NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen)
111)
Zelden werd met zooveel verlangen de morgen van een nieuwen dag verbeid als hier door dit tweetal. Daar was één lichtpunt : men was gedurende den nacht niet opgebeld.
Reeds vroeg stonden moeder en zoon weer voor de groote poort, waardoor zooveel lief en leed naar binnen ging, en wéér was het diezelfde vriendelijke Zuster, met haar innemend gelaat, die hen ontving. Ditmaal echter met meer glans in het oog dan den vorigen morgen, „'k Heb een goede tijding voor u", kwam zij. „Van nacht is de patiënt bij kennis gekomen, en hoewel zeer zwak, kan er met hem gesproken worden, 'k Heb hem van u verteld en gezegd, dat u straks weer zou komen".
„Goddank", was alles wat vrouw Santèma in den aanvang zeggen kon.
„En heeft hij ook gevraagd, hoe wij het te weten zijn gekomen, dat hij hier lag ? " — vroeg Tjerk.
„'t Was een van zijn eerste vragen".
„En toen hebt u hem verteld van Liesbet Paulussen, aan wier tegenwoordigheid wij het te danken hebben dat we zoo spoedig bericht kregen ? "
Hier zweeg Zuster Ina, en scheen met zichzélf in tweestrijd. „Neen, dat heb ik niet" — sprak zij eindelijk — „en het komt mij beslist wenschelijk voor, dat u dezen naam ook nog niet noemt. Later, als hij mag worden opgericht, is dit nog altijd vroeg genoeg".
Met een blik van verwondering keek men de verpleegster aan. Wat keek deze ernstig, en wat sprak zij geheimzinnig. Wat stak daar achter ? Waarom mocht Gabe niet weten, dat Liesbet hier woonde, te meer, waar hij immers met haar familie zoo goed was en hij met de arme weduwe Paulussen hlijkbaar zoo op had, dat hij haar nogal eens iets toeschikte en o.a. maakte, dat Melle op „Donia-state" aan den slag kwam. Een angstig vermoeden kwam bij vrouw Santema boven. Daar lag over 't leven van Liesbet een sluier en niemand in Zevenhuizen, dan misschien Ds Buitenveld, wist, wat er eigenlijk met haar was voorgevallen,
't Scheen wel alsof men op allerlei manier iets te verbergen had, inzonderheid voor hén. Zou het mogelijk zijn, dat Gabe, die bij nacht en ontij zoovéél op pad was, zonder dat iemand zijn gangen naging, er meer van kon weten ? Maar Zuster Ina gaf haar geen tijd tot nadenken. „Zal ik u maar voorgaan ? " vroeg zij.
Weer viel diezelfde gelijkenis met de dorpsgenoote op. „Precies Nienke", — fluisterde vrouw Santema, en keek naar Tjerk. Doch zij had deze woorden niet zóó zacht gesproken of het scherpe oor van de Zuster, gewend om acht te geven op de zwakste geluiden, ving ze op. Als van het weerlicht getroffen. Weef deze plotseling staan, terwijl haar het bloed uit het gelaat liep en met verheffing van stem vroeg zij : „Wat zegt u daar ? "
„O, niets bijzonders ; u herinnert ons telkens aan een meisje uit Zevenhuizen, dat wij zoo goed kennen".
„En hoe noemt u dat meisje ? " „Nienke".
„Nienke ? Wie is Nienke ? " klonk het hijgend als van een, die het antwoord van de lippen zocht te lezen.
Verwonderd keken moeder en zoon tot de Zuster op. Wat was het, dat deze kalme vrouw, zoo in alles het toonbeeld van rustige zelfbeheersching, plotseling in dezen toestand van heftige gemoedsbeweging bracht, waarbij zij zichzelf ternauwernood meester bleef ?
„Dat is de aangenomen dochter van baas Huitema, onzen dorpsschoenmaker", — zei vrouw Santema.
„En haar werkelijke naam ? Hoe heet zij van zichzelf ? Toe, zeg het mij ! Om Gods wil, zeg het mij !"
" Hoe is het ook weer ? " — vroeg de boerin geheel in de war.
Thans was het woord aan Tjerk. „Nienke Straatsma is haar naam, Zuster. Kent u haar misschien ? "
Een oogenblik scheen het de verpleegster te duizelen. Langzaam bracht zij de hand naar het hoofd, alsof zij een beeld uit het verleden voor de aandacht zocht te roepen. Toen zonk zij neer op een stoel. „Nienke", fluisterde zij, nauw hoorbaar. En toen opnieuw met haar wonderlijke kalmte, welke steeds bij allen, die met haar in aanraking kwamen, zulk een eigenaardige uitwerking had, maar thans zoo vreemd aandeed : „Ik zal haar vermoedelijk kennen, en óók méér dan dit".
Daarop brak zij in tranen uit.
Verbaasd en ontzet keken moeder en zoon elkander aan en dan weer naar die diep bedroefde vrouw, wier zieleleven plotseling door een simpele mededeeling zóó geschokt en gescheurd werd.
Werktuigelijk greep vrouw Santema naar haar tasch en (haalde een fleschje eau de cologne te voorschijn, waarmede zij zocht te kalmeeren. Doch te midden van dat alles tastte zij in raadselen. O, welk een morgen ! In haar hart brandde het verlangen om haar zoon te zien, en nu nog deze ontmoeting.
Waarom maakte de naam van Nienke op deze Zuster, hier in dit groote, verre Amsterdam, zulk een geweldigen indruk ?
Voor Tjerk was de verrassing niet minder groot, 't Ging hier immers over iemand, die hèm het allernaaste was ; met wie hij in voortdurende verbintenis stond, al was dat dan ook voor het publiek niet bekend ; die het middelpunt van zijn denken en vooral van zijn wenschen was. Nienke, die hij bij al het verzet, dat hij hierbij ondervond, steeds meer lief kreeg en die hem trouw beloofd had, als blijken mocht, dat Gods wil en weg met de begeerten van hun hart overeen kwam. Maar van wie hij óók wist, dat over haar verleden een sluier lag, dien zij zelf in de eerste plaats zoo gaarne zag weggenomen en waardoor zij altijd met een zekere schuchterheid zich in gezelschap van anderen bewoog. Zou het mogelijk zijn, dat hier in Amsterdam de oplossing komen kon van een levensgeheim, waarbij velen belang hadden en waardoor 't diepe verlangen van haar, die hij lief had, bevestigd worden kon ?
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's