NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 113)
Toen was het Tjerk, die schoorvoetend de opmerking maakte, dat 't beter was, kreupel of verminkt, met één voet 't Koninkrijk Gods in te gaan, dan twee voeten hebbende, in het helsche vuur geworpen te worden. En dat woord had moeder en Gabe beiden stil gemaakt en vrede geschonken. Maar toen kwam het tweede tooneel. „Hoe ter wereld ben jullie in Zevenhuizen zoo vroeg gewaar geworden, dat ik hier lag ? " vroeg hij opeens, en zonder aan het waarschuwend woord van Zuster Ma te denken, zei vrouw Santema : „Door middel van Liesbet Paulussen".
Als een donderslag uit heldere lucht sloeg dit woord in. „Liesbet Paulussen", kreunde de patiënt, 't Zelfde oogenblik voelde vrouw Santema een misslag te hebben begaan.
„Liesbet Paulussen", herhaalde Gabe. En toen met iets buitengewoon smartelijks : „O, Liesbet !"
Nieuwe verbazing en ontsteltenis. „Hindert je die naam zoo, jongen ? Toe, zeg ons wat dit beteekent", drong zij aan. Maar het was alsof dit hem te machtig werd. Vermoeid sloot hij zijn oogen, terwijl andermaal over het ingezonken gelaat, dat tevens zoo de sporen van een losbandig leven droeg, de tranen liepen. Een angstig voorgevoel greep opeens de moeder aan. Aanstonds besefte ze, opnieuw te staan voor een onthulling, die niet anders dan verbijsterend kon zijn. Was het niet alsof al de baren en golven Gods over haar hoofd moesten, gaan ? „O, Heere ! ook dit nog" — snikte zij, als bij intuïtie aanvoelend wat er komen zou. Toch wenschte zij de waarheid te weten. Liever alles, dan deze pijnlijke onzekerheid, die het hart verscheurde. Zoodra het maar mogelijk was, boog zij zich andermaal over haar kind en vroeg, terwijl zij zijn hand vasthield : „Is er iets met Liesbet, jongen ? zeg het dan !". . . . .. . — En als bij den zoon uit de gelijkenis kwam het snikkend boven : „'k Heb gezondigd, moeder, en ben niet meer waard, dat je me uw kind noemt".
Toen was het alsof in de flinke, Friesche boerin, die onder alles door haar waardigheid als eigenares van „Donia-State" had bewaard en er trotsch op ging een afstammeling van het oude geslacht der Blanksma's te zijn, op wier wapenschild nog nooit een vlek gevallen was, iets brak. Weenend verborg zij haar gelaat in haar zakdoek en kromp ineen.
,,Stil maar, moeder", troostte Tjerk, „hier beneden kan alles nog goedkomen". Doch 't was alsof dit woord geen invloed op haar had. De ziel was al te ver neergebogen door smart, menschelijke vertroostingen vermochten haar niet te bereiken.
Een zachte hand op den neergebogen schouder deed haar langzaam opzien. Zuster Ina stond naast haar en begreep alles. „Die zijn zonde belijdt en laat, zal barmhartigheid geschieden", fluisterde zij, en toen met meer vastheid in haar stem, opdat haar woord óók zou doordringen tot in 't oor van den kranke:
Als een Herder wil Hij trouw, 't Schaap, in een woestijn aan 't dwalen, Daar 't zich zelf verliezen zou. Van den doolweg wederhalen. Brengen op de rechte baan, Jezus neemt de zondaars aan.
„Bent u hier met alles bekend, Zuster ? " — vroeg vrouw Santema, en toen deze hierop toestemmend knikte, liet zij zich andermaal door deze wegleiden, gelijk in een droom, als iemand, die zelf geen wil meer heeft. Daarop volgde de mededeeling van hetgeen de moeder van Gabe Santema weten moest. Thans was het tijd van spreken. Langer zwijgen zou trouwens gelijk staan met haar op de pijnbank te laten en vandaar de geheele onthulling. Hoe Liesbet Paulussen hier gekomen was, na maanden van angst en vertwijfeling doorworsteld te hebben, om de Zuster deelgenoot van het levensgeheim te maken ; hoe een brief naar Zevenhuizen onbeantwoord bleef ; hoe daarop de kleine geboren en tot op heden hier op de kinderzaal verpleegd werd ; hoe op haar verlangen Liesbet in de keuken van het Gasthuis een plaats gevonden had en in den tijd, dat zij hier was, de toegenegenheid van allen ontving, die met haar omgingen. Bovenal ook, hoe zij, in dezen diepen weg van zonde en leed, welke beide met elkander gepaard gaan, oog gekregen had voor de eeuwige dingen en meer dan ooit begeerte had God in gehoorzaamheid te dienen.
,,Maar dat het meisje in die omstandigheden nooit aan ons geschreven heeft !" kwam de moeder nog, „wij zouden in elk geval financieel geholpen hebben, zooals dat zeker vanaf heden onze plicht zal zijn".
„Dat is in overleg met mij gelaten", verklaarde Zuster Ina. „Geldelijke ondersteuning zonder meer, begeerde zij niet te ontvangen, zoolang het haar eenigszins mogelijk was, desnoods door harden arbeid, in eigen onderhoud en dat van haar kleine, die zij zoo lief heeft en gaarne dicht bij zich houdt, te voorzien. Verder laat de ware liefde zich koopen nóch verkoopen en waartoe uw familie bedroefd en geblameerd, wanneer hij, die hier schuldig staat, den moed mist en het karakter, om de gevolgen van zijn daad te aanvaarden".
Als een vlijmscherp mes kwamen deze laatste woorden over baar lippen en toch waren zij zoo waar.
,,'k Moet Liesbet spreken", was 't eenige, wat vrouw Santema er nog uit kon brengen.
,,'k Zal vanavond op mijn kamer kunnen gebeuren", was het antwoord.
Dit alles speelde zich in de vroege morgenuren af. Daarna werden vrouw Santema en Tjerk door de goede zorg van de Zuster in een bijzondere wachtkamer gebracht, waar zij vrij uit konden spreken, zonder door iemand lastig gevallen te worden.
„Hoe het in Zevenhuizen is", had moeder pas gezegd en de vrees er aan toegevoegd, dat Mini maar niet te veel mocht zijn geschrokken, toen Tjerk, wijzend naar den tuin, opeens zei : „Daar is zij, met vader !"
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's