Gebed en belofte
In zijn Institutie wijst Calvijn er op, dat gebed en belofte zoo nauw aan elkander verbonden zijn.
En ieder, die bij ervaring iets afweet van waarachtig bidden, zal moeten toegeven dat gebed en belofte inderdaad moeilijk van elkander te scheiden zijn. Neem het pleiten op Gods beloften weg en van het gebed blijft er niets over. Want hoe zouden wij tot God durven naderen in het gebed, als Hij, om maar iets te noemen, niet beloofd had dat Hij om Christus' wil een toegenegen oor heeft voor ieder, die in ootmoed en besef van eigen onwaardigheid tot Hem nadert met zijn nooden en behoeften, naar ziel en lichaam beide.
Calvijn geeft treffende voorbeelden van het pleiten op Gods beloften. Hij wijst ons op het biddend pleiten van David, wanneer hij bidt : „Zie, Heere, Gij hebt Uw dienstknecht beloofd ; daarom vat Uw dienstknecht heden moed en heeft gevonden, wat hij voor Uw aanschijn kan bidden ; nu dan, Heere God, Gij zijt God en Uw woorden zullen waarheid zijn ; Gij hebt tot Uw knecht over deze weldaden gesproken ; begin dus en doe het".
En op een andere plaats had David : „Doe Uw knecht naar Uw Woord".
Gods beloften kunnen dus kracht aan het gebed geven; bewaren voor verflauwing; hoop geven voor de toekomst ; geloof geven om verder te gaan op den levensweg, vertrouwende, dat Hij, Die het gezegd heeft, het ook doen zal.
Wat echter niet zeggen wil, dat zulk leven op de belofte altijd even gemakkelijk is. Integendeel. De golven van bestrijding kunnen wel eens hoog opslaan, wanneer soms de werkelijkheid iets geheel anders laat zien, dan men op grond van de belofte zou verwachten. Wat kan zulk een ervaring vaak een geweldige strijd brengen, zoodat, wanneer God het niet verhoedt, het gebed wellicht plaats maakt voor murmureering.
Wanneer een oprecht geloovige een diepe, smartvolle weg door moet, dan zegt men wel eens oppervlakkig : „Zoo iemand kan het toch gemakkelijker dragen dan een wereldling, die onder dezelfde omstandigheden zou verkeeren, want hij heeft toch zijn God en zijn geloof, dat hem sterkte geeft".
Toch kan het meermalen voorkomen, dat zulk een geloovige het moeilijker heeft dan de wereldling. Waarom, vraagt ge ? Omdat het onder zulke omstandigheden kan gebeuren, dat hij behalve de moeilijkheid en het verdriet, dat hij met den wereldling gemeen heeft, bovendien (gelukkig niet altijd !) zijn God mist. Hem uit het oog kwijt is. Dan kan juist de belofte, waarop men vroeger bouwde, voor het gevoel alle kracht verloren hebben en bij wijze van spreken als los zand tusschen de vingers doorglijden.
Om een voorbeeld te noemen. David had deze belofte ontvangen in verband met zijn koningschap :
„'k Heb eens gezworen, zoo sprak God, „bij Mijn eigen heiligheid. Zoo Ik aan David lieg; zoo hem Mijn woord misleid' ! Zijn zaad zal eeuwig zijn, zijn troon zal eeuwig pralen, Zoo duurzaam als de zon, zoo glansrijk als haar stralen, Bevestigd als de maan en aan des hemels bogen Staat Mijn getuige trouw te schitt'ren in elks oogen".
Doch alles scheen voor David zoo geheel landers te loopen, ondanks alle belofte. En hij klaagt :
„Maar ach, mijn God, waar blijkt Uw trouw nu, waar Uw eer ? Gij stoot en werpt, vergramd, thans Uw gezalfde neer : Gij schijnt niet van 't verbond met Uwen knecht te weten".
Zulke momenten, zulke perioden in het leven zijn moeilijk, te moeilijker alnaar de ontvangen belofte zoo heerlijk was. Dan gaat het van binnen en van buiten, weerklinken : „Waar is God, op Wien ge bouwdet, en aan Wien g' uw zaak vertrouwde! ? ", óf : „Zou God Zijn gena vergeten, nooit : meer van ontferming weten ? "
In zulke tijden heeft een oprecht christen het oneindig veel. moeilijker dan een wereldling, ook al verkeeren ze uitwendig in dezelfde droevige omstandigheden.
Zulke tijden zijn als donkere tunnels. Maar — en daar zal God voor zorgen, want ondanks dat het misschien weleens anders lijkt. Hij is en blijft toch de Getrouwe — maar ook in de donkerste tunnel zal Gods belofte toch weer licht gaan uitstralen. Zoodat het geloofsoog weer gaat tintelen en vóór men 't vaak weet, is het oud vertrouwen weergekeerd. Omdat God nooit laat varen wat Zijn Hand begon. Dan houdt het murmureeren op en gaat waarschijnlijk over in de bekentenis : „'t Is goed voor mij verdrukt te zijn geweest", óf het wordt de belijdenis als vrucht van beleving, dat Gods genade genoeg is.
Dan worden Gods beloften in het vervolg met een ander oog bezien. Met èen oog, dat Gods tijd leert afwachten, want die gelooven, haasten niet. God doet immers dikwijls een afgesneden zaak. Zoodat wanneer wij zouden zeggen : „die belofte mist haar vervulling", dat God het toch nog zoo leidt, dat de vervulling van die belofte toch niet uitblijft. Vol verwondering en aanbidding moet dan getuigd worden : „het is van den Heere geschied en het is wonderlijk in onze oogen".
Gebed en belofte.
Eigenlijk is hetgeen we hierboven opmerkten, een gevolg van kleingeloof. Want wanneer de christen in het geloof alleen op de belofte en vooral op den Belover zou zien, dan zou hij evenals Petrus zelfs over de golven wandelen. Doch helaas wordt maar al te veel, evenals Petrus daarna, gelet op de golven en geluisterd naar de winden, wier macht men grooter acht dan de Almacht van Hem, op Wiens wenk het geruisch en geloei van golven en winden verstomt.
Gebed en belofte. Ze zijn onlosmakelijk aan elkander verbonden. En Gods beloften falen niet. Vandaar dat er geen betere grondslag voor het gebed is dan Gods beloften in Christus Jezus. Want zoovele beloften Gods als er zijn, zijn in Christus Jezus ja en amen ! Gebed en belofte.
Gebed. Mag ieder bidden ? Ja, want Calvijn spreekt zelfs over het gebod om te bidden. Belofte. Kan en mag ieder pleiten op Gods beloften ? M.a.w. : heeft iedereen een belofte om op te pleiten ? Weer is het antwoord bevestigend. Want juist het gebod, om te bidden, gaat gepaard met een belofte, n.l. : „bidt en u zal gegeven worden".
Ieder bidder mag dus, ook al weet hij nog niet met zekerheid dat hij behoort tot het bundélke der levenden, pleiten op de belofte : „bidt en u zal gegeven worden"., Niemand wordt uitgesloten, zegt Calvijn. „Alleen er moet aanwezig zijn oprechtheid des harten, mishagen aan onszelf, nederigheid en geloof, opdat onze huichelarij Gods Naam niet door een bedriegelijke aanroeping ontheilige. Dan zal de algoede Vader hen niet van Zich wijzen, die Hij niet slechts aanspoort tot Hem te komen, maar ook daartoe opwekt op alle mogelijke wijzen".
Het spreekt vanzelf, dat degenen, die mogen gelooven het eigendom van Christus te zijn, zich een rijker schat van beloften zien ontsloten dan degenen, welke die zekerheid nog missen. Wanneer Gods Geest getuigt met onzen geest dat wij kinderen Gods zijn, dan gelden alle beloften die in Gods Woord aan Zijn Kerk worden gegeven, ook ons persoonlijk.
„Zoo klimmen degenen, die des Heeren zijn", zegt Calvijn, „langs de trappen der beloften opwaarts, maar blijven toch smeekelingen in de vernedering van zichzelf". Over „Gebed en belofte" zouden boekdeelen te schrijven zijn. Of anders gezegd, daar wordt het gansche leven van Gods kinderen mede gevuld.
We hebben in het kort gezien, hoe de ware bidder leert pleiten op Gods beloften. Hoe die beloften hem gebedsstof en levenskracht kunnen schenken en het geloof, kunnen versterken.
Maar ook, hoe moeilijk het wel eens zijn kan, wanneer de werkelijkheid met de ontvangen belofte lijnrecht in strijd schijnt te zijn. Schijnt te zijn, omdat onze gezichtskrimg vaak zoo beperkt is, omdat wij slechts het gedeelte van den weg kunnen zien, dat vlak voor onzen voet ligt.
Doch zooals achter de branding de veilige haven ligt, zoo ligt ook dikwijls de vervulling der beloften achter een branding van bestrijding en worsteling. Want Gods belofte houdt ondanks alles stand. Immers daarvan geldt hetzelfde als wat er van Gods Woord in zijn het lied der Hervorming zingt :
Gods Woord houdt stand in eeuwigheid En zal geen duimbreed wijken I
Gods beloften zijn ja en amen in Christus Jezus.
Wel gaan de Zijnen, mede tengevolge van kleingeloof en zonde, vaak door duisternis en beproeving.
Wel betreden zij niet zelden een lijdensweg.
Maar hun Voorlooper en Voorbidder, Die eens het allerzwaarste deel van Zijn lijdensweg begon met het zingen van den lofzang. Hij zal den Zijnen zeker op hun lijdensweg ook Zijn psalmen leeren.
En al moeten ze dan, wanneer ze verkeeren in de diepe en donkere dalen van beproeving en kastijding, het eenerzijds belijden : Ik kan, o groote God, Uw raadselen niet ontvouwen, En mij blijft niets, dan in Uw wijsheid te vertrouwen. Ook waar die wijsheid in mysteriën verdwijnt. Ook waar zij 't arm verstand volslagen dwaasheid schijnt.
Anderzijds hooren we toch ook, wanneer de donkere dalen weer het licht mogen opvangen van Gods vriendelijk Aangezicht, hoe ze blijmoedig zingen :
Hoe zalig is het volk dat naar Uw klanken hoort"
en ze getuigen er zingend van hoe Gods macht hen schraagt in het lijden en dat Zijn onbezweken trouw hun val nooit zal gedoogen, maar Gods gerechtigheid hen naar Zijn Woord, in overeenstemming dus met Zijn belofte, zal verhoogen.
Zoo voert de weg van Gods Kerk alle eeuwen door (en ook Calvijn's Institutie legt daarvan getuigenis af) nu eens door donkere dalen, dan weer over lichtende hoogten. En de wandelaars op dien weg komen met iedere stap die ze daarop zetten, ook met iedere trede die ze doen in donkere dalen van bestrijding en beproeving, steeds nader tot de lichtstad Gods. Die stad, welke zij verwachten, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.
Dat is de stad der belofte. Dat is de stad huns gebeds. En zooals de ballingen in Babel hun gebeden opzonden, met het laangezicht gekeerd naar Jeruzalem, zoo reizen Gods pelgrims van alle tijden en van alle plaatsen biddend naar het Jeruzalem dat boven is, daarbij gesteund door den staf des geloofs en der beloften.
Die staf des geloofs en der beloften gaat oneindig ver uit boven den rietstaf, waarop de wereldling steunt. Hij moge dien rietstaf dan al omwinden met verguld papier, hij moge dien rietstaf waarop hij leunt al noemen : menschelijk weten en kunnen, kracht en macht — doch ondanks al dien schijn van groote woorden blijft hetgeen waarop hij zijn vertrouwen stelt, niets anders dan een rietstaf.
Trouwens, de mensch-zelf is slechts een denkend riet. Al moge dat denken dan al een hooge vlucht genomen hebben — al moge de mensch als het ware in zijn weten en kunnen voor niets meer staan (alleen moet men maar niet vragen, waar ons dit alles buiten God heen voert !) tóch, ondanks alle waanwijsheid en alle schijnvertoon van kracht en macht, weten en kunnen, blijft de mensch niet anders dan een riet.
Eens knakt het, vaak op het onverwachts. En dan, dan wenkt den wereldling en den schijnchristen geen lichtstad, maar een eeuwig vuur ; dan wacht hem geen heilstaat, maar een jammer staat ; dan gaat hij, op den jongsten Dag, misschien voor het eerst bidden. Doch dan zal er geen belofte meer zijn om op te pleiten. En een gebed zonder belofte, dat zal zeker blijken te zijn : een gebed zonder verhooring.
Hier op aarde heeft satan hen beloften gegeven en ze hebben ze onvoorwaardelijk geloofd. Het waren beloften, waarbij geen gebed, geen gevouwen handen, geen gebogen knieën, vooral geen verbroken hart van pas kwam. Aan de beloften van satan, die hen vaak verscheen als een engel des lichts, hadden zij genoeg.
Maar Gods Woord houdt stand ! Ook in dit opzicht, dat degenen die op Gods beloften niet willen leeren pleiten, die Zijn gebod om te bidden in den wind slaan, het zullen ervaren dat ze te doen krijgen met de vervulling van Gods bedreigingen.
Het kind der wereld ontvangt de vervulling van Gods bedreigingen.
Gods kind de vervulling van Gods beloften. Gebed en belofte. Het zijn de vleugelen waarmede Gods tortelduiven zich opheffen in de wijde luchten van Gods vrije genade, waarmede ze drijven op den wind des Geestes.
En door het geloof geleid, nemen ze koers, bij tijden door stormen en regenvlagen heen, koers naar Huis, waar ze in rijker glans dan van zilverwit en goud, eeuwig zullen pralen in Gods schoonheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's