De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zefanja, de profeet van den dag des Heeren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zefanja, de profeet van den dag des Heeren

12 minuten leestijd

Het wee over Jerusalem

Het wee over Jerusalem

Hoofdst. 3 vs 5 e.v.

Droevig was het gesteld met het geestelijk-zedelijke leven van de leidslieden des volks : Jerusalems vorsten waren brieschende leeuwen, haar profeten lichtzinnige, trouwelooze mannen, hun priesters ontwijdden het heilige.

Zij maakten God moede met hun ongerechtigheid. Hoe komt dat toch ? Heeft wellicht de Heere zich minder om Zijn volk bekommerd en heeft Hij zich minder laten gelegen liggen aan dat volk, waarmede Hij een vertoond had? M.a.w. is het wellicht zoo, dat de Heere Zijn eigen volk heeft behandeld als een vreemde en dat Hij het heeft laten wandelen op hun wegen, zooals de heidenen, hoewel Hij zich ook tegenover de verst afgedoolde heidenen niet onbetuigd heeft gelaten ? Menigeen klaagt in het dagelijksche leven :

ik ontvang geen liefde ; maar de oorzaak ligt daarin, dat hij zelf niet begint met liefde te geven en zich in liefde aan den ander kwijt te raken. Wie zelf geen liefde geeft, hoort ge dan klagen over verwaarloozing. Verwaarloost de Heere Zijn volk ? Integendeel, toen Israel Hem begon te verwaarloozen en Zijn dienst te veronachtzamen, toen bleek, hoe de Heere Zichzelf gelijk blijft. Hij breekt Zijn trouw niet. De openbaring van Zijn eeuwige liefde werd niet minder, maar met extra bemoeienis heeft Hij Israël omringd en op de bedreigde plaatsen aan het geestelijk front heeft Hij geconcentreerd de kracht van de allerbij zonderste voorzienigheid. Hoe kan Ik u overgeven.

(Hozea 11 vs 8). Dan kan dus Israël maar doen wat het goed dunkt ? De Heere blijft zich geven, immers ook dan, wanneer Israël geen wederliefde toont ? Verwacht bij de profeten geen optimisme, dat uitgaat van de gedachte, dat het wel losloopen zal. Wee, wie probeert hoeveel de koorden der liefde wel kunnen hebben, voordat ze door overbelasting afknappen ! Zullen we in de zonde blijven, opdat de genade des te meerder worde ? Dat zij verre. (Rom. 6 vs 1). Of zullen we zeggen: Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome ? Welker verdoemenis rechtvaardig is. (Rom. 3 vs 8). De trouw en het liefdebetoon des Heeren, Zijn bijzondere zorg, stelt het volk wel dubbel schuldig. De profeet zegt : de rechtvaardige Heere is in het midden van haar. In de dagen van Micha (een jongere tijdgenoot van Jesaja) was dat juist hèt houvast van de mannen van Jerusalem : Is de Heere niet in ons midden? (Micha 3 vs 11).

Ons zal geen kwaad overkomen. Volkomen juist, zegt Zefanja, de Heere is in het midden van Jerusalem Maar gij vergeet twee dingen : de Heere is rechtvaardig en Hij doet geen onrecht. Uit het feit, dat de Heere in uw midden is, trekt gij een totaal verkeerde conclusie. Gij zegt : de Heere is in ons midden — dus kunnen wij gerust zijn, maar gij moest zeggen : de Heere is in ons midden, dus zit Hij mij op de vingers te kijken en controleert mijn leven van binnen en van buiten ! De Heere is in uw midden, dan moet er groote onrust in uw ziel geboren worden, want hoe zult gij het voor God uithouden ? Wie zal klimmen op den berg des Heeren en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid ? (Ps. 24 vs 2). Omdat de Heere in hun midden was, daarom was Zijn hand zoo tegen hen om hunne zonden te bezoeken. De menschen, ook in onzen tijd, zondigen en leven maar voort en denken : God vindt het wel goed, maar de profeten, als stormvogels van het gericht, getuigen met klem : Hij vindt het niet goed. Want de rechtvaardige Heere is in het mid­den van haar ; Hij doet geen onrecht. Hij past zich niet aan bij de herwaardeering van zedelijke waarden, waarbij zonde niet langer als zonde wordt beschouwd en goddeloosheid als een bagatel wordt behandeld, omdat iedereen eraan mee doet. Dat is immers de doorgaande verkondiging van de profeten en van het Oude Testament in het algemeen : dat God - God is en blijft. En toch wordt dikwijls bedekt of openlijk de beschuldiging geuit, alsof de Heere wèl onrecht doet. Laat Hij de zonde niet gaan? Waarom verhindert Hij niet veel meer! Waarom doodt de Heere den goddelooze niet?

En zoo maakt men zich een God naar eigen beeld en gelijkenis. Men droomt zich een god, zooals men zelf is. Ook de vrome heeft soms met dat benauwende geworsteld, of het wel echt waar is, dat in Hem geen onrecht gevonden wordt. Dan werd de smart verzwaard. Gods doen is met een menschelijke maatstaf niet te meten. Hij laat Zich niet narekenen.

Soms blijft voor den vrome alleen over te verstommen voor Zijn aangezicht en te aanbidden. Hij is God en geen mensch en tot schrik voor den goddelooze en tot troost voor den vrome zal toch waar blijken, dat in Hem geen onrecht is.

Onwetendheid zal men niet kunnen voorwenden ; ook de leidslieden van Jerusalem van die dagen wisten, wat Gods recht was ; elken morgen weer liet de Heere zien, wat recht was. Hij deed dat door Zijn woorden.

Hij geeft Zijn recht aan het licht (vs 5) 1^), d.i. Zijn rechtsvorderingen - ) en op grond daarvan zal de priester recht spreken en de profeet het volk verkondigen. Zij kunnen dus weten, waarop God recht heeft. Telkens vindt ge over het recht Gods bij de profeten gesproken. Wat eischt de Heere van u dan recht te doen en weldadigheid lief te hebben. (Micha 6 vs 8). Bewaar recht en gerechtigheid. (Hozea 12 vs 7). En daarin blijft de Heere zichzelf gelijk. Wel moest men zich schamen voor Gods aangezicht, maar de verkeerde, van wien Job (h. 31 vs 3) zegt, dat voor hem het verderf is, 2*) kent geen schaamte.

Ook in de buitengewone gebeurtenissen der geschiedenis heeft de Heere tot Israël gesproken. In de aangrijpende gerichten over de volken rondom, liet de Heere wel heel sterk zien, dat Hij de dingen niet op zijn beloop laat, maar dat Hij op Zijn tijd Zijn machtige arm ontbloot en met sterke hand ingrijpt. In de gerichten, die Hij over de volken deed komen, bewees Hij zich de rechtvaardige rechter. En wie zal voor de hitte van Zijn toorn bestaan ? (Nah. 1 vs , 6). De Heere heeft met een gehuurd scheermes de landen kaal geschoren.

Steden zijn verwoest en zonder inwoners zijn de overgebleven ruïnes. Weggevaagd is, wat eens de schoonheid van landen en steden uitmaakte. Eenzaam liggen de straten, waar niemand doorwandelt. 3") De Heere is een verteerend vuur en Zijn oordeelen een diepe afgrond.

Heeft het volk van Israël er evenwel iets mee te maken, als de volken rondom worden geoordeeld ? Nog ging het oordeel hun deur voorbij, maar toch had het gericht over de heidenen hun heel veel te zeggen. „Israël had moeten begrijpen, wat het zelf verdiende. De Heere valt ons niet terstond aan, maar stelt ons voorbeelden voor oogen. Wanneer ze dan zoovele malen gewaarschuwd waren, zien we hieruit, dat ze door hun kwaadaardigheid geheel verblind waren". 4^) Als het gericht Gods gaat over de heidenen, met hoeveel slagen zal dan wel het volk geslagen worden, dat den weg des Heeren heeft geweten, maar niet bewandeld? Geen enkele verontschuldiging blijft over. De profeet spreekt van Gods verwachting (vs 7) : Ik zeide : Immers zult gij Mij vreezen, gij zult de tucht aannemen. De Heere mocht verwachten, dat het volk de les ter harte zoude nemen en zoude luisteren naar wat de Heere door de gerichten zeide. Elk woord Gods is een daad, maar ook elke daad  Gods is een woord. Als de Heere aan Zijn volk, dat op woestijnwegen in armoede en ellende zwerft, uitkomst en ontferming toezegt : Ik de Heere zal ze verhooren ; Ik, de God Israels, zal ze niet verlaten, dan is het doel van al deze daden Gods „opdat zij erkennen en zien en terdege verstaan, dat des Heeren hand het deed, dat de Heilige Israels het wrocht. (Jes. 41 vs 20). Het gaat dus om de erkentenis, dat de Heere God is.

En zoo ook bij Gods gerichten. De Heere zal Gog doen optrekken tegen Israël, maar alleen ter vernietiging van Zijn vijanden en dat, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o, God, voor hunne oogen zal geheiligd worden. (EZ. 38 vs 16). Prediker (3 vs 14) leert ons, dat God het zoo doet, opdat men vreeze voor Zijn aangezicht.

Wat een moeite doet de Heere om Zijn volk op het rechte pad te brengen. Maar tevergeefs zag de Heere uit naar Israels hekeering. Integendeel, ze hebben het nog erger gemaakt.

De menschen durven juist, omdat het oordeel niet terstond inslaat als een bliksem. Omdat het oordeel over de booze daad niet aanstonds volgt, daarom is het hart van den mensch zoo sterk geneigd om kwaad te doen. (Pred. 8 vs 11). Israël heeft Gods gerichten over de volken rondom beschouwd als een vrijbrief om te leven naar het goeddunken des harten.

Zij hebben des te hardnekkiger volhard in het doen van het kwaad. Als de Heere met hun vijanden afrekende, dan waren zij veilig : de heidenen konden hen niets meer maken. Maar voor den heiligen God en Zijn gericht waren zij niet veilig.  Waarlijk, zij hebben zich vroeg opgemaakt, zij hebben al hun handelingen verdorven! (vs 7) «) Deze constructie herinnert aan wat we telkens lezen bij den profeet Jeremia, hoe de Heere zijn profeten gezonden heeft dagelijks vroeg op zijnde en zendende (Jer. 7 vs 13 ; 35 vs 14 ; 44 vs 4). Tegenover het dagelijks vroeg op zijn en zenden en spreken van den Heere, stelde 't volk nun dagelijks vroeg op zijn en zondigen : zij beijverden zich om allerlei kwaad te bedrijven. Het oordeel over de heidenen was arbeid Gods aan den wijngaard Israël. Wat mocht de Heere anders verwachten dan goede vrucht, maar de werkelijkheid was, dat Israel stinkende druiven voortbracht, „Omdat het zichzelf ging beschouwen als de voorgetrokken lieveling van Jehova, aan wie geen kwaad kon overkomen, was het gevolg, dat het zich om geen heiligen wil des Heeren meer bekommerde". (LippL).

Deze dingen doet gij en Ik zwijg ; gij meent, dat Ik ten eenenmale ben gelijk gij : Ik zal u straffen en het ordelijk voor uwe oogen stellen. (Ps 50 vs 21). Daarom verwacht Mij (vs 8) '') — en dan volgt een aankondiging van Gods richtende majesteit over de heidenen. De Heere zal verder ingrijpen ; het is Zijn recht. De Heere zal de volken verzamelen, de koninkrijken vergaderen om over hen Zijn gramschap, de gansche hittigheid van Zijn toorn uit ie storten. Dieper zal het oordeel gaan en daarvan zal vrucht gezien worden ; van de heidenen zal wat terecht komen.

Israël moge meenen van niet ; in den weg van het oordeel komt het heil en de genade. Zegen over den heiden, en dat wordt Israël aangezegd, want de aangesprokene kan niemand anders zijn dan Jerusalem, van wie ook het begin van dit hoofdstuk geldt.

En dit gansche land (d.i. de gansche aarde) zal door het vuur van Mijn ijver verteerd worden, (vs 8) Zal onder dit oordeel ook Jerusalem vallen ? Rechtstreeks wordt dit hier niet genoemd ; ook is het hier zeker niet de bedoeling, dat de heidensche volken het oordeel Gods over Jerusalem zullen voltrekken ; maar als aan de hoorders een straffende macht geteekend wordt, waaraan de geheele aarde onderworpen is, dan kan Juda en Jerusalem daar niet buiten vallen. De hand des: Heeren kan niemand ontloopen.

Aanteekeninigen :


^) Wellhausen denkt hier aan de natuurorde, die door God in stand wordt gehouden en verwijst naar Gen. 8 vs 22. Dat is niet waarschijnlijk ; het gaat immers in dit verband over de verbreking van de zedelijke ordinantiën Gods. Nowack vert. : Hij laat aan het licht treden, wat recht is. Lippl : Hij maakt zijn recht doen tot een licht, dat nooit ontbreekt. Sellin vertaalt met een kleine tekstwijziging waartoe evenwel de tekst getuige, geen recht geeft : Allen morgen voltrekt hij het gericht ; zooals het licht (d.i. volgens hem de zon), blijft het niet uit.

-) Recht, d.i. rechtsvorderingen, eisch. Ridderbos heeft : ordinantie en verklaart : Hij doet zijn recht en wet door de mond der profeten verkondigen. Kohier (Theologie des A. Testaments, s. 193) stelt de vraag, of niet altijd het recht Gods als eisch Gods moet worden verstaan. Maar dat lijkt mij al te beperkt. Het recht van den koning (1Sam. 8 vs 9) is wat de koning overeenkomstig zijn positie in het verbond moet eischen en verleenen. „Het woord wijst aan de norm van iemands gedrag". Zoo Pedersen, Israël, I, p. 351. Over de uitdrukking gerechtigheid en gericht in de psalmen, verscheen in Theol. Studiën een artikel van Westerman Holstijn, waarbij hij er op wijst, dat in de loop der tijden bij deze uitdrukking accentverlegging plaats vond, waarbij de gedachte : „Gods trouw aan Zijn eigen Wezen" op den voorgrond stond. (N-. Th. Studiën, 24 j., p 116 e.v.).

Hieruit vloeit dan ook voort, dat het gericht voor den vrome heil beteekent en voor den goddelooze straf (Sellin), maar dat is niet het eerste en het eenige. Ook in vs 8 komt weer het recht Gods naar voren.

") De tusschenzin : de verkeerde kent geen schaamte, wordt door Sellin vertaald. De verkeerde geen schande ; dat is volgens hem onzin. Maar de vertaling kent geen schaamte, is zeer zeker mogelijk.

') Calvijn, Praelectiones in Sophoniam.

•"") Hun boeken zijn verwoest ; Obbink vertaalt (verkorte Bijbel, 2de dr.) : bolwerken. Ridderbos : tinnen (n.l. van de vestingen en dus de vestingen zelf)V-De tinnen waren de strategische punten van de muren ; daar waren ook de poorten en vandaar kon men het voorterrein aan twee kanten overzien. (2 Kron. 26 vs 15).

") Vs 7 (midden) geeft moeilijkheden. Met een geringe wijziging vertale men : En dat niets van haar oogen verdwijne van al, wat ik haar gebood.

Zoo ongeveer Obbink, Ridderbos, enz. De vraag is, tot wien dit vers gericht is en of hier een nieuw gedeelte aanvangt. Volgens Lippl is dit gedeelte gericht niet tot het Joodsche volk, maar wijst dit vooral de goedgezinden op het komende gericht over de volkeren. Zoo ook Ridderbos (in K. Verkl.) : Met : verwacht mij, richt de profeet zich tot de vromen. Zoo meent ook Aalders in Het herstel van Israël volgens het O. Test., pag. 78. Ten onrechte, m.i. Zulk een wisseling van aange­sproken personen wordt in het minst niet aangeduid. Calvijn, die in dezen door de Kantt. van de Statenvertaling gevolgd wordt, houdt er aan vast, dat de aangesprokenen dezelfden zijn als in het begin van het hoofdstuk. Het begin van vs 8 moet aldus worden gelezen : Wacht op mij ten dage als ik als getuige zal optreden ; dit door een enkele klinkeromzetting.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Zefanja, de profeet van den dag des Heeren

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's