Adventstijd
Het kerkelijk jaar heeft zijn begin- en eindpunt niet met 1 Jan. en 31 December. Het loopt van adventstijd tot adventstijd. Dit jaar was derhalve de 23ste November de kerkelijke Oudejaarszondag. Een Zondag, welke ons de blik gerust eens terug mag doen werpen. In dat kerkelijk jaar heeft God ons nog omringd met Zijn zegeningen. Of is dit niet een onnaspeurlijke weldaad, dat Gods Gemeente er nog is. Dat de lamp Zijns Woords in deze landen nog niet is uitgebluscht. Ware Gods oordeel naar onze zonden over ons gekomen, het zoude met onze gemeenten gegaan zijn, zooals met zoo menige gemeente in voorbijgegane eeuwen. Gemeenten, waarin het bloed der martelaren gevloeid heeft, waarin het goud des geloofs door Gods ontferming zoo heerlijk heeft geschitterd, en zie, door ongeloof zijn deze gemeenten overweldigd, omdat het toebetrouwde pand niet is bewaard. Geleidelijk maar zeker is het eene geslacht na het andere afgegleden van de paden des Woords. Het geloof der vaderen is verloochend en de honderden en duizenden hebben de tegenwoordige wereld liefgekregen. En waarlijk, er is geen enkele oorzaak waarom wij ons ook maar eenigermate zouden verheffen. Terwijl God ons weerom leidde van de kribbe naar het kruis, en van het kruis naar het open graf, en van het open graf naar de berg van de hemelvaart en naar de uitstorting des Heiligen Geestes, is er, niettegenstaande dit alles, geweest een voorbijgaan aan en een verachten van de weldaden Gods, van het verlossingswerk van Christus. Om dit op te merken, behoeven we niet te gaan zien bij de „wereld". We kunnen helaas blijven binnen de muren der Kerk. Ook daar is zooveel leven buiten de gemeenschap met Christus. Waarbij dit het benauwende is, dat dit als heel gewoon en heel normaal wordt beschouwd en het niet gezien wordt als zonde voor God. Als er eens een tijding kwam, dat Christus Zijn offerande niet had gebracht, het zou voor velen geen ontzettende boodschap beteekenen. Het zou wellicht even wat opzien, zelfs nog wel eenige ontroering kunnen wekken, maar het zou helaas niet beteekenen het beroofd worden van alle ware levensinhoud, levensgrond en Levensdoel. Om de eenvoudige reden, dat de belijdenis van Paulus zelfs van verre niet wordt verstaan : Het leven is mij Christus en het sterven gewin. Is, ziende daarop, de lankmoedigheid Gods dan niet geweldig groot ? Hij heeft het jaar van het welbehagen nog niet beëindigd. Opnieuw heeft God ons een nieuw kerkelijk jaar doen binnentreden. Een jaar, dat begint met de adventstijd.
Het woord advent van adventus beteekent aankomst. En in het kerkelijk jaar is het de naam voor den tijd vóór het Kerstfeest. Met advent wordt derhalve bedoeld de komst of de aankomst van den Christus. Advent heeft dus betrekking op de geboorte van den Zaligmaker, maar strekt zich ook uit over een zekere „voorbereidingstijd". Terwijl we bij advent ook denken aan de wederkomst van den Christus op de wolken des hemels. Waarbij ook gewezen wordt op het voortdurend komen van Christus in de Gemeenten. In de Practische Theologie van Achelis lezen we, dat de adventstijd ontstond uit de verordening van Perpetuus van Tours in 480. Deze verordening schreef voor, dat de geloovigen van Martini (11 Nov.) tot Kerstmis iedere week driemaal zouden vasten. In Gallië was reeds in de 4de eeuw met het Kerstfeest een vastentijd verbonden.
Eerst in het eind van de 6de eeuw komt de Advent in den kerkelijken kalender voor. In de 11de eeuw werd de adventstijd beperkt tot vier Zondagen. De eerste viel dan tusschen 26 November en 4 December. In de Oostersche Kerk stelde men vier adventszondagen vast reeds in de 8ste eeuw, terwijl men dan begon op 14 November. In de 12de eeuw werden de vier adventszondagen (quatuor Dominicae annunciationes) beschouwd in verband met de drievoudige komst van Christus, n.l. Zijn komst in de wereld, ten gerichte, en ter opstanding. De vierde Zondag diende dan als voorbereiding voor Kerstmis. In de Roomsche Kerk is de adventstijd een tijd van halfvasten. In de Protestantsche Kerk een tijd van vreugdevolle verwachting. Johannes de Dooper treedt op als heraut. De verlossing wordt voltooid. Aan de Chr. Encyclopaedie ontleenen we nog het volgende. Evenals voor Paschen, was men in de Oude Kerk gewoon in de adventsdagen te vasten. Het „Gloria in excelsis" werd niet gezongen, terwijl velen er zelfs vóór waren om gedurende dien tijd de orgels het zwijgen op te leggen. Men hing violetkleurige doeken over altaren en schilderijen, ten teeken van kerkelijke rouw. Op den laatsten advents-Zondag werden daarvoor rosekleurige doeken in de plaats gehangen. Niet overal duurde de adventstijd even lang. Evenals voor het Paaschfeest, wilde men doorgaans 40 dagen van voorbereiding. In sommige landen (b.v. in Frankrijk) begon de adventstijd op 11 Nov. De Grieksche Kerk heeft deze gewoonte overgenomen. Over 't algemeen echter telde men vier advents-Zondagen, waaraan dan één Zondag als voorbereidings-Zondag voorafging. Officieel toegon de adventstijd op 30 Nov. Wat nu de Luthersche Kerk betreft, deze heeft terstond deze adventstijd overgenomen. Behalve het vasten dan. Hoewel ook in de Luthersche Kerk de gewoonte bestond om geen openbare vermakelijkheden te bezoeken.
Bij de Gereformeerden is dit wel wat anders. Over 't algemeen hebben deze geen enkel voorschrift van eenigen adventstijd. Het Woord wordt onder hen bediend naar de behoeften van de gemeente en den eisch des tijds. Op het gebied van den adventstijd zijn de Gereformeerden schuchter geweest, evenals op het gebied van kerkelijke feestdagen. Wel is hier onder de Gereformeerden onderscheid te bespeuren. In Duitschland n..l. hebben de Gereformeerden zich in het houden van den adventstijd dicht toij de Lutherschen aangesloten en in Engeland hebben de Gereformeerden (Episcopalen) zelfs het vasten gedurende den adventstijd behouden.
De schrijver van het artikel in de Chr. Ene. ziet er, op zichzelf genomen, in 't geheel geen bezwaar in om voor het Kerstfeest een adventstijd te hebben. Maar wèl wil hij, dat men dan enkele dingen goed in 't oog vatte : 1e. van vasten mag geen sprake wezen ; 2e. voor een tijd om dan te treuren is geen plaats in de Schriftuurlijke levensbeschouwing, maar 3e. is er veel voor te zeggen, om gedurende dien tijd het profetisch Woord met de gemeente te overdenken. Met dien verstande echter, dat niemand gebonden wordt om dit te doen. Onder de Gereformeerden is de dienst des Woords vrij en van een bindend kerkelijk jaar weten zij niet.
Hoewel wij inderdaad als Gereformeerden van geen bindend kerkelijk jaar weten, mogen wij wel aannemen, dat in alle Gereformeerde gemeenten vier „adventszondagen" zijn, waarop „adventsstoffen" worden behandeld. Hier is veel voor te zeggen. Terwijl we hierbij van geen Roomsch vasten of treuren willen weten. Wat echter niet zeggen wil, dat er geen reden tot vasten en treuren zoude zijn in den goeden zin des woords, in den Schriftuurlijken zin, zooals Calvijn daarover geschreven heeft in zijn Institutie. Wat hebben we gedaan met den aan de vaderen beloofden Verlosser ? We leven in den tijd tusschen de eerste en de tweede komst van Christus. Hoe wordt deze adventstijd gebruikt ? Hoe leven wij in deze „tusschentijd" ? In art. 37 van de Ned. Geloofsbelijdenis lezen we dat de Kerk van Christus de dag van 's Heeren wederkomst verwacht met een groot verlangen om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus, onzen Heere. Is er dat groot verlangen ? Is er het Gode welbehagelijk gebruiken van den tijd, dien God ons geeft ? De Heere, Die wederkomt, wil dat er gearbeid zal worden zoolang het dag is. Op velerlei wijze heeft de Christus daarop gewezen. Er mag geen werkelooze, luie Kerk zijn. Ze zal er ook niet zijn, omdat de Heere de Zijnen regeert door Zijn Woord en Geest. Daarom vermaant Hij ook de lendenen omgord te hebben en de kaarsen brandende. Er moet gewaakt worden. De talenten, die ontvangen werden, moeten niet worden begraven, maar ze moeten worden gebruikt. Zalig is die dienstknecht, dien de Heere, als Hij komt, zal vinden, alzoo doende. Dan is Zijn wederkomst een zaak van blijdschap, maar anders van verschrikking. In de adventstijd, tot de wederkomst van Christus, heeft de gemeente altijd ijverig te zijn in den dienst des Heeren. Het Woord moet worden uitgedragen in de Kerk en door de Kerk vèr buiten die Kerk. We moeten de heggen en de stegen in. Dwing ze om in te gaan. Predik het Evangelie aan alle creaturen. Deze ernstige roeping doe ons in diepe afhankelijkheid alles verwachten van Gods genade. We moeten eigen zieletoestand niet vergeten. Niet alleen naar anderen zien en eigen hart niet doorzoeken. Ook in dit opzicht hebben we te beginnen bij onszelf. Christus staat aan de deur van ons hart en Hij klopt. Hebben we Zijn stem reeds gehoord ? Hebben we Hem opengedaan ? Neen ? Nog klopt Hij . . .. . . . .
Ja ? Dan geven we Zijn vrije genade de eer, waardoor ons hart veranderd werd. Maar dan geen lauwheid. Dat is Gode niet aangenaam. Dan overvloedig in het werk des Heeren. Niet het minst op kerkelijk erf.
De roep weerklinke :
Hij komt, Hij komt om d' aard te richten, De wereld in gerechtigheid Al 't volk, daar 't wreed geweld moet zwichten Wordt in rechtmatigheid geleid.
Hij komt. De dag des gerichts komt, „en dan zullen de verborgenheden en geveinsdheden der menschen openbaarlijk voor allen ontdekt worden. En daarom is de gedachtenisse van dit oordeel met recht schrikkelijk en vervaarlijk voor de boozen.en goddeloozen en zeer wenschelijk en troostelijk voor de vromen en uitverkorenen". (Art. 37 Ned. Geloofsbelijdenis).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's