De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Waarheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Waarheid

8 minuten leestijd

De goddelijke waarheid kan door den mensch niet worden gekend, zooals God Zich zelf kent. God is de Eeuwige en in alles onderscheiden. God kent op een eeuwige en goddelijke wijze en Hij heeft den mensch gegeven te kennen op een menschelijke en schepselmatige wijze.

Dat beteekent niet alleen, dat wij ten deele kennen, maar ook dat ons kennen geheel anders is dan het goddelijke kennen.

Indien nu de mensch meent, dat hij de goddelijke waarheid alleen dan zou kennen, indien hij ze op goddelijke wijze zou doorgronden, dan behoeft hij zich niet verder in te spannen. Dan immers zou het onderscheid tusschen Schepper en schepsel moeten worden weggenomen.

Zoo wij dus niet tevreden willen zijn met de wijze, waarop God ons menschen geeft te kennen en waarop Hij ook Zich zelf te kennen geeft, dan zal men van het eene kwaad in het andere vallen en zichzelf tot een god stellen, wat er op neerkomt God tot het schepsel neer te trekken.

Dit brengt ons vanzelf reeds tot de Heilige Schrift. God geeft zichzelf te kennen als de Schepper van hemel en aarde.

Daarin hebben wij dus een voorbeeld, dat ons begint aan te toonen, hoe God gekend wil zijn. Hij wil als onze Schepper en de Schepper des heelals gekend zijn en Hij wordt door het geloof alzoo gekend en geëerd.

Is dat nu een feilbaar getuigenis van eenig mensch, dat klakkeloos is nagevolgd door de profeten en apostelen, of is dit een onfeilbaar getuigenis ?

Men kan het ook anders stellen : Wat in de wereld hebben wij met God van doen, indien Hij niet de Schepper van hemel en aarde is ? Wat relatie zouden wij met Hem hebben en wat zou ons uitdrijven om Hem te kennen? Deze vragen doen reeds doorschemeren dat de vraag om de waarheid, d.i. om de waarheid te kennen, nog niet gelijk staat met de vraag naar God.

De waarheid, dat kan ook in een meer abstracten zin worden genomen. Wat is de waarheid aangaande God, d.i. aangaande die dingen, die de Schrift b.v. omtrent God beweert? Wat is de waarheid omtrent de schepping, het Schepper zijn van God ? Bestaat de wereld soms anders? Zou de kennis der waarheid misschien tot een heel ander inzicht komen dan hetwelk de Schrift ons voorstelt ? Zal de wereld misschien niet in een eeuwige wisseling der verschijnselen bestaan ?

Wie op zulk een wijze vraagt, is reeds aan God voorbij. Hij is reeds begonnen om ter wille van een waarheidsidee, welke hij stelt, het getuigenis der Schrift in kwestie te stellen.

Zoo staat het dus ook met de waarheid aan­gaande de religie. Wat is de waarheid der religie ? Waarin vindt zij haar oorsprong ? Wat is haar we­zen ? Nog eens, als de God der religie, die zich in de Schrift bekend heeft gemaakt, niet de Schepper der wereld is, en niet is, zooals Hij gekend wil zijn, mist men allen grond om van een betrekking tot dien God te spreken. Welke betrekking zich dan in de religie doet kennen en tot welk een wezen, dat God zou worden genoemd, is dan een duistere zaak. Dan moet men eerst de waarheid omtrent zulk een wezen en de daarmede bestaan­de betrekkingen uitvorschen. Het zal duidelijk zijn, dat hij, die om der wille der waarheid, die hem als een schim voor oogen zweeft, het getuigenis der Schrift in twijfel trekt, omdat hij dat aan ik weet niet, welke kennis der waarheid, wil toetsen, een groot vertrouwen aan het menschelijk verstand en aan zijn eigen rede moet toeschrijven.

Dat geeft weer een nieuw gezichtspunt. Want de Heilige Schrift spreekt ook over den mensch. Zij leert ons, dat de mensch naar Gods beeld werd geschapen. De mensch is een schepsel Gods. Dat heeft ook iets te zeggen omtrent zijn kenvermogen.

Immers dan zal de mensch kennen, overeenkomstig maat en wijze als God voor hem heeft bepaald.

De waarheid van alle dingen is geen andere dan wat Gode heeft behaagd te bepalen. De waarheid is Gods waarheid, ook in de bepalingen der dingen, zooals Hij die heeft geordineerd en bekend gemaakt door Zijn Woord en Geest.

Reeds daarom wordt de idee eener waarheid op zich zelf een hersenschim. De waarheid in alle dingen kan geen andere zijn dan wat in den Raad Gods daaromtrent is voorgenomen en wij zullen die derhalve slechts kunnen ken­nen in de vormen en gestalten, waarin God die te kennen wil geven.

Het behoeft geen betoog, dat wij zoomin van God zelf als aangaande den mensch en de gansche wereld geen andere kennis der waarheid zullen verkrijgen dan een schepselmatige. Dat wil zeggen op een wijze, naar een orde, en in een mate, welke door den Schepper wordt bepaald en geopenbaard.

Zoo zal ook alle waarachtige zelfkennis niet bestaan m gedachten of beschouwingen, die wij ons zelf aanmatigen, maar de ware kennis van den mensch zal overeenkomen met de wijze, waarop God den mensch wil gekend hennen. Men kan het ook anders zeggen : Niet wat de mensch aangaande zich zelf denkt, maar hoe God den mensch kent.

Immers, zooals God den mensch kent, zoo is de waarheid aangaande den mensch. De Schrift leert ons, hoe God den mensch kent en hoe Hij hem gekend wil hebben. God kent den mensch als Zijn schepsel en het voorwerp van Zijn bijzondere zorg.

God kent den mensch, zooals Hij hem schiep naar Zijn beeld.

God kent den mensch als een ongehoorzaam en wederstrevig schepsel.

God kent den mensch als een zondaar, die het leven derft, zijnde een voorwerp van Zijn toorn.

God kent den mensch in Christus Jezus, als een vat Zijner eeuwige barmhartigheid. Wij kunnen nog voortgaan, maar het is voldoende om de bedoeling duidelijk te maken.

Zooals God den mensch kent volgens Zijn Woord, zoo wil Hij, dat wij ons zelf kennen, omdat dit de waarheid aangaande den mensch is, zooals God die openbaart.

Aanvaardt men dat niet en wil men buiten de Schrift om de waarheid omtrent den mensch, dan zal men die waarheid bij den mensch zelf moeten zoeken, terwijl de Schrift verklaart, dat alle mensch leugenachtig is.

Men stelt alzoo zijn betrouwen op zichzelf, ofschoon God daartoe allen grond wegneemt. Wij laten het bij deze voorbeelden, hoewel er veel meer ware te noemen.

Ten aanzien van de genoemde punten aangaande de kennis van God en van den mensch moge gebleken zijn, dat de leer der onfeilbaarheid van Gods Woord niet alleen een stuk des geloofs, maar van een onverbrekelijk stuk des geloofs is.

Het gaat niet over een letter, een tekst of een schrijver, maar over de leer der Schrift in haar geheel, over de meest fundamenteele stukken, waarover zij geen dubbelzinnige dingen, maar goddelijke waarheden leert, die het menschelijk verstand te boven gaan.

Als de leer der apostelen en profeten aangaande God en den mensch geen waarachtig getuigenis Gods, maar menschelijke en dus feilbare gedachten zijn, dan is het gansche Evangelie een onverklaarbaar verzinsel, zonder eenige troost in leven en sterven. Men wil van den mensch uit de waarheid benaderen, zoo mogelijk kennen, welnu, het moet ook bij den mensch beginnen, d.w.z. het rechte verstand van de waarheid begint bij zelfkennis. De classieke wijsheid heeft dat reeds begrepen, maar zij heeft de zelfkennis niet gevonden. Wij hebben er trouwens op gewezen, dat de rechte zelfkennis tot de ontdekking komt, hoe God den mensch kent. Zulk een kennis komt niet uit den mensch op. Daarom zal men ervaren, wanneer iemand zich leert kennen in het licht, hetwelk Gods Woord over den mensch doet opgaan, dat hij ook leert verstaan, dat deze kennis niet uit den mensch is.

Het getuigenis des Heiligen Geestes begint te werken in zijn binnenste. Hij begint de Heilige Schrift als Gods Woord te verstaan en zijn hart gaat uit naar de beloften Gods in Christus. De hope wordt gevestigd, dat dezelfde Geest, die hem in de waarheid omtrent den mensch heeft geleid, hem ook in de verborgenheid der genade zal inleiden, waarvan de Schrift vervuld is.

Het merkwaardige is, dat zulk een mensch het goddelijk gezag der Heilige Schrift niet slechts erkent, maar met groote teederheid en met eerbied ontmoet. Zij is hem het levende Woord Gods geworden, omdat zij hem alles ontdekt heeft, wat hij heeft gedaan. Evenals de Samaritaansche vrouw riep : Hij heeft mij alles gezegd, wat ik gedaan heb, is deze niet de Christus ? Zoo kan zulk een zeggen : Is dat niet het levende Woord ?

Zoo werkt het getuigenis des harten, waarop de kerk zich beroept, als zij de Heilige Schrift als Gods onfeilbaar Woord belijdt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

De Waarheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's