want niet voldoende verantwoord is in zulke gewichtige zaken onverantwoordelijk).
Luidt Uw antwoord daarentegen ontkennend (hetgeen uit Uw beschrijving logisch moet voortvloeien), dan spreekt U daarmee uit, dat de Gereformeerde Kerken officieel door haar kerkeraden scheurmakerij tolereeren, door dergelijke menschen toe te laten, ja, dat de Gereformeerde Kerken in 1914 zelfs synodaal scheurmakerij hebben gesanctionneerd, door voor predikanten N.B. een aparte brug tusschen beide oevers te slaan !
Ik meen, dat ik de fout in Uw betoog heb ontdekt. Indien de Chr. Geref. Kerk in Nederland de ware Kerk was (en niet slechts zooals U schrijft, een Kerk, die de kenmerken van „een" ware Kerk vertoont), dan ging Uw redeneering op. Van de ware Kerk mogen wij ons niet afscheiden. Maar wanneer Ds Van Dijk, predikant in de Gereformeerde Kerken, spreekt over de ware Kerk, dan kan hij in elk geval de Chr. Geref. Kerk daar niet mee bedoelen. U zult onmiddellijk zeggen : Ik had het ook niet over de, doch slechts over een ware Kerk. Maar, Collega, hebt U dan niet wederrechtelijk op een ware Kerk toegepast, wat volgens de Ned. Geloofsbelijdenis slechts op de ware Kerk toepasselijk is ?
„Het komt niemand toe, zich van de ware Kerk te scheiden", zegt art. XXIX der Ned. Geloofsbelijdenis. De ware Kerk kent men aan haar kenmerken. Deze kenmerken worden volgens U als Gereformeerd predikant in de Gereformeerde Kerken gevonden ; die werden volgens U ook in 1892 van stonden aan in de vereenigde Kerken gevonden. En toch leefde ik gescheiden van die Kerken, in strijd met de belijdenis, evenals vele anderen. Is het dan ongereformeerd (en daarom onverantwoord, of niet voldoende verantwoord), dat ik tot die Kerken terugkeer, nadat ik, zij het ook tevergeefs, getracht heb eerst samen met die anderen den terugweg te zoeken ?
Ik krijg uit hetgeen U schrijft, den indruk, dat U in Uwe kerkbeschouwing déze fout maakt, dat U de Gereformeerde Kerken en de Chr. Geref. Kerk ziet als twee ware gereformeerde kerkgenootschappen, die nu eenmaal historisch zoo gegroeid zijn, zoo los naast elkaar. Maar dan slaat U in Uw gedachtengang per ongeluk één belangrijk feit over : het schisma van 1892. Moet ik als oud-Chr. Gereformeerde U daar nog op wijzen ? Is het goed of verkeerd geweest, dat sommige Chr. Gereformeerden toen geweigerd hebben zich bij de Vereeniging aan te sluiten, of dat vele anderen zich nadien weer van die Vereeniging hebben losgemaakt ? Is het goed geweest in Uw oogen, dan moet U thans denzelfden weg gaan, dien ik voor U gegaan ben, doch dan in tegenovergestelde richting. Is het even wel verkeerd geweest in Uw oogen, dan moet volgens U de Chr. Geref. Kerk met die afzijdigheid als zonde breken. Nu zij steeds blijft weigeren dit te doen, en ook mijn kerkeraad aan deze weigerende houding der Synode zich heeft geconformeerd, heb ik ten slotte persoonlijk in dit opzicht het ambt aller geloovigen uitgeoefend en mij gevoegd bij die kerkgemeenschap, waarbij alle Christelijk Gereformeerden gevoegd behoorden te zijn. Derhalve is mijn stap voldoende verantwoord en leg ik Uw beschuldiging met dank voor de goede bedoelingen, rustig naast mij neer.
Met broedergroet,
W. MEIJNHOUT.
Ds Van Dijk plaatst hieronder nog eenige opmerkingen.
Hij wijst er n.l. op, dat alles wat de verschillende broeders en ook Ds Meijnhout tegen hem inbrengen, borduursel is op hetzelfde stramien : „De Chr. Geref. Kerk is een scheurkerk. Zij leeft in ongehoorzaamheid. De daad van 1892 was een zondige daad, enz."
„Belijden en Beleven" beweert dit echter niet.
Het blijkt, dat velen er zoo over denken, nu Ds Van D. eerlijkheidshalve gevraagd heeft : „Duldt de gedachte van vereenigen wel een overgang als die van den Vlissingschen predikant ? " Of de Chr. Geref. Kerk een scheurkerk is, wil Ds Van D. buiten het geding houden. Hij wil alleen maar, dat de Gereformeerden geen maskers zullen dragen. Als tot de Chr. Geref. gezegd wordt : „Vereenig u toch met ons", dan mag daarmee niet bedoeld worden : „Komt tooh van uw dwaling terug".
Om dan straks met een dankbaar hart te zeggen, als het slaagt : De verloren Zoon keert weer.
„Als wij bij onze pogingen toch wel de 50 jaar historie en het gebeurde in 1892 metwat-er-aan-en-rondom-was, te pas willen brengen en we de opinie over „ongehoorzaamheid" deelen, welnu, Gereformeerde Synode en Deputaten, spreekt dan ook niet langer van vereenigen, maar van terugkeer. Dan verstaan we elkaar. En zijn eerlijk tegenover elkaar".
We kunnen wel in de gedachtengang van Ds Van Dijk inkomen. Als men staat op het standpunt van vereenigen, een standpunt, dat toch inderdaad door de Synode der Geref. Kerken wordt ingenomen, dan is een overgang, als boven bedoeld, wel heel moeilijk te waardeeren. Het zal volgens Ds Van Dijk ongetwijfeld zóó zijn, dat naar zijn meening Ds M. de vereeniging der beide kerken meer zou hebben bevorderd, door in eigen kerkformatie voor deze vereeniging het pleit te blijven voeren. Dit nu was Ds M. volgens zijn eigen verklaring niet mogelijk. Dat blijkt uit zijn brief aan Ds Van Dijk. Uitvoeriger heeft hij over een en ander geschreven in een pas verschenen brochure : „Om vriend en broed'ren". Betrof het hier een zuiver persoonlijke aangelegenheid, dan zouden wij er niet zooveel belang bij hebben. Ds M. wil echter zijn schrijven niet als een zaak zien, die hem persoonlijk alleen betreft. In zijn voorwoord merkt hij op : „Uit den aard der zaak draagt deze brochure een eenigszins persoonlijk karakter, dat is in dit geval onvermijdelijk ; doch het doel is niet persoonlijk, maar zakelijk, wijl het betrekking heeft op de zaak van de kerkelijke eenheid der geloovigen, speciaal der Gereformeerden en Christelijke Gereformeerden. Ik hoop, dat de lezers, zoowel uit de Chr. Geref. als uit de Geref. Kerken, onder het lezen dat zakelijke doel in het oog houden, en dat zij gevoelen dat het den schrijver er niet slechts om te doen is zijn uittreden in de oogen der kerkmenschen te rechtvaardigen (dat ook), maar vooral om de dringende zaak der eenheid van Christus' Kerk sterker op het hart te binden".
Op een en ander uit deze brochure hopen we nog nader terug te komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's