De Zaligmaker
Ik verkondig u groote blijdschap. De Zaligmaker is geboren. Christus, de Heere, in de stad Davids.
Een machtige boodschap kwam tot de herders in de stille nacht van Efratha, machtig niet alleen vanwege den hemelschen luister der Godsgezanten, die de eenvodige lieden omstraalde, doch machtig vanwege het gebeuren zelf, n.l. dat u heden geboren is de Zaligmaker.
Dat woord houdt niet op van zijn goddelijke kracht en waarheid te getuigen, want als morgen over de geheele wereld de gemeente des Heeren vergaderd is in de bedehuizen, hoort zij niet slechts het woord, dat geschied is, als een nagalm uit een ver verleden, maar het komt tot haar als een kracht Gods tot zaligheid.
De Zaligmaker — men kan ook lezen : Heiland, zeker ook een schriftuurlijk, een profetisch woord, en een zinvol woord. Heiland, heelmeester, heeler, die saambrengt, wat gebroken ligt, die den blinde het gezicht geeft, den kranke geneest, den kreupele doet gaan, wat krom en verdraaid is recht maakt, ja wat den dood onderworpen is, het leven geeft.
De Zaligmaker is een Heiland, een Redder, de Heiland en de Redder der wereld. Hij zocht he't verlorene. Hij vergadert het afgedrevene. Hij verlost van een wis verderf, Hij redt uit allen nood, geestelijken, zedelijken en lichamelijken nood .
Zonder twijfel hebben deze namen een goeden en schriftuurlijken zin. Velen zullen van oordeel zijn, dat zij zelfs meer voor de hand liggen, misschien zelfs meer sprekend zijn voor de menschen dan het woord Zaligmaker.
Sprekend zijn ze zonder twijfel. Ook het heidendom heeft de verwachting van een Redder der wereld, een Heiland aangegrepen en gekoesterd.
Vanwaar die verwachting kwam, waar zij haar oorsprong heeft genomen ! De onderzoeker der historie blijft ons het antwoord schuldig. Hij kan slechts aantoonen, dat onder de volkeren der oudheid zulk een verwachting leefde en velerlei gedachten aangaande een Redder of Heilbrenger werden gevormd.
De Heilige Schrift laat ons niet zonder antwoord. God zelf is de eerste geweest, die dit licht heeft ontstoken. (Gen. 3 : 15). Ook dat woord was een woord van goddelijke kracht en macht, zoodat het ook bij de afgedoolden zijn werking nog vertoonde in de verwachtingen van een wereldredder, die komen zou.
Het is daarmede als met alle woorden Gods, die uit het oudste huisgezin werden medegedragen de wereld in. Zij zijn verijdeld geworden in den nacht der zonde, omstrengeld met menschelijke voorstellingen en verzinsels, waarmede de menschen hun afgoderijen hebben versierd. Deze aangroeisels hebben de waarheid bedekt en ten ondergehouden.
Wij dragen den schat in aarden vaten. Dat geldt van de kerk, maar dat geldt ook van de geheele wereld ten aanzien van het zaad der religie, dat in allen is gelegd. Wat anders kan dat zaad der religie zijn dan het Woord Gods. Calvijn spreekt van het zaad der religie. Denken wij aan de gelijkenis van den zaaier, dan vinden wij, dat dit niet anders dan het Woord kan zijn, hetwelk God in den akker der wereld heeft gezaaid. De doornen der wereld hebben het verstikt en overwoekerd.
Dringt men door die overwoekering heen, dan zal men ontdekken, dat alles wat nog een glimp van de goddelijke Waarheid vertoont, een afschemering is van goddelijke openbaring. Zoo is dat ook met de heidensche verwachtingen omtrent een heilbrenger en wereldredder.
Dat is niet zonder beteekenis voor den zin en inhoud, die men aan deze woorden verbindt.
Zij zijn gevuld met aardsche voorstellingen van heil en geluk, zij begeeren een hemel op aarde, of verwachten een aardsche volmaaktheid zonder ellende, de smartlooze vervulling van alles, wat men op aarde begeerlijk acht.
Het behoeft niet gezegd, dat de profetische zin van de woorden Heiland, Redder, Verlosser, een geheel eigene, verhevene, geestelijke is. Ook al kan men hiertegen aanvoeren, dat de profeten vaak aardsche beelden aanwenden om het heil te teekenen, en dat velen in Israël een aardschen heilstaat verwacht hebben, is het duidelijk genoeg, dat het Koninkrijk der hemelen geestelijk is.
Daarom hebben de reformatoren niet zonder goede reden van Zaligmaker, zaligheid, gelukzalig gesproken. De Zaligmaker der wereld is geboren. Het is een vertolking van de geestelijke sfeer, waarin de Schrift ons binnenleidt.
De verwachting van een wereldredder en heilbrenger wordt op een goddelijke wijze vervuld in dezen Zaligmaker.
De goddelijke, verborgenheid van dezen Zaligmaker zou het voor de herders zonder meer niet mogelijk hebben gemaakt Hem te ontdekken. Dit zal u een teeken zijn : „gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe".
Wie zou zoo iets verwacht hebben ? Wie zou Hem daar hebben gezocht ? Zonder deze aanwijzing van den hemelbode, zouden zij aan de kribbe voorbijgegaan zijn, gansch Bethlehem in rep en roer hebben gebracht om uit te vinden, waar de Heiland zou kunnen zijn, en Hem wellicht niet gevonden hebben. De koninklijke titels, door de profeten dezen Messias toegeschreven, zouden hen op een dwaalspoor hebben gebracht en — eenvoudig als zij waren — wellicht ook in verlegenheid ! Doch nu wisten zij, dat zij Hem in de nederige gestalte zouden vinden, waarvan de engel had gesproken. Die herders zijn als een beeld van de armen van geest, de eenvoudigen, die God wil gadeslaan.
In doeken gewonden.
Op zich zelf is het niet vreemd, dat een pas geboren kind wordt ingewikkeld. Maar daarom treft het, dat het er bij staat. Het eeft iets te zeggen. En dat wordt niet uitgeput door hen, die gereed staan om hierin vooral een zekere armoede te teekenen. Men wijst dan op de zorgen, die den jonggeborene in een vorstelijk paleis omringen, op het voorrecht an zoo menigen zuigeling boven dit Kindeke.
De Schrift is echter zeer sober aangaande de uiterlijke verschijning van den Messias. Aangaande Zijn kleeding wordt bij de kribbe en bij het kruis gesproken.
Welk een beeld der needrigheid : de eeuige Zone Gods als een kindeke in doeken gebonden en liggende in de kribbe.
Dit laatste heeft de herders het meest getroffen : liggende in de kribbe. (Zie Lukas 2 VS. 16). Dat het in doeken gewonden was, wordt hier niet meer herhaald. Zij vonden Maria en Jozef en het Kindeke, liggende in de ribbe. Zij begonnen te spreken en werden op un beurt goddelijke boodschappers voor allen, die het hoorden.
En wat zullen zij dan gezegd hebben ?
Zij hebben getuigd van dit Kindeke : deze is de Zaligmaker, de Gezalfde.
Hoe weet gij dat ?
Wij waren in het veld en een engel heeft het ons gezegd.
Dit Kindeke, hier in doeken gewonden, de Christus ?
Ja, dit Kindeke in doeken gewonden. Want dat is het teeken. Zoo zult gij het vinden.
Allen, die het hoorden, verwonderden zich, maar Maria bewaarde deze woorden, overleggende die in haar hart.
Verwonderen of bewaren. Ziedaar een verschillende houding bij de kribbe.
Zoo is het nog altijd. De herders kwamen vertellen, wat de hemel hun verkondigd had. Dat doen de herders nog altijd. Dat doen zij morgen op den Kerstdag ook.
Allen, die het hooren, verwonderen zich en ommigen bewaren hetgeen zij hooren, overleggende dit in hun hart.
Nog altijd spreken de herders, niet alleen de herders van Bethlehem, maar ook de herders der gemeente. Nog altijd getuigen zij van dezen Christus, die als een Kindeke lag in de kribbe, van het Woord, dat geschied is. En alles wat zij van Hem getuigen, van Zijn prediking, Zijn lijden en sterven, Zijn opstanding en hemelvaart, het voert altijd weer terug naar het Kindeke, in doeken gewonden en liggende in de kribbe. Het Woord is vleesch geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, de heerlijkheid van den Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.
De herders konden getuigen van de heerlijkheid van het Kind, want de engel had het hun verkondigd en zij geloofden, want zij gingen.
Zij, die het hoorden, verwonderden zich. Zij zagen een Kindeke, in doeken gewikkeld. Hetgeen voor de herders een goddelijk teeken was, was voor de omstanders een belemmering.
Zoo is het nog altijd.
De Christus wandelt op aarde in het kleed van het Evangelie. En Hij wordt ontdekt door degenen, die Hem daarin zoeken, omdat zij door goddelijken drang gedreven worden. En zij vinden Hem en gelooven. Christus in het kleed van het Evangelie, ingewikkeld in de windselen van menschelijke taal en schrift. Voor velen is dit een belemmering. Zij vinden wel vele wonderlijke en onverklaarbare dingen, maar den Zaligmaker vinden zij niet.
Dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids. Het woord Zaligmaker is wel zeer typeerend in de Statenvertaling. Het vertoltk den diepen geestelijken zin. Ook de Catechismus vraagt: waarom wordt Hij Jezus, d.i. Zaligmaker genoemd. Omdat Hij ons zalig maakt en van onze zonden verlost.
De wereld zucht onder den last der zonde. Daarin ligt de oorzaak van haar ellende en strijd. Zij kan geen heil verwachten dan door de verlossing der zonde en de vernieuwing des levens.
Doch hoe zal de wereld naar zulk een verlossing uitzien, wijl zij zonder goddelijke ontdekking zelfs geen kennis der zonde heeft en niet weet, wat zonde is ? Eerst in de kennis der zonde gaat het licht over onze ellende op en wordt het hart ontvankelijk voor de genade Gods. In de kennis der zonde vindv de mensch zich schuldig voor den eenigen en waarachtigen God, van Wiens goedertierenheid hij nochtans in alle dingen afhankelijk is en in Wiens genadige ontferming alleen genezing en het leven te zoeken en te vinden is. En dat niet alleen voor den tijd, maar voor de eeuwigheid.
Wat is uw eenige troost, beide in leven en sterven ? zoo vangt de Catechismus aan. Dat ik met lichaam en ziel niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die met Zijn dierbaar bloed voor al mijne zonden volkomenlijk betaald en uit alle geweld des duivels verlost heeft, en mij alzoo bewaart, dat zonder den wil mijns hemelschen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet . . . . . zoo luidt het antwoord.
Zulk een Zaligmaker nu, heeft de hemelsche Vader ons in Christus geschonken. Die Zaligmaker is te Bethlehem geboren en buiten Hem is geen zaligheid te zoeken of te vinden. Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's