De strijd beëindigd ?
De vele en velerlei „evangelisatie's", welke we in onze Ned. Herv. gemeenten hebben, wijzen op de verwarde, ongezonde, ja zondige kerkelijke toestand, waarin we ons bevinden. We worden er door gewezen op de ontwrichting van ons kerkelijk leven. Eene ontwrichting, welke zoó groot is, dat leden der Kerk gedwongen kunnen worden in een evangelisatie, of liever in een „noodkerk" het Woord Gods te doen prediken en beluisteren, omdat de officieele prediking in gebreke blijft het Woord uit te dragen naar de belijdenis der kerk zelf, en de officieele ambtsdragers de gemeente niet leiden en weiden naar het Getuigenis Gods en de belijdenis.
Wanneer het Woord des Konings en de belijdenis der Kerk ons lief zijn, dan kunnen wij in zulk een toestand onmogelijk berusten. Het zou verzaking zijn van eene dure roeping, zulks te doen. Tegen het verkeerde, het onwaarachtige, het dubbelzinnige, het met de Kerk strijdende, mag en moet worden getuigd.
En dit niet om eigen groepje als hoofddoel te zien, of eigen richting te sterken en zich daarin op te sluiten. Om voor onszelf heilige huisjes te gaan bouwen. Neen, maar dit moet geschieden terwille van Hem, die Zijn gemeente kocht met Zijn dierbaar bloed. Het gaat hier in geenen deele om wat geliefhebber van onszelf. Het is niet een bij-elkaar-groepen om in de week of des Zondags een „spreker" te laten komen, die we wel eens een keertje graag willen hooren. Allerminst.
De gehoorzaamheid aan Christus moet allesbeheerschend zijn. Wat de Heere Zelf eischt met betrekking tot het verkeeren in Zijn Huis, moet de harten vervullen. In dezen zin moet het gaan om 's Heeren wil, om Zijn Kerk, om het volk. Dit brengt vanzelf strijd met zich mede. Want we mogen toch niet in zelfgenoegzaamheid gaan neerzitten als het in onze kring of in onze gemeente nu wel goed gaat, terwijl we ons dan verder maar niets zouden aantrekken van de verkeerde kerkelijke toestand, waarin wij leven. We hebben juist op te komen tegen alles wat de zondige toestand bestendigt. We hebben op te komen tegen de verkeerde kerkelijke organisatie. Geen oogenblik mogen we deze met rust laten. Onafgebroken moet daartegen worden opgetrokken. Maar dat niet alléén. We hebben evenzeer en zeker niet minder op te komen tegen alle eigengerechtigheid en zelfgenoegzaamheid. Tegen alle doode rechtzinnigheid. Tegen alle laksheid en lauwheid. Tegen alles wat, in welke kerkelijke arbeid dan ook, in prediking, catechisatie, jeugdwerk, het zoeken van nieuwe wegen tot opbouw der Kerk, in strijd bevonden wordt met Gods getuigenis, zooals de Geest des Heeren dit de Kerk heeft geschonken en doen verstaan, zooals de Kerk in hare belijdenis haar geloof uitdrukt. En bevorderd moet worden, met alle kracht, al datgene, wat naar luid van 's Heeren Woord geschiedt en daarom strekken kan tot waarachtige opbouw Zijner gemeente in het allerheiligst geloof.
Nu kan het zijn, dat hiertoe ook behoort eene regeling, die plaatselijk tusschen een Kerkeraad en een Evangelisatie tot stand komt. Zoodat b.v. de voorganger van de Evangelisatie door den Kerkeraad wordt aangesteld, de diensten in de Evangelisatie tot gewone kerkdiensten worden gemaakt, enz.
Wanneer dit geschiedt zonder dat ook maar eenige beperking wordt opgelegd of aanvaard inzake het beginsel, kan zulk eene regeling uitstekend zijn.
We moeten ons echter nu voor een bepaald gevaar hoeden.
Wanneer zulk eene regeling is tot stand gekomen, dan kan men wel eens in de krant lezen, dat nu op die of die plaats gelukkig aan de kerkelijke strijd een einde is gekomen. Met een beetje goeden wil kunnen we wel begrijpen wat hier bedoeld wordt of in elk geval bedoeld moet worden. Vroeger was de Gereformeerde groep — om zoo maar uit te drukken — aangewezen op de Evangelisatie met den voorganger, terwijl nu de verzorging en leiding geheel in kerkelijke banen is gekomen. Daarvoor behoeft dan plaatselijk niet meer te worden gestreden. Zou men in dit geval echter willen zeggen, dat het nu, kerkelijk gezien, alles wel in orde is, dan zijn we 't daarmee in geenen deele eens, zooals ieder Herv. Geref. dat zal betuigen. Waren we het er wèl mee eens, dan zouden we toch voor een Kerkbegrip zijn, dat met het Woord Gods en de belijdenis in lijnrechten strijd is. We zouden dan tevreden zijn met een Kerk, of zelfs zulk een Kerk najagen, waarin geen sprake is van één geloof, van één prediking, maar waarin dingen verkondigd worden, welke door een diepe kloof van elkander zijn gescheiden. Zooals het nü inderdaad is. In meer dan één gemeente staan rechtzinnige en vrijzinnige predikanten. In dezelfde Kerk dus. Als dienaren van dezelfde Kerk. Terwijl de verkondiging, welke uitgedragen wordt door hen, niet dezelfde is. Niet alleen maar wat verschilt in bijzaken, maar in hoofdzaken. Zoodat bij behoud van ieders standpunt hierin geen overeenstemming mogelijk is. We zijn er dus waarlijk niet, als alles zoogenaamd maar kerkelijk is gemaakt. De uitwendige Zending, de inwendige Zending, de Jeugdarbeid enz. Het oog moet open blijven voor wat in de Kerk om rechtzetting schreeuwt. Duidelijk en krachtig moet in alle arbeid, welke verricht wordt, aangestuurd worden op een kerkelijk leven, dat gebonden is aan het Woord Gods, naar de belijdenis der Kerk zelf. Als dat niet geschiedt, als alle aangevatte arbeid dit zou laten liggen, hieraan niet zou toe durven of kunnen komen, dan gaan we met al dat „kerkelijk maken" niet vooruit, maar achteruit. Want dan moet alles uitgaan van een zieke Kerk, die zelf haar kwaal vanwege de velerlei arbeid en het schijnbaar succes zou gaan vergeten. Daarom zeggen we met nadruk : de strijd is nooit beëindigd, zoo lang we in dezen kerkdijken toestand, zoolang we onder deze organisatie zitten. We blijven eischen eene Kerkregeering naar de Schrift, waardoor het Gereformeerd kerkelijk leven kan worden geleid en bevorderd. Dit moet door steeds meerderen als heilige noodzaak worden verstaan.
Dit besef moet worden verlevendigd. Meer dan ooit willen we elkaar hierin opscherpen.
Het tegelijkertijd wetende, dat we de oogen hebben te slaan naar de bergen, vanwaar alleen onze hulp komen zal. Onweersprekelijk moeten we hiervoor de weg der verootmoediging op. Verootmoediging over allerlei ontrouw aan onze zijde. Over een zekere rust met betrekking tot hei zondige kerkelijke leven. Over veel eigengerechtigheid en zich vrijpleiten. We kunnen instemmen met wat Ds Touw schrijft in de kroniek van het October no. van „Onder eigen Vaandel" : „Geen vernietigender vonnis zou er over de Kerk geveld kunnen worden, dan de constateering : in de Kerk is alles bij 't oude gebleven ! Want wij moeten goed weten, dat dit niets minder zou beteekenen dan dat wij nog steeds niet tot waarachtige verootmoediging en waarachtige schuldbelijdenis willen komen. Dat zou tenslotte het verschrikkelijkst van alles kunnen zijn" „Wij willen wel luide roepen : de Kerk moet Kerk worden, — maar dat mag geen bindende beteekenis voor ons krijgen !"
En toch — zoo alleen zal het goed kunnen worden. Daarvoor moet de strijd worden gestreden. De Kerk moet Kerk worden, niet zooals deze of gene zulks begeert, maar naar Gods Woord, een pilaar en vastigheid der Waarheid, naar uitwijzen van haar eigen belijdenis. Dan zal er in de Kerk weer kunnen zijn het gebonden zijn met de banden Gods. Dat is de ware gebondenheid en de ware vrijheid tevens.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's