MEDITATIE
Zie, ik kom (Advent)
Toen zeide ik : Zie, ik kom ; in de rol des boeks is van mij geschreven. Psalm 40 vers 8.
Wat beteekenen deze woorden in den mond van David, den dichter van dezen psalm ? In het verband spreekt hij van zijn uitredding, zeggende, dat de Heere hem uit een ruischenden kuil, uit modderig slijk opgehaald heeft en zijn voeten op een rotssteen gesteld heeft. Ook heeft hij zijn gangen vast gemaakt en een nieuw lied in zijn mond gegeven, een lofzang Gode. De ontvangen weldaad bepaalt hem bij de vele wonderen, die God aan de kerk gedaan heeft, te menigvuldig, dan dat David ze zou kunnen vertellen. Hij gevoelt echter den prikkel tot dankbaarheid. Wat zal hij den Heere vergelden voor al de weldaden, aan hem bewezen ? Het brengen van offers schijnt voor de hand te liggen voor den Israëliet. Maar dit kan David niet voldoen, want hij weet, dat dit God niet voldoet. „Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer ; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëischt". Zoo sprak ook Samuel eens tot Saul : „Heeft de Heere lust aan brandofferen en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des Heeren ? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen", 1 Sam. 15 : 22. Gehoorzamen beter dan slachtoffer ! David wist dit zoo goed als Samuel, want de Heere had hem de ooren doorboord. En zoo had hij dit opgemerkt. Hij kon hooren en nu wilde hij gehoorzamen ! Daarom zeide hij : Zie, ik kom. Met deze woorden stelde hij zich den Heere ten dienst. Dat is trouwens de ware dankbaarheid, ook voor den Christen, die begenadigd is in den Geliefde.
Maar wat bedoelt David verder met die woorden : in de rol des boeks is van mij geschreven ? Wij spreken niet meer van de boekrol, aangezien onze boeken geen rollen meer zijn, maar in de oudheid schreef men op aaneengehechte dierhuiden (perkament), die men oprolde. Over welke rol spreekt David nu echter ? Is het de rol, waarop God Zijn kinderen schrijft ? Dan wil hij dus getuigen, dat hij onder de ware dienaren Gods geteld wordt. Men moet echter eerder denken aan de Godsopenbaring, de rol der Wet, de thora. Blijkens Deut. 17 : 14—20 moest Israels koning een afschrift maken van de wet, die de priesters bewaarden, om de wet steeds bij zich te hebben, daarin te lezen, haar woorden te bewaren en haar inzettingen te doen, en zoo den Heere te vreezen. In plaats van te lezen : in de rol des boeks is van mij geschreven, vertaalt men dan : Zie, ik kom met de rol des hoeks, die mij is voorgeschreven ! of, waarin over mij is geschreven. David geeft daarmede dan te kennen, hoe gereed hij is tot des Heeren dienst. Hij heeft de wet in zijn hand, om zijn leven en regeering daarnaar te richten. Straks zegt hij, dat die wet ook in zijn hart, in zijn binnenst ingewand is !
Hoewel de woorden van den tekst op deze wijze wel te verklaren zijn, zoo nopen zij ons toch na te gaan, wat zij beteekenen in den mond van Hem, Die de Zoon en de Heere van David is, de Messias. Sommigen kennen aan onzen psalm een direct-Messiaansche beteekenis toe. Bijzonder de eerste helft, en daarin de verzen 7—9, moet als Messiaansch beschouwd worden, ook volgens velen, die den ganschen psalm niet als zoodanig kunnen aanmerken. Hetzij dan dat de woorden van onzen tekst rechtstreeks op den Messias zijn toe te passen en alléén van Hem zijn te verstaan, hetzij, dat zij eerst op David zien en vervolgens op Christus, we mogen ze beschouwen als door Hem gesproken. En wat beteekenen zij dan ? Dat leert ons de brief aan de Hebreen, waarin onze psalm wordt aangehaald : „Daarom, komende in de wereld, zegt Hij : Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid; brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd ; toen sprak ik : Zie, Ik kom (in 't begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God. Als Hij tevoren gezegd had : slachtoffer, en offerande, en brandoffers, en offer voor de zonde hebt Gij niet gewild, noch hebben U behaagd (dewelke naar de wet geofferd worden), toen sprak Hij : Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o 'God. Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen. Hebr. 10 : 5—9. De Heilige Geest legt hier de woorden van den tekst in den mond van Christus, Die in de volheid des tijds verschenen is in den Heere Jezus, en leert ons tevens, wanneer Hij gesproken heeft: Zie, Ik kom, n.l. toen Hij kwam in de wereld. Niet, dat Hij juist deze „woorden" gezegd heeft, maar Zijn komst in de wereld had deze beteekenis. Hij zeide dat door de daad van Zijn verschijning. De reden van Zijn komst lag in de krachteloosheid en 't onvermogen van de offers, die de eeuwen door naar de wet geofferd werden, tot verzoening der zonden. God had die offers niet gewild, alsof daarin eenige zoenkracht lag, maar alleen om de zonden bij Israël in gedachtenis te houden en als schaduw van het zoenoffer van Christus, want het was onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden zou wegnemen. Daarom zeide Gods Zoon : zie. Ik kom. Het was noodzakelijk, dat Hij kwam, zou de verzoening der zonde bewerkt worden door voldoening aan Gods eischende en wrekende gerechtigheid, (zie Zondag 5 van den Heidelb. Catech.), want het schepsel kon hier niet helpen. Maar zie hier dan de bereidheid van den Middelaar, Die daar zegt : Zie Ik kom ! Hij zou een meerdere offerande brengen dan de priesters van het Oude Verbond, het offer van Zijn leven ! En dit zou Hij doen door gehoorzaamheid aan den wil Gods, een dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid aan den wil des hevels en des besluits ! Hij komt om gehoorzaam te worden tot den dood, ja, den dood des Kruises ! Dat Hij dit wil, teekent Zijn onuitsprekelijke liefde tot de Zijnen. Hij wist, waartoe Hij kwam. En dit wilde Hij. En als Hij komt, kunnen de offers, die op Hem zagen, verdwijnen, want ze zijn in Hem, vervuld. Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen. Hier is 't beeld zelf der zaken en dus hebben de schaduwen afgedaan. Nu zal het bloed vloeien, dat reinigt van alle zonden. Nu wordt het offer gebracht, dat de Heere heeft gewild en dat Hem behaagt. En de gehoorzaamheid bewezen, die het offer is van het offer! Maar dan is Zijn offer ook genoeg om in eeuwigheid te volmaken degenen, die geheiligd worden.
In de rol des boeks is van Mij geschreven. In Davids dagen was deze rol nog niet zoover beschreven als thans. Misschien bevatte zij behalve de vijf boeken van Mozes, nog de boeken van Jozua, Richteren, Ruth en Job. Daarin was van Christus geschreven. Toen Hij in de wereld kwam, was echter het geheele Oude Testament voltooid en wanneer we deze boekrol raadplegen, vinden we daarin Zijn komst voorzegd en Zijn Persoon en werk beschreven. Het zou te ver voeren, alles op te sommen, maar het is zooals de Catechismus zegt in Zondag 6 : Het Evangelie is eersf geopenbaard in het Paradijs, daarna is het verkondigd door de patriarchen en profeten, daarenboven is het afgeschaduwd door de ceremoniën der wet, en ten slotte in Gods Zoon vervuld. Dus reeds in het begin des boeks is van Hem geschreven. Het Evangelie begint met Genesis 3 : 15. Hier, in de z.g. moederbelofte, wordt behalve van Zijn komst, ook van Zijn lijden gesproken in 't vermorzelen van Zijn verzenen. De beloften aan Abraham, Izaak en Jacob, zijn overbekend en daaronder is de voornaamste die van het Zaad, waarin al de geslachten der aarde gezegend zullen worden. Jacob sprak van Zijn komst op zijn sterfbed : totdat Silo komt ! Bileam profeteerde van de Ster uit Jacob. Mozes beloofde den grooten Profeet, Deut. 18 : 18 en 19. Behalve de profeten, de priesters en de koningen, die Hem in Zijn drievoudig ambt afschaduwden, zijn er nog vele andere voorbeelden van Hem te noemen, zoowel personen als zaken, als Adam, Abel, Henoch, Noach. enz. en behalve de offers, die reeds genoemd werden, de ark van Noach, de steenrots, die, geslagen zijnde, water gaf, het manna, de koperen slang, enz. In den tabernakel zag alles op Hem. Verder kan men wijzen op de besnijdenis, het pascha, de heiliging der eerstgeborenen, de goëls of lossers als schaduwen van Hem, Die de ware verlossing zou teweeg brengen. Buiten de boeken van Mozes ontmoeten we de Richters. Wel mag Davids Zoon dan in den psalm zeggen : in de rol des boeks is van Mij geschreven ! Dit geldt echter thans nog in veel sterker mate dan in dien tijd. Heel het Oude Testament is met Zijn Naam vervuld ! De lijdenstrek is niet vergeten. Lees slechts Jesaja 53 of Psalm 22 en 69. Hij is beschreven in Zijn naturen, ambten, staten en weldaden. Zijn Naam is Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst, Immanuël ! De rol des boeks is Zijn goddelijke geloofsbrief. Hij kan dien toonen en uitroepen : onderzoekt de Schriften, want die zijn het, die van Mij getuigen !
Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Zij hebben Hem niet herkend, en dus hebben zij Hem uit de rol des boeks niet gekend. Indien zij Hem gekend hadden, zouden zij den Heere der Heerlijkheid niet gekruisigd hebben. Geen kennis en daarom geen herkenning noch erkenning ! En toch beantwoordde Hij aan het beeld, dat de rol des hoeks teekende. Hij heeft de Mèssiaansche teekenen gedaan, nadat Hij op den voorzegden tijd en op de tevoren genoemde plaats verschenen was. Uit de menschen, uit Israël, uit Juda, uit Davids Huis gesproten, alles volgens de profetie. En toch niet gekend en niet aangenomen. Want Hij is als een Rijs je voor Gods aangezicht opgeschoten en als een wortel uit een dorre aarde. Hij had geen gedaante noch heerlijkheid. Als wij Hem aanzagen, zoo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Wat vóór Hem moest getuigen, getuigde tegen !
Zoo is het nog. De rol wordt gelezen, zelfs die van de vervulling. Zij wordt gepredikt op elken rustdag. De Christus wordt als voor de oogen geschilderd, gekruist zijnde. Hij zou komen. Hij is gekomen en heeft Zijn werk volbracht. Wie kent Hem ? Wie gelooft ook nu de prediking ? Hij alleen, aan wien de arm des Heeren wordt geopenbaard ! Die een arm en verloren zondaar is geworden door ontdekkende genade, heeft een Christus noodig, die om zijnentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat hij door Zijn armoede zou rijk worden. Een rijke Christus voor een armen zondaar. Tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Een algenoegzame Middelaar ! Zoovelen Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, n.l. die in Zijn Naam gelooven, welke uit God geboren zijn.
Hozanna den Zone Gods. Gezegend is Hij, Die tot ons komt in 's Heeren Naam.
Muiden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's