De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Schrift en theologie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schrift en theologie

8 minuten leestijd

Wie zoo onvoorwaardelijk de belijdenis aangaande de Heilige Schrift aanvaardt, is bevangen door een zekere theologie, zoo zegt men. Dat is ook zoo. Iedere Schriftbeschouwing komt op uit een soort theologie, ook de beschouwingen eener meer of minder radicale critiek. Dat is volkomen juist. En als men daarmede wil zeggen : ziet, als gij theologisch anders dacht of anders geleerd waart, zoudt gij ook een andere Schriftbeschouwing hebben, dan is dat ook aannemelijk.

Maar deze en dergelijke stellingen zeggen niets, want deze beweringen werpt men niet den eenvoudigen en ongeleerden man tegen. Men brengt deze in discussie tegenover theologen, die zich van hun theologie bewust zijn en ook van die der anderen. Men heeft dus niet maar van doen met overgenomen leeringen en tradities, waarover men zich geen rekenschap heeft gegeven. En daarom zeggen die redeneeringen niets.

Op zichzelf is het een vraag, die de belangstelling waard is, hoe de een over God en de goddelijke dingen zoo geheel anders gelooft, aanneemt, denkt en redeneert dan de ander. Temeer, als men daaruit wil verklaren, hoe men zoo verschillende en tegengestelde beschouwing der Heilige Schrift kan hebben.

Hoe denkt gij over God ? Wat dunkt u van den Christus ? Het geldt hier geestelijke werkelijkheden, ver boven deze wereld verheven. Geestelijke werkelijkheden in het leven van den mensch.

Er wordt in de wereld over God gesproken. En er kan niet over God gesproken worden, als er niet besef en kennis van God is. Er kan geen kennis zijn, als God zich niet openbaart. Want hoe zouden wij Hem kennen, tenzij Hij zichzelf te kennen geeft ?

Al wat in deze wereld over God gesproken en geredeneerd wordt, moet ten slotte uitgaan van dingen, die ons geopenbaard zijn. Al wat zich aandient als theologie, en dan nemen wij dit allereerst in engeren zin, als kennis van God en redeneeren over God, vindt zijn oorsprong en aanleiding in het geopenbaarde Gods.

Wij willen daarmede niet beweerd hebben, dat al wat men over God spreekt geopenbaarde waarheid is en daarmede overeenkomt. Wij wijzen er alleen op, dat men niet kan spreken, zooals men spreekt, hetzij naar waarheid of niet, indien God zich niet te kennen gegeven had.

Men kan toch niet meenen, dat men God zou kunnen kennen tegen Zijn wil. Dat ware God van den troon rukken. Wie er een theologie op na houdt, die Gods souvereiniteit ook in Zijn mededeeling der goddelijke zelfkennis niet belijdt, kan dat eigenlijk geen theologie noemen.

Alle theologie, die eenigermate aan de waarheid verwant is, is voor die waarheid afhankelijk van Gods openbaring. En wanneer niet een iegelijk met dezelfde gave van geloof en Godskennis is bedeeld, heeft men ook daarin de souvereine genadebeschikking Gods te erkennen.

Achter de Schriftbeschouwing schuilt een theologie, zoo zegt men. Maar achter de theologie schuilt openbaring. De verschillende Schriftbeschouwing hangt alzoo weer samen met het geloof, waaruit men theologiseert, en dit is weer afhankelijk van zijn kennis der openbaring, waardoor zijn inzicht wordt bepaald.

De verschillende Schriftbeschouwingen hangen alzoo samen met de vraag der openbaring, omdat de theologie daarmede onmiddellijk verband houdt. In zijn Schriftbeschouwing verraadt iemand zijn geloof en inzicht in de openbaring.

En aangezien zijn theologie niet verder kan gaan dan zijn Godskennis, — voor zoover daarin waarheid mag schuilen — kan iemands waardeering van de Heilige Schrift niet verder gaan. Hij vindt daarin, wat met zijn Godskennis schijnt overeen te komen. Wat daarmede niet in overeenstemming schijnt te zijn, wordt op een of anderen grond verworpen.

Zoo wordt iemands Schriftbeschouwing inderdaad bepaald door zijn theologie, d.i. door zijn Godskennis voor zoover die naar waarheid is en wat hij daaraan verbindt.

Indien iemand op grond van het algemeen religieus besef wel aanneemt, dat er een God is, is dat op zichzelf een waarheidsmoment. Doch op dit enkele gevoelen of beseffen kan men begrippen omtrent de Godheid bouwen, die niet anders zijn dan hersenschimmen, welke met den waarachtigen God niets van doen hebben.

Vragen wij dan verder, welke gedachten omtrent den mensch, zijn bestaan in de wereld, omtrent de wereld zelf en de geschiedenis zich daaraan paren, dan komt men tot allerlei begrippen, die geerierlei overeenstemming vertoonen met de geopenbaarde dingen.

Aangezien de ware Godskennis aan de kennis van den mensch en deze aan de Godskennis zoo nauw verbonden zijn, kan het niet anders of wie zich aangaande God aan zijn menschelijke inbeelding kan overgeven, zal ook ten aanzien van den mensch geen klare kennis kunnen hebben. Hij ziet slechts aan wat voor oogen is en is aan zijn eigen verstand overgelaten om daarvan het zijne te denken.

Zoo iemand staat als een vreemdeling tegenover de Heilige Schrift en wat daarin naar zijn inzicht niet strookt met de ideeën, welke hij koestert, verklaart hij uit den mensch.

Hij vindt de Schrift primitief, niet op de hoogte aangaande zoovele dingen, waarvan hij meent betere en meer gegronde kennis te hebben. Zijn Schriftbeschouwing is echter niet het resultaat van zijn geleerdheid, maar van zijn gebrek aan geestelijk inzicht, hetwelk noodig is om de Schrift te verstaan.

Dit is nu één voorbeeld en wij zullen alle trappen van geloof en ongeloof niet achtervolgen om aan te toonen, dat er verband is tusschen geloof en Schriftbeschouwing. In de werkelijkheid nadert men met zijn persoonlijk geloof tot de Schrift en het is heel merkwaardig, maar zoo mogelijk tracht een ieder toch weer zijn geloof met de Schrift te bevestigen, ook al staat hij critisch tegenover haar. Daaruit moge blijken, dat men toch eigenlijk behoefte heeft aan vastigheid niet op eigen gezag, maar op gezag van het goddelijke zelf.

Het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Er is dan ook een innig contact tusschen openbaring en het persoonlijk geloof. Daarom is er verband tusschen theologie en Schriftbeschouwing. Het geloof is echter niet eener­lei. Daar is geloof en geloof. En aangezien de Schriftbeschouwing een stuk des geloofs is, en alle geloof niet het geloof der Schriften is, kan men ook verschillend tegenover de Heilige Schrift staan. Zoo is ook de Godskennis of theologie van dezen en genen niet van dezelfde soort, want de waarachtige kennis van God is een vrucht van denzelfden Geest, die de heilige mannen Gods heeft gedreven. Vandaar dat de belijdenis zegt : de Heilige Geest getuigt in onze harten, dat zij (deze Schriften) van God zijn.

Tot nog toe spraken wij slechts over het persoonlijk geloof en hoe men persoonlijk de Heilige Schrift waardeert. Wij hadden derhalve slechts met beschouwingen van personen van doen. Op die wijze zal men ook binnen de vergadering der kerk nog een verscheidenheid vinden. Ook het waarachtig geloof is niet tot eenzelfde kracht of eenzelfde mate van geestelijk inzicht en kennis gevorderd. Daar is ook in deze verscheidenheid van gave. Als ieder geloovige voor zich zelf ging spreken, zou het blijken, dat zij — bij den eerbied voor Gods Woord als geheel — niet allen en niet ten allen tijde de geestelijke kracht van alle Schriftgedeelten gelijkelijk gevoelen. Hoewel zij in de groote stukken ge meenschappelijk gelooven en belijden, zou toch blijken, als zij ieder naar eigen inzicht gingen theologiseeren, dat er ook nog wel onderscheid zou zijn.

Indien men daarop alleen het oog zou vestigen, zou de gansche rijkdom des geloofs in een veelheid van persoonlijke geloofslevens uiteengaan. Ieder zou een kerkje op zich zelf vormen en en slotte zou er van de kerk, waarvan de Schrift getuigt, niet veel meer over blijven.

Uit dien hoofde vergete men niet, dat de kerk der eeuwen de Heilige Schrift als Gods Woord en een werk van Zijn bijzondere zorg ontvangt en alzoo belijdt. Wil men zeggen, dat daarachter ook een theologie ligt, dan spreken wij dat niet tegen, indien men maar bedenkt, dat deze theologie uit de Godskennis der kerk opkomt, gelijk zij door Woord en Geest is geleerd, en het gemeenschappelijk bezit der kerk is.

Uit deze kennis is de belijdenis der kerk geboren, ook die aangaande de Heilige Schrift, en indien iemand volgens zijn theologisch inzicht beschouwingen aanhangt, welke met deze belijdenis niet overeenkomen, en de Schrift niet als zulk een werk Gods doen gelden, moge hij indachtig zijn, dat de Geest Gods de Geest der waarheid is, welke met Zijn eigen getuigenis niet in strijd kan zijn.

Het geloof der kerk is nog wat anders dan ien persoonlijke overtuiging. Wat anders ook in zijn persoonlijk geloofsleven overtuigd te zijn van de waarheid van het geloof der kerk. Vandaar de belijdenis : „niet zoozeer, omdat de kerk ze voor zoodanige houdt, maar de Heilige Geest getuigt in onze harten, dat zij van God zijn".

De kerk vindt ook zichzelf in de Heilige Schrift. Men kan niet zeggen, dat de Schrift uit de kerk is opgekomen, maar de Godsopenbaring en de openbaring der kerk gaan hand aan hand. Ook in de Schrift kan men de kerk als getuige Gods ontmoeten : „Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus". (Rom. 5 : 1).

Als God zich te kennen geeft, wordt Hij ook gekend, anderszins is openbaring geen openbaring. Daarom is de kerk bij de openbaring betrokken, want Hij wordt door de kerk gekend. De Godskennis der kerk staat in zoo nauwe betrekking tot het werk der openbaring, dat de Schriftbeschouwing van haar niet kan worden losgemaakt. Zij wortelen beide in het geloof, dat door den Heiligen Geest wordt gewekt.

Daarom wil de belijdenis dan ook, dat wij ons geloof op de Heilige Schrift gronden, daarnaar reguleeren en daarmede bevestigen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Schrift en theologie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's