Hoe is onze houding ?
Het is niet onverschillige hoe wij verkeeren in het midden der Gemeente. Hier zou veel ter sprake gebracht kunnen worden. De prediking des Woords, de bediening der Sacramenten, de catechisatie, het huisbezoek, enz. Zaken, die stuk voor stuk belangrijk genoeg zijn om ons ernstig af te vragen hoe wij daar tegenover staan. We willen nu meer in 't bizonder de aandacht vestigen op de organisatie der Kerk en wat daarmee samenhangt. Want die organisatie der Kerk is toch waarlijk geen onbelangrijke of onverschillige zaak. Hoe alles in de Kerk is ingericht, hoe de Gemeente wordt geregeerd, dat is van het hoogste belang juist omdat het de Kerk van Christus betreft. De „Kerkvorm" welke onder ons te vinden is, moet zijn naar den eisch des Heeren. Het zal ons bekend zijn, dat Calvijn zeker niet onverschillig stond tegenover de inrichting der Kerk. 't Is ook niet anders te verwachten van iemand, die hervormer door Gods genade in alles onderwerping eischte aan het gezag van het Woord van God. Wanneer op een bepaalde plaats menschen uitgeleid werden uit de Roomsche Kerk, dan moest ook onder hen een bepaalde orde tot stand komen. Hoe gewichtig Calvijn dit acht, blijkt uit een brief van hem „Aan de Evangelischen op de eilanden". (Zie W. de Zwart, Calvijn in het licht zijner brieven, bldz. 146 v.v.). In dit schrijven geeft de hervormer een bepaalde orde op kerkelijk gebied aan de geadresseerden.
Vóór alles moeten zij vlijtig zijn in het samenkomen, zoowel om gemeenschappelijk te bidden tot God, alsook om zich te laten onderrichten en vermanen door dengene en anderen, die God hen zal schenken en wien Hij de genade zal verleenen, hen te kunnen dienen. Ze moeten vervolgens den moed hebben zich af te scheiden van de afgoderij en van alle bijgeloof, dat strijdig is met den dienst van God en met de belijdenis, die alle christenen voor Hem afleggen, want daartoe zijn zij geroepen. Calvijn hecht aan het tot stand komen en handhaven van de reeds genoemde orde zooveel waarde, dat hij het bedienen der sacramenten hiervan laat afhangen.
Hij schrijft daarover letterlijk het volgende: „Wanneer God u mettertijd zulke vorderingen zal hebben laten maken, dat gij als het ware een kerkelijke gemeente geworden zijt, die de reeds genoemde orde handhaaft, en er een zeker getal menschen is, die vastbesloten zijn, zich van de heerschende misvorming der Kerk los te maken, dan kunt ge ook het gebruik der sacramenten invoeren. Toch zijn wij geenszins van meening, dat gij de viering van het Heilig Avondmaal moet overhaasten, maar oordeelen, dat gij wachten moet, totdat er een bepaalde orde onder u tot stand gekomen is. Het is inderdaad beter, u daarvan nog te onthouden, opdat gij er des te meer toe gebracht zult worden, te zoeken naar middelen, die u het waardig zullen maken.
Zooals wij u reeds gezegd hebben, moet ge u er eerst aan gewennen, in den Naam Gods samen te komen, en als het ware één lichaam te worden. En vervolgens moet ge u afscheiden van de afgoderij, die absoluut niet met de heilige dingen mag worden vermengd. Het zou zelfs een mensch niet geoorloofd zijn, u de sacramenten toe te dienen, wanneer hij u niet zou kunnen erkennen als een kudde van Jezus Christus, en er onder u niet iets van een Kerkvorm te vinden was".
Dit woord van den hervormer spreekt voor zichzelf. Met grooten ernst heeft hij steeds aandacht geschonken aan de organisatie en de regeering der Kerk. In den tijd der reformatie hebben onze vaderen, in het spoor van Calvijn, dit niet minder gedaan. De voorbereidingen tot en de vaststelling eener Kerkorde leggen daarvan een ondubbelzinnig getuigenis af.
Wie eenigermate met de geschiedenis op de hoogte is, weet dat al heel wat strijd gestreden is om het onschriftuurlijke bestuur, dat de Ned. Hervormde Kerk in 1816 heeft ontvangen, weg te krijgen en te vervangen door de Kerkorde, die is naar het Woord Gods en overeenstemt met het karakter der Kerk.
De Afscheiding, de Doleantie, de oprichting van de Confessioneele Vereeniging en van den Gereformeerden Bond, staan allen in 't nauwste verband met deze verkeerde organisatie en binden er, elk op zijn wijze, de strijd mee aan. Maar, wat denkt men dan ? Wat dacht Calvijn ? Wat dachten onze vaderen ? Dat het alles in het kerkelijk leven wel in orde was, als de organisatie der Kerk maar voor 100% goed was ? Natuurlijk niet. Men heeft wel degelijk geweten dat een op zichzelf goede orde het leven der Kerk niet is. Het leven der Kerk vloeit haar toe uit het Hoofd Christus. Hij is haar leven. En wanneer de Christus verzaakt wordt, wanneer Zijn getuigenis wordt verworpen, dan zal eene goede organisatie de Kerk niet redden. De geschiedenis bewijst dit. Reeds vóór 1816 was de Kerk in deze landen in diep verval. Dat moeten zij goed ter harte nemen, die nergens anders oog en hart voor hebben als voor een goede inrichting. Die als 't ware roepen : geef ons een goede organisatie, en de Kerk is gered. Maar die op „de vergadering der ware Christ-geloovigen" zoo goed als niet letten. Die het leven uit den Christus naar Gods Woord over 't hoofd zien. Maar anderzijds is het even verkeerd te doen alsof het dan met die Kerkregeering niet zoo nauw steekt. Wat de Heere in Zijn Woord vraagt, zal hier beslissen. Wat het karakter der Kerk zelve eischt, zal hier de doorslag geven. Waaruit volgt, dat iedere Kerkregeering, welke het leven der Kerk naar het Woord Gods belemmert, wèg moet. Wanneer een bepaalde Kerkorde zondige toestanden begeleidt, in stand houdt en daardoor versterkt, dan is dit in lijnrechte strijd met het Hoofd Christus. Zulks gaat tegen het gezag van den Christus in. Daarom is het ook voor ons geen bijkomstige zaak, hoe wij staan tegenover een bepaalde orde in de Kerk. Het lijkt wellicht overbodig dit meer te schrijven. Maar het is dit allerminst. Op dit punt heerscht nog veel nietweten en veel lauwheid. Vooral wanneer men in eigen gemeente met de gang van zaken wel zoo ongeveer tevreden is, wordt door memigeen aan de verkeerde organisatie niet eens gedacht. Hiertegen moet worden gewaarschuwd. Met zulk soort tevredenheid mogen wij geen vrede hebben. En toch — wat komt het zoo veelvuldig voor. Er wordt geen kerkelijke nood gevoeld. Er wordt geen smart gekend. Er wordt gedacht : we zijn in getal wat sterker dan eertijds
Dit moet alzoo onder ons niet zijn. We hebben elkaar te wijzen op wat verkeerd is. Op de synodale organisatie, die doorbroken moet worden, die weg moet. Om plaats te maken voor eene orde der Kerk, die bij de Kerk behooft. We moeten elkaar oproepen tot den strijd. We moeten dit goed verstaan. Geenszins vragen we om een bepaalde soort geestdrift, die alleen maar bestaat in vleeschelijke opwinding. Die zich nu eens bot kan vieren, omdat er wat verkeerds is, waarop men kan inhakken. Steek dan uw zwaard maar in de scheede. Neen, we moeten bidden en werken, waken en strijden, omdat de nood ons opgelegd is. Van Godswege. Om Zijnentwil. Ter wille van de Kerk en het volk. In ootmoed en gehoorzaamheid. Met de bede : Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal. Het Woord Gods moet macht hebben over onze harten. Er wordt in dezen tijd veel gesproken en geschreven over de taak der Kerk temidden van de groote gebeurtenissen van den tijd. De Kerk zal het Woord van haar Koning moeten brengen. Volkomen juist. Maar deze vraag wilden we toch wel stellen : Hoe zal een Kerk dat vermogen, wanneer in haar oog niet die kracht aanwezig is om een onschriftuurlijk bestuur af te schaffen ? Laat dit ons toch niet met rust laten. Laat lauwheid, onverschilligheid, maar laat ook verkeerde ijver verre van ons zijn. Laat er een buigen mogen komen in de Kerk onder het gezag van het Woord Gods alleen. Dan is er hope. Want dan zal er liefde zijn en een opkomen voor het gezag van Christus. Met als bron de ware godsvrucht, gewrocht door den Heiligen Geest.
Dan wordt het goede opbouw der Kerk. Voor alle dienaars ligt hier eene bizondere taak. Een taak, welke de Heere in Zijn genade ons nog wil geven.Gaarne willen we dit woord van Calvijn onderstreepen : „Dit is verder de eenige maaier om de Kerk op te bouwen, dat de dienaars zelf hun best doen om voor Christus zijn gezag te bewaren, dat niet anders ongeschonden kan blijven, dan wanneer Hem gelaten wordt, wat Hij van den Vader ontvangen heeft, namelijk dat Hij de eenige Meester der Kerk zij. Want van niemand anders, maar van Hem alleen is geschreven : „Hoort Hem". (Matth. 17 vs. 5). (Institutie Boek IV, Hfd-stuk VHI, § 2).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's