MEDITATIE
Het twistende leem
„Wee dien, die met zijn Formeerder twist . . . . . .Jesaja 45 vers 9.
(Vervolg en slot).
En niet alleen twist de mensch met zijn God als Schepper, omdat Hij ons in een wereld vól ellende zet. Doch wanneer Hij tot Zijn volk komt als Verlosser, gaat voort dat morren van het twistend leem. Wij zijn niet beter dan het volk Israël. Toen de Heere, nu lang geduld, eindelijk Zijn volk tot straf voor hun zonden voerde in ballingschap, ontstond onder dit murmureerend, met God twistend volk, dit vreeselijk spreekwoord : „De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden !" D.w.z. : „De Heere laat óns boeten voor de zonden, die onze vaderen hebben bedreven !"
Doch nu zendt de Heere Zijn profeet uil om verlossing te prediken voor „de rest, die zich toekeert". Kores, de Koning van Perzië, zal den Babylonischen overheerscher nederslaan en Israël vrij maken. Kores is daarin slechts het werktuig in de hand des Heeren, Die Zijn rechterhand vat, om de volkeren voor zijn aangezicht neder te werpen ; Die de poorten van Babyion voor hem opent, die beroemde koperen poorten ; en Die de ijzeren grendels der sterke vestingen in stukken slaat. Hij heeft Kores verwekt. Hij zal al zijn wegen recht maken — en Kores, „hij zal Mijn stad (Jeruzalem) bouwen, en hij zal Mijn gevangenen loslaten, niet voor prijs, noch voor geschenk, zegt de Heere der heirscharen. Door zijn hand zal Ik u verlossen, uit louter genade, om niet !"
„Wat !? " zoo roept nu het twistend leem : „zal een heiden ons verlossen ? Zal Kores, die den waren God niet eens kent, waardig worden geacht om Israël te verlossen, in plaats dat wij, als weleer uit Egypte, worden uitgevoerd door Zijn sterken arm ? Wat doet de Heere nu ? Wat maakt Gij ? "
En die twist van het leem met zijn Formeerder is nog niet uitgestorven. Méér dan Kores is ons gegeven om onze Verlosser te zijn : Gods eigen Zoon. Hij zal de stad des Heeren bouwen, Hij zal al Zijn gevangenen loslaten, niet voor prijs, noch voor geschenk, zegt de Heere der heirscharen. Het zal zijn een verlossing uit louter genade, om niet, door de hand van Jezus van Nazareth, den Zone Davids.
„Wat !? " zoo roept nu het twistend leem : ..zal een Jood ons verlossen ? " Zal uit het Joodsche volk de zaligheid zijn ? "
En de Joden roepen : „Wat !? Kan uit Nazareth iets goeds voortkomen ? Zal onze Verlosser opstaan uit Galiléa der heidenen ? " En allen samen roepen : „Wat !? Zal een Gekruisigde, Die stierf als een Vervloekte, onze Verlosser zijn ? Wat maakt Gij nu, Heere God ? "
Vanwaar toch die eeuwige twist van den mensch met zijn Schepper ? Hoe kan toch de nietige mensch treden voor den Hoogen God als twistend leem voor zijn Formeerder ? Dat kan alleen, omdat (en zoolang) onze oogen niet hebben gezien den Koning, den HEERE der heirscharen, op Zijn hoogen en verheven troon, als de Heilige Israels ! Wanneer onze oogen Hem zien, dan zeggen wij : „Wee mij, want ik verga, dewijl ik onrein van lippen ben, en durfde twisten met mijn Schepper !" Dan zingen wij, met den dichter van Ps. 90 vs. 4 en 7 (berijmd) : „Door Uwen toorn vergaat ons kwijnend leven . . . . Wie kent Uw toorn, wie zijn geduchte krachten ? Wie vreest dien recht, geduchtste Macht der machten ? "
„Leer ons den tijd des levens kostlijk achten !" zoo zingt dezelfde dichter. Dat mocht wel elken dag gebeden worden in dezen tijd van groote levensmoeheid en van twisten met onzen Formeerder.
Wat zijn wij, in de gemeente, die naar den naam van Christus is genoemd, vaak vèr af van de schoone belijdenis : „Wij gelooven en belijden, dat de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus in Zijn wijsheid, liefde en goedheid alle dingen heeft geschapen. Al wat is, is Zijn eigendom. En wij, Zijn schepselen, zijn Hem verantwoording verschuldigd voor het leven, dat Hij ons door Zijn liefde heeft gegeven !"
Door Zijn liefde ! In Zijn wijsheid, liefde en goedheid ! En wij durven vragen : „Waaróm heeft de Heere ons geschapen, als dit leven niets is dan moeite en verdriet ? En waarom zouden wij kinderen voortbrengen, als zij hier niets vinden dan een wereld vol angst en ellende, en straks wellicht een eeuwige rampzaligheid ? "
Zulke vragen besterven ons op de lippen, als wij den Koning, den Heere der heirscharen, zien. Dan blijft er maar één vraag over : „Wie kent de sterkte Uws toorns, naardat Gij te vreezen zijt ? " En dan beseffen wij, dat die toorn gaat over ónze zonden, en dat wij ons Zijn toorn dubbel waardig gemaakt hebben, doordat wij boven al onze zonden nog deze vreeselijke zonde hebben toegedaan : dat wij, die niets zijn dan leem, durfden twisten met onzen Pottenbakker ; en dat wij, het werk Zijner handen, van onzen Formeerder durfden zeggen : „Hij verstaat het niet ! Wat maakt Gij ? Hij heeft geen handen ! De handen staan Hem verkeerd !"
Als wij Hem zien, den Heilige Israels, den eeuwigen God, dan roepen wij uit : „Wee mij, want ik verga, dewijl ik een mensch van onreine lippen ben, en woon temidden van een onrein volk — en nochtans mijn oogen hebben gezien den HEERE der heirscharen !"
Dan smeeken wij Hem : „Leer ons alzóó onze dagen tellen : wij worden zeventig jaar, als wij zéér sterk zijn tachtig jaar — en wij staan voor U, den eeuwigen God, Die was en Die is en Die zijn zal ; Die de eeuwen omspant en de eeuwigheid overziet, en Die alléén het doel van alle leven kent en bepaalt. Leer ons, menschen van één dag, onze dagen tellen, opdat wij een wijs hart bekomen, en ons niet langer een oordeel aanmeten over den Koning der eeuwen en Zijn ondoorgrondelijke wijsheid en liefde en goedheid. Keer weder, Heere: tot hoelang zal die gruwelijke zonde van het twistend leem heerschen in ons hart ? Keer weder, Heere ! Laat Uw gena ons met haar troost verrijken. En laat Uw werk aan Uwe knechten blijken. En het berouwe U over Uw knechten, die durfden twisten met hun Schepper en Formeerder !"
Hoe komt een mensch tot zulk een bede vol ootmoed en schuldbesef ? Wat antwoord heeft God hem gegeven, dat hij ophoudt te twisten met zijn God ?
Geen ander antwoord dan dit : „Wee dien, die met zijn Formeerder twist, gelijk een potscherf met aarden potscherven ; gelijk de ééne mensch twist met den ander, die evenals hij geformeerd is uit het leem der aarde.
Wee dien, die zich tegenover God den Heere, den Heilige Israels, stelt als tegenover een medemensch, die zijns gelijke is, en die hij ter verantwoording kan roepen. Zal ook het leem tot zijn Formeerder zeggen : Wat maakt Gij ? Of zal uw werk zeggen : Hij heeft geen handen ? Wee dien, die tot den vader zegt : Wat genereert gij ? en tot de vrouw, die zijn eigen moeder is : Wat baart gij ? "
God geeft geen rekenschap. Zelfs niet aan een man als Job, Zijn knecht : een man, oprecht en vroom. God vreezende en wijkende van het kwaad. Als Job, bij al zijn onverklaarbaar lijden, ook maar even neiging toont om den Heere rekenschap van al dat lijden te vragen, dan antwoordt de Heere Job uit een onweder en zegt „Gord nu als een man uw lendenen, zoo zal Ik u vragen, en onderricht gij Mij : Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde ? Waar waart gij, toen gij er nog niet waart ? Waar ligt de oorsprong van het leven — gij, die meent te moeten oordeelen over het doel van 't leven ? Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods ? Hebt gij ook maar uw eigen leven kunnen overzien van de overzijde, vanwaar uw Schepper alle leven overziet ? Waar is de weg, daar het licht woont ? En de duisternis, waar is hare plaats — gij, die meent te mogen oordeelen over de verhouding van licht en duisternis ? Gij wéét het immers, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn vele in getal — te oordeelen naar het oordeel, dat gij u aanmeet over Mijn eeuwig bestek ? "
Het antwoord van den Heere Formeerder bestaat uit duizend vragen, waarop de nietige mensch niet één antwoord weet ! Dit antwoord Gods klinkt als een lach des Heeren.
Die in den hemel woont, lacht over de dwaasheid van het leem, dat twist met zijn Formeerder. En Job antwoordt slechts, in diep schuldbesef : „Zie, ik ben te gering : wat zoude ik U antwoorden ? Ik leg mijn hand op mijn mond: éénmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden : of tweemaal, maar ik zal niet voortvaren !"
Neen, Iaat ons niet voortvaren met dat goddelooze twisten met onzen Formeerder. Laat ons de hand op den mond leggen. Want de HEERE is in Zijn heiligen Tempel : zwijg voor Zijn aangezicht, gij gansche aarde ! Laat ons zwijgend luisteren, laat ons aanbidden in het stof, als Hij spreekt en zegt :
„Ik ben de HEERE, en niemand meer, buiten Mij is geen God. Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent — opdat men wete, van den opgang der zon en van den ondergang, dat er buiten Mij niets is : Ik ben de HEERE, en niemand meer. Ik formeer het licht en schep de duisternis. Ik maak den vrede en schep het kwaad — Ik, de HEERE, doe al deze dingen !"
Dat wil niet zeggen, dat de Heere ook is de Schepper van de zonde en van de ongerechtigheid. Met „de duisternis" en „het kwaad" wordt hier niet bedoeld : zonde en ongerechtigheid, maar : jammer en ellende, straffen en plagen, onheilen en rampen, die den mensch om zijn zonde overkomen.
En als Hij de Schepper daarvan is, kan het dan waarlijk kwaad zijn voor Zijn kinderen ? Schept Hij dan niet de duisternis, om ons te leeren roepen om het licht ? Schept Hij dan niet het kwaad, om ons te leeren zoeken naar den vrede ? Doet Hij dan niet alle dingen medewerken ten goede dengenen, die Hem liefhebben ?
Ja, maar : die anderen dan ? Die Hem niet liefhebben, waarom heeft Hij die dan geschapen, als zij uitkomen in eeuwige duisternis en eeuwig kwaad ?
„Wee dien, die met zijn Formeerder twist !" Wee dien, die durft twisten met dien God, Die ons ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft. Wee dien, die durft twisten met dien God, Die uit het verloren menschelijk geslacht verlost een schare, die niemand tellen kan, en Die voor hen Zelf Zijn stad wil bouwen : het nieuwe Jeruzalem; en Die een Verlosser zond. Die Zijn gevangenen zal loslaten, niet voor geld, noch voor prijs, daar Hij betaalde met Zijn eigen dierbaar bloed !
Daar ligt de kiem van al dat twisten : dat wij niet verstaan het mysterie van het Kruis. Wij zien op al dat lijden, dat wij en heel de menschheid dragen moeten, en staren ons daarop blind — doch wij vergeten telkens te zien op dat lijden, dat Christus, onze God en Heiland, voor ons droeg.
Ja, maar : als Christus voor ons leed, het lijden voor ons droeg — waarom dan na Zijn verzoenend lijden aan het kruis nog al dat nameloos lijden, zelfs voor Zijn verlosten. „Wee dien, die - met zijn Formeerder twist!" Hij schiep de duisternis van Golgotha, Hij schiep het kwaad van het kruis van Christus. En uit dat kwaad en uit die duisternis ging óp de vraag van het meest namelooze lijden naar ziel en lichaam : „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten ? "
Doch Jezus Christus, de Rechtvaardige, Die niets onbehoorlijks had gedaan — Hij kreeg geen antwoord in dit leven. Het antwoord van den Heilige Israels kwam eerst op Paaschmorgen, toen Hij Christus opwekte uit de dooden.
En zouden wij, onrechtvaardigen, die in al ons lijden slechts ontvangen „waardig, hetgeen wij gedaan hebben" in ons twisten met God — zouden wij antwoord eischen in dit leven ? Zouden wij, ónrechtvaardigen, het wèl ontvangen, en de Rechtvaardige niet ? Zouden wij niet wachten op het antwoord, dat God geeft in dien grooten dag, als Hij ons opwekt uit de dooden ?
Dan zal ons wachten één van tweeën : licht of duisternis, vrede of kwaad. Want er zijn twee wegen — doch slechts één Weg tot het licht en tot den vrede. Die Weg is Hij, Die voor ons stierf : Die ónze duisternis doorworstelde en óns kwaad droeg.
Kiest u dan heden, Wien gij dienen wilt, welken weg gij betreden wilt. Nóg is het tijd om de duisternis en het kwaad te ontvlieden : door óp te houden met twisten en te luisteren naar Gods roepstem : „Zoekt den vrede, en jaagt dien na !"' Door te luisteren naar de liefelijke noodiging van Hem, Die voor Zichzelven geen antwoord kreeg, maar Die u toeroept : „Ik ben het licht der wereld : die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben !"
Wie luistert naar Zijn roepstem, zal éénmaal antwoord krijgen op al zijn vragen. In dien grooten en vreeselijken dag, waarop hij zal aanschouwen het eeuwige licht èn de eeuwige duisternis, den eeuwigen vrede èn het eeuwige kwaad — in dien dag zal God, de Heere, hem antwoord geven.
Want zijn oogen zullen aanschouwen den Koning, den Heilige Israels. En Hem kennende, gelijk wij door Hem gekend zijn, zal Hijzelf ons antwoord zijn. Geen ander antwoord zal er zijn, geen ander antwoord zullen wij noodig hebben, dan Zijn eeuwig, heilig en aanbiddelijk Wezen.
Dan zal voor eeuwig de lofzang opgaan van die schare, die niemand tellen kan, en die komen uit de groote verdrukking. En juichend zullen zij belijden :
„Gij zijt de HEERE en Niemand meer ! Buiten U is er geen God : Formeerder des lichts en Schepper der duisternis, Maker van den vrede en Schepper van het kwaad — Gij, HEERE, doet al deze dingen ! Hallelujah ! Amen !"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's