Uit de historie
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten
Onbegrijpelijke en droeve terugval der Galaten Vers 8-11.
Hoofdstuk IV.
Onbegrijpelijke en droeve terugval der Galaten Vers 8-11.
Vervolg vers 9.
Wanneer Paulus zegt : „welke gij weder van voren aan wilt dienen", dan voegt hij deze woorden aan het voorgaande toe, om te toonen, dat hij het heeft over hoogmoedige en vermetele huichelaars, die door de Wet zoeken gerechtvaardigd te worden.
Op een andere plaats noemt Paulus de Wet goed en heilig ; burgerlijk is zij dat, voorzoover zij de boosheid des menschen in toom houdt ; theologisch is de Wet goed en heilig, omdat zij de zonde vermeerdert en doet kennen.
Wie evenwel de Wet wil aangrijpen, om bij God gerechtigheid te erlangen, die weet niet wat hij zegt en doet. De Wet, die goed is, maakt zoo iemand tot een schadelijke en verderfelijke zaak voor zichzelf.
De apostel bestraft dus de Galaten, omdat zij opnieuw de Wet willen gaan dienen, die niet van zonde bevrijden, maar die alleen maar vermeerderen kan. Want wanneer een zondaar, die in zichzelf zwak en behoeftig is, door de Wet rechtvaardigheid zoekt, dan vindt hij ook niets anders dan zwakheid en armoede. Twee zieke menschen of arme bedelaars komen dan tezamen, die elkaar meer bezwaren dan verlichten.
Wij, die sterk zijn in Christus, willen gaarne de Wet dienen, maar niet een zwakke en armzalige Wet, maar een, die krachtig is en rijk in beteekenis. Dat wil zeggen : wij wenschen de Wet alleen uitwendig te dienen, en niet naar het gemoed.
De paus evenveel verlangt van ons, dat wij zijn wetten zullen nakomen, ten einde gerechtvaardigd te worden, hetwelk inhoudt, dat we de rechtvaardigheid niet verkrijgen, wanneer we zijn inzettingen niet houden. In het laatste geval zijn we volgens hem veroordeeld.
Bij den paus is de Wet dus een zwak en armzalig beginsel.
Op het woordje „dienen" komt het dus bij Paulus aan. Wij mogen volgens hem ons geweten niet gevangen geven onder de Wet. Ons gemoed moet vrij en boven de Wet verheven zijn. Want door Christus zijn we aan de Wet gestorven, en ook de Wet heeft door Hem geen beteekenis meer.
Gij onderhoudt dagen en maanden, en tijden en jaren. Vers 10.
Met deze woorden wijst de apostel duidelijk aan, wat de valsche apostelen geleerd hebben, namelijk, dat men dagen en maanden, en lijden en jaren moet houden.
Bijna alle uitleggers hebben deze woorden betrokken op heidensche gebruiken, maar de bedoeling van Paulus is, om te handelen over het houden van dagen en maanden, van tijden en jaren, naar de Wet van Mozes.
De Galaten hielden deze op aanwijzing der valsche apostelen, en zij waren in de meening gaan verkeeren, dat zij daardoor gerechtvaardigd konden worden.
In de geschriften van Mozes was den joden namelijk bevolen, dat men allerlei dagen moest onderhouden : den Sabbath ; de nieuwe manen; de maanden; de drie gezette hoogtijden, namelijk Paschen, Pinksteren en Loofhuttenfeest ; het jubeljaar, enz.
Al deze plechtigheden werden door de Galaten op bevel der valsche apostelen onderhouden, en men hield ze voor noodzakelijk ten opzichte der gerechtigheid.
Op deze gronden zegt de apostel, dat zij de genade en de christelijke vrijheid verloren hebben en weer tot de dienstbaarheid van zwakke en armzalige beginselen zijn weergekeerd.
Paulus daarentegen laat op geenerlei wijze toe, dat ons gemoed wordt gebonden door de wetten van Mozes. Overal bevrijdt hij de consciëntie daarvan.
Hij zegt elders bijvoorbeeld : „Dat niemand u oordeele in spijs en drank, of in het stuk des feestdags, of der nieuwe maan, of der Sabbathen".
En : „Ik zeg ulieden, zoo ge u laat besnijden, dat Christus u van geen nut zal zijn".
En Christus zelf spreekt in Lucas 17 vers 20 : „Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat", waarmede Hij zeggen wil, het Koninkrijk Gods bestaat niet in het uiterlijk houden der Wet.
Het gemoed des menschen mag dus niet bezwaard worden met allerlei wettische inzettingen en voorschriften, welke afkomstig zijn van een mensch.
Mogelijk zegt iemand : wanneer de Galaten zich bezondigd hebben door het houden van feestdagen e.d., waarom is het dan geen zonde, wanneer gij hetzelfde doet ?
Hierop antwoord ik : ook wij houden Paschen, den dag des Heeren, de geboorte van Christus, enz. Maar wij bezwaren daarmede 's menschen gemoed niet. Ook leeren wij niet, gelijk de valsche apostelen, alsmede de papisten, dat zij noodwendig zijn ter verkrijging van de gerechtigheid, enz.
Genoemde dagen houden wij, opdat het in de kerk ordelijk zal toegaan, zonder onrust en verwarring, en opdat de uitwendige eendracht niet verstoord worde, gelijk in de historie reeds meermalen geschied is.
Zoo heeft de roomsche paus Victor alle gemeenten in Azië in de ban gedaan, omdat zij het Paaschfeest op een ander tijdstip vierden, dan in de roomsche kerk gewoonte was.
Ireneüs heeft deze handelwijze berispt en afgekeurd, want het is de grootste dwaasheid, om wegens een dergelijke kleinigheid de oostersche gemeenten over te geven aan Satan.
Genoemde feesten worden door ons in hoofdzaak onderhouden, opdat de bediening des Woords in eere zal worden gehouden, en de menschen op die dagen bijeen zullen komen, om het Woord te hooren, de Sacramenten te gebruiken, en God te danken voor allerlei geestelijke en lichamelijke weldaden.
Ik voor mij geloof, dat onze vaderen in hoofdzaak om deze redenen den Zondag, het Paasch- en Pinksterfeest hebben ingesteld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's