Het Koninkrijk Gods nabij
Het werk Gods staat niet stil. Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook. (Joh. 5 : 17) Spraken wij niet van de grondlegging, als wij even stil stonden bij de schepping der wereld ? De almachtige en eeuwige God heeft niet noodig van menschen gediend te worden. Hij werd niet door eenigen nooddrang gedreven om een wereld voort te brengen, of een Godsrijk te stichten, wijl Hij in Zijn heilige Drievuldigheid algenoegzaam bij Zichzelf bestaat.
Ook is Hij maar niet begonnen te scheppen naar het uitviel, want Zijn Raad zal bestaan in eeuwigheid. Uit de vrijmacht van Zijn wil heeft Hij het scheppende Woord gesproken. De Schrift leert ons geen God van toevalligheden. Hij weet, wat Hij doet, en zal Zijn werk voleinden naar Zijn eeuwig voornemen en al de heerlijkheid vervullen naar Zijn koninklijk bestel.
Daarom konden wij bij den uitgang van Zijn scheppende Woord spreken van grondlegging. Daarmede is op den voortgang van de toebereiding en openbaring van Zijn Koninkrijk gewezen en wordt het vergezicht geopend op de toekomst van Zijn Rijk.
Ook de zonde heeft dien voortgaag niet kunnen ophouden. Veeleer kwam God zelf naar den gevallen mensoh met de belofte der verlossing. Hij zelf ontstak het licht des Evangelies. Anders zou het ook geen Evangelie zijn. Want wie zou ons den vrede verkondigen, waarop wij mochten hopen, indien God niet zelf tot den gevallen mensch ware gekomen ?
Hij, die niet laat varen de werken, die Zijn hand begon, heeft niet opgehouden Zijn vaderlijke zorg over Zijn schepsel uit te strekken. Hij heeft de wereld niet overgegeven om in een wis verderf haar ondergang te vinden. Want Hij heeft geen lust in den dood des zondaars, maar daarin, dat hij zich bekeere en leve. Zijn zorgende hand zou ook niet toelaten, dat zij zonder einde in een tooneel van strijd en verwarring zou verkeeren. Neen, Gods bemoeienis met een verzondigde wereld is op zich zelf reeds een grond der hope voor een betere toekomst. Hij komt tot haar om het Zijne te zoeken. En alles, wat Hij zich voorgenomen heeft, is het Zijne.
Zoo hebben de ontfermingen Gods haar grond en oorsprong in Hem zelf, n.l. in Zijn eeuwig Welbehagen. Dat Welbehagen is gericht op de openbaring van Zijn Koninkrijk, waarin voor den mensch een bevoorrechte en hooge plaats is voorgenomen. De Heilige Schrift gewaagt van een koninklijk priesterdom en een priesterlijk Koninkrijk. Zij zullen met Hem zitten op Zijn troon.
Welk een afstand tusschen den verloren mensch en deze hemelsche werkelijkheid ? Hoe ver liggen die twee uit elkander : een zondaar, die niet anders verdiend heeft dan Gods rechtvaardigen toorn, en een Koningskind in het Rijk van den eeuwigen Vrede, een huisgenoot van den eenigen en waarachtigen God, een inwoner van de heilige stad, waar God woont in Zijn levenden tempel, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen ?
En toch, het Koninkrijk Gods is nabij gekomen, want God heeft zich voorgenomen alle dingen wederom tot één te vergaderen, wat in den hemel en op de aarde is. (Ef. 1 : 10). Alles weder tot één vergaderen, en dat niet als een opeengedrongen hoop van tegenstrijdigheden, niet als een gistende en in zich zelf verdeelde massa, maar als een herschapen wereld, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont, vervuld van de heerlijkheid Gods en van een vrede, die alle verstand te boven gaat.
Dat is het werk, hetwelk Hij zich heeft voorgenomen in Christus te vervullen. De apostel Paulus heeft daarin een blik gehad, bij het licht van de openbaring in Christus Jezus. Hij hoort in het zuchten der wereld de geboortesmarten van de nieuwigheid des levens en de profetie der hope, die zich uitstrekt naar den eeuwigen dageraad (Rom. 8 : 22).
Het Koninkrijk Gods nabij gekomen. Het Evangelie van Bethlehem. Ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal, n.l. dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids. En dit zal u het teeken zijn : Gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe. (Lukas 2).
In Hem alle dingen wederom tot één vergaderen. De vleeschwording des Woords geeft getuigenis van dit goddelijk werk. De Zone Gods in het vleesch. Geworden uit een vrouw, geworden onder de Wet, naar de gelijkheid des zondigen vleesches. De menschelijke natuur, die gezondigd had, met Zijn goddelijke natuur vereenigd in eenigheid van de Persoon van den eenigen Zoon des Allerhoogsten. Dat is een bijeenvergadering van wat door de zonde uiteengeslagen was, een openbaring van een goddelijken weg, die den menschen te wonderlijk is. Op dien Christus bouwt God Zijn Koninkrijk. In dien Verlosser en Middelaar zal Hij ook al Zijn voornemen vervullen omtrent een volk, dat Hij zich geheiligd heeft, een volk tot Zijn lof bereid. En dat uit dien gevallen mensch.
De zonde heeft den mensoh uit de heerlijkheid van het Koninkrijk uitgestooten en hem van zijn Schepper en Weldoener vervreemd. Zij heeft scheiding gebracht tusschen den mensch en God. En zou de mensch wederom met Hem verzoend worden, zoo moest de ongerechtigheid uitgewischt, de scheiding opgeheven, het afgedrevene wederom nabij gebracht als een wrakstuk opgehaald uit de zee.
Den zondaar tot God brengen, die te rein is van oogen, dan dat Hij het kwade kan zien. Hoe zou hij voor zijn Rechter verschijnen en leven ?
Maar Hij, die machtig is het leven te geven, is ook machtig het leven te hernieuwen. Hemel en aarde zijn geworden door het Woord Zijner kracht. Dat Woord is ook machtig om een verdorven natuur tot nieuwe levensopenbaring te roepen en te reinigen van ongerechtigheid. En Hij heeft in Zijn Christus niet alleen openbaar gemaakt, dat Hij dat doen kan, maar ook dat Hij het doen wil. Hetgeen verborgen was in Zijn eeuwig voornemen, heeft Hij in Christus geopenbaard en vervuld. Weliswaar hebben de discipelen de verborgenheid van het Koninkrijk Gods nog niet verstaan, toen zij vraagden : Zult Gij in dezen tijd het Koninrkijk weder oprichten ? Doch zij hebben toch wel het besef gehad, dat de Messias was de Gezalfde des Heeren, die kwam om Zijn Koninkrijk op te richten. En na dien hebben zij beter verstaan, dat Zijn Rijk niet is van deze wereld. Hoe vaak heeft Christus over Zijn Koninkrijk gesproken ? Dat is hun alles klaar geworden na de uitstorting van den Heiligen Geest, die hen in alle waarheid zou leiden en geleid heeft.
Zij hebben een diep inzicht gekregen in den staat der zonde, waarin de wereld verkeert, zoodat de mensch zonder God in de wereld vervreemd is van het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid. Hij heeft geen vrede bij God. Zij hebben een open oog gekregen voor de scheiding tusschen den mensch, die een slaaf is der zonde, en den eenigen en waarachtigen God. De ellende der wereld hebben zij gepeild bij het geestelijk licht, dat daarover opging. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen. In die duisternis en de ongerechtigheid wordt de toorn Gods over de zonde openbaar.
Ook in deze kennis is het Koninkrijk Gods nabij gekomen. Want in de ontdekking der duisternis is een werking des lichts. Het licht ontdekt de duisternis en het verjaagt de duisternis.
Ik ben het Licht der wereld, zoo had de Christus gesproken en zij hebben Zijn Woord bewaard. Toen zij nog met Hem waren, hebben zij daarvan de eerste glansen waargenomen, zoodat zij later, als de kracht des Heiligen Geestes daarover gegaan was, met groote blijdschap getuigen : Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, vol van genade en waarheid,
Genade en waarheid. God heeft Zijn eeniggeboren Zoon gegeven. Hij is gekomen om de wereld te behouden. In de gelijkheid des zondigen vleesches. Dat is genade. Dat getuigt van een eeuwige ontferming, van gedachten des Vredes, van verzoening. Zulk een barmhartigheid roemt tegen het oordeel.
Het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Het Woord is vleesch geworden en het heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd.
Het Koninkrijk Gods komt met genade en waarheid. Daarom komt het niet met een openbaar gelaat, want God heeft lust tot waarheid in het binnenste. Oprecht zult gij zijn den Heere.
Hij kwam Zijn Koninkrijk weder oprichten in den weg van lijden en sterven, van opstanding en vernieuwing des levens. Toen het geschiedde, hebben de discipelen het niet verstaan, doch Zijn woorden zijn Geest en leven geworden, toen het alles geschied was en zij den Heiligen Geest ontvangen hadden. Zoo hebben zij Zijn Woord verstaan en overgeleverd aan de kerk der eeuwen. Achter dit alles stond de hemelsche Hoogepriester, die voor hen gebeden heeft en voor degenen, die door hun woord in Hem gelooven zouden.
Het Koninkrijk Gods nabij gekomen. Predikt het Evangelie aan alle creaturen. Zij zijn uilgetrokken met de boodschap des Konings en tot den laatsten dag zullen zij vergaderd worden uit de geslachten der wereld, die door hun woord, het woord der apostelen, in Hem gelooven zullen.
De Vader heeft den Zoon Zijn Woord gegeven, de Zoon gaf het aan degenen, die Hem van den Vader gegeven waren, en deze hebben het ontvangen en bewaard, om het over te geven aan de kerk der eeuwen. Het is het Woord des Evangelies, het Woord van het Koninkrijk Gods. (Vgl. Joh. 17).
Het is nabij gekomen in Christus, in Wien het Zijn goddelijk fundament heeft, nabij in de openbaring Zijner kerk, die Zijn Woord bewaart, nabij in de uitstorting van den Heiligen Geest, die in alle waarheid leidt. Nabijgekomen in de inwoning van den Heiligen Geest en de nieuwigheid des levens door de kracht der wedergeboorte. Het Woord Gods is nooit zonder den Geest, omdat de Geest het uit den Christus neemt, en Woord en Geest saamwerken om den wil des Vaders te doen. En het is de Wil des Vaders ulieden het Koninkrijk te geven.
Kinderen des lichts, kinderen des Koninkrijks, zoo worden de uitverkorenen Gods genoemd. In menschen een welbehagen. De Heere vergadert zich een volk tot Zijn Koninkrijk. Hetgeen voorheen verborgen was, heeft Hij in Christus geopenbaard, opdat Hij in de volheid des tijds wederom alle dingen tot één zou vergaderen, beide dat in den hemel en op de aarde was.
In dat werk heeft Hij zulk een ondoorgrondelijke weldaad aan den mensch willen schenken, hoewel deze een eeuwig oordeel verdiend heeft. Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geens menschen hart is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben.
Zoo is er dan geen verdoemenis meer voor degenen, die in Christus Jezus zijn. (Rom. 8:1). Door alle eeuwen heen worden zij vergaderd. En nog altoos is het waarheid : het Koninkrijk Gods verschijnt niet met uiterlijk gelaat. Het is geestelijk en het wordt in het verborgene vervuld, maar het werkt voort onder de heerschappij van zijn Koning en Zijn vaderlijke zorg gaat daarover tot den dag Zijner toekomst.
Het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Dat heteekent niet alleen, dat hetgeen zoo verre van ons was, door Christus naderbij is gebracht, omdat het in Hem ons mensch-zijn raakt, maar het doelt op den voortgang naar de volheid van alles, wat in het Koninkrijk Gods is weggelegd, waarin God zal zijo alles in allen.
Daartoe zullen ook alle dingen medewerken, omdat zij alle in Zijn hand zijn. Mij is gegeven alle macht in den hemel en op aarde. (Matth. 28 : 18). Ik heb de wereld overwonnen. (Joh. 16 : 33).
Het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Van nu aan zult gij Mij zien komende op de wolken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1941
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's