De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NIENKE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NIENKE

FEUILLETON

5 minuten leestijd

VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN

(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 112)

Een haastige tred door de gang bracht allen tot bezinning. Als iemand, die zich op een groote fout betrapt had, sprak de Zuster opeens : „Vreeselijk, wat ben ik zelfzuchtig. Maar u moet het mij niet kwalijk nemen ; het kwam zoo onverwacht. Zeg aan niemand, wat wij hier beleefd hebben. Vanavond na 7 uur ben ik vrij, en zal u beiden graag ontvangen, om nader te spreken. En laat ik u nu bij uw zoon brengen".

Vlug werd het gelaat verfrischt ; de grijzende haren onder het hagelwitte mutsje gestreken en toen met denzelfden, veerkrachtigen tred van altijd vóór gegaan naar het lijdensbed, waar met ongeduld de komst van de familie werd verbeid.

Onafgebroken staarde de kranke naar de deur, tot eindelijk de gestalte van de moeder verscheen. Wat zag zij bleek en vermoeid ! Langzaam kwam de hand van onder het dek. 'n Paar groote tranen blonken in het oog van den jongen, forschen man, van wien men niet verwachten zou dat hij nog weenen kon. En over de bevende lippen kwam het enkele woord : „Moeder" !

HOOFDSTUK XIX.

„Ik heb gezondigd".

„Zuster Ina !" En nóg eens riep de directrice : „Zuster Ina !"

Dat was nog nooit gebeurd. Gedurende al den tijd, dat zij aan het hoofd dezer inrichting gestaan had, was Zuster Ina haar rechterhand en had nog nooit één minuut gemankeerd, maar vandaag scheen zij heelemaal in de war te zijn. „Weet jullie, wat Zuster Ina heeft ?  vroeg zij aan een der dienstdoende Zusters. Maar niemand, die dit wist. Dat er iets bijzonders met haar was, merkte elk. Haar blik, haar gang, de klank barer stem was anders dan gewoon. Soms scheen het, alsof een ongekende blijdschap haar hart vervulde, waardoor zij het wel uitjubelen kon, en zij op het punt leek te zijn aan anderen mede te deelen wat haar zoo in beslag nam ; dan weer verzonk zij plotseling in een diep zwijgen, of stond wezenloos te staren, met vergeten van alles wat rondom haar was. Neen, dat was Zuster Ina niet.

„Als daar maar geen ziekte achter zit", zei de directrice tot den dokter, toen zij dezen hielp voor het leggen van een verband in de plaats van haar, die zij tevergeefs geroepen had.

„Vreemd ; we zijn het niet van haar gewend ; maar kan het ook wezen, dat er iets is, dat haar heeft aangegrepen ? 't Is mij zoo opgevallen, dat zij zich zoo bijzonder interesseert voor dat geval op de mannenzaal, u weet wel, van dien jongen Fries, die in élk geval zijn eenen voet hier zal moeten achterlaten", was het antwoord van den geneesheer.

„Daar zegt u zoo wat. Een feit is het, dat zij zich meer dan anders van dat ongeval schijnt aan te trekken en opvallend druk zich met de familie van den patiënt bezig houdt. En natuurlijk, zij wordt een dagje ouder".

„Is zij ook een Friezin ? " „Aan haar naam te oordeelen, dan wél ; zij staat als Ina Straatsma ingeschreven. „Toch niets geen verband met Santema". „Maar dát kan daarom nog wel. Bovendien ligt er over heel haar persoonlijkheid iets geheimzinnigs".

Zoo spraken beiden met telkens onderbroken zinnen, onderwijl met vaardige hand de arbeid verricht werd en daarmede meteen de patiënte, die men onder handen had, eenige afleiding werd bezorgd.

Intusschen was Zuster Ina in niet minder druk gesprek met Liesbet. Op voorzichtige wijze had zij haar meegedeeld, dat Gabe Santema weer bij kennis en daardoor de kans op herstel vermeerderd was, al zou hij zijn geheele leven dan ook verder de herinnering aan dit ongeval houden, doch haar tevens gezegd, dat er wonderlijke verrassingen op komst waren. Gelijk dat immers in een menschenleven zoo zijn kan, vooral na 'n langen lijdensnacht vol angst en zorgen. Zij kon Liesbet aanstonds niet alles zeggen, daarvoor was haar hart te vol en óók was alles nog niet opgelost en tot klaarheid gekomen, doch een onverklaarbaar iets zei haar, dat er groote dingen stonden te gebeuren. Hierop haar vóór te bereiden, was het doel van dit vluchtig bezoek, daaraan toevoegend, dat zij Liesbet, 's avonds na afloop van de dagtaak, bij zich op haar kamer zou wachten. Opzettelijk verzweeg zij, dat vrouw Santema met haar zoon dan ook kwam.

Intusschen volgden dezen dag de gebeurtenissen elkander in toenemende snelheid op. Als bij een film, ging het eene tooneel na het andere in snel tempo voorbij, en nauw was het eene doorleefd of het andere kwam op.

Daar was voor vrouw Santema en Tjerk vooreerst het wederzien van Gabe, thans bij volkomen helderheid van geest. Blijdschap en smart, schuldbelijdenis en berouw, ze dongen hier beurtelings om den voorrang. Aan den eenen kant was het hart vervuld met dankbaarheid, dat dit jonge leven niet in het midden der dagen plotseling was afgesneden. Doch toen daarop werd medegedeeld hoe het verbrijzeld been was geamputeerd, was vrouw Santema in hartstochtelijk snikken uitgebroken. Nog nooit had men in de familie een invalide gehad, en nu de oudste zoon voor zijn geheele leven ongelukkig. Meermalen was op „Donia-State" de spot gedreven met iemand, die gebrekkig liep en dezen een scheldnaam gegeven ; nu zou hij, op wien de vader vooral zijn hoop en verwachting voor de toekomst bouwde, voor altijd tot dezen komen te behooren.

Doch te midden van deze droefheid was er ook nog een lichtpunt, waar vooral Tjerk haar indachtig op maakte. Wat nog nooit eerder bij den oudsten broeder was opgevallen, maar Gabe had schuld beleden. Hij had tegen moeder gezegd, wel overtuigd te zijn geweest, dat zijn leven in verkeerde richting ging, zonder echter de kracht te bezitten om zich los te rukken uit de strikken, waarin hij gevangen zat. Tot daar plotseling, op het Muntplein, die botsing kwam, die voor altoos hem verminkte, doch meteen den cirkel verbrak, waar binnen hij zijn leven ten verderve voelde gaan.

(Wordt Vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

NIENKE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's