MEDITATIE
het lied der engelen!
En van stonde aan was daar met den engel een menigte des hemelschen heirlegers, prijzende God en zeggende : eere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de menschen een welbehagen. Lukas 2 vers 13 en 14.
De Zaligmaker van arme zondaren had in Bethlehem's stal het levenslicht aanschouwd, In schamele doeken gewonden, lag Hij neder in de kribbe. Zijn arme moeder lag op het stroo en de schuchtere Jozef stond er bij. De wanden van den stal, waarin Hij nederlag, kon Hij niet eens de zijne noemen.
Geen priester, geen Leviet naderde den stal om daar binnen te treden en den geboren Koning eer te bewijzen. Geen van de machtigen der aarde kwam den pas geboren Koning begroeten.
Toch kon het niet anders, of de roem van het Kindeke moest alom worden verkondigd. Als de aarde het niet doet, dan zal de hemel het doen.
In de velden van Bethlehem Efratha hielden herders de nachtwacht bij hunne kudde. Het waren Godvreezende herders. Ze behoorden niet bij de partij van de Farizeen en ook niet bij de partij van de Sadduceërs. Maar wel behoorden ze tot die weinigen, die de vertroosting Israels verwachtten.
Aan deze eenvoudige, arme zondaren, zou het eerst de blijmare des heils worden gebracht. Misschien hebben ze in de nachtwake wel het aloude profetische woord overdacht, hetwelk sprak van Zijn komst.
Op het onverwachts scheurt het wolkenfloers. De hemel daalt af op de aarde. Een hemelsche boodschapper, omstraald met het hemelsche licht, verschijnt aan den hemel om aan verlorenen de meest blijde boodschap te brengen : „Vreest niet, want zie, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal, namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids. En dit zal u het teeken zijn, "gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe".
Bij het woord mag de zang niet ontbreken. Geen dienst des Woords zonder liturgie ! Van stonde aan was daar met den engel een menigte des hemelschen heirlegers om den lof van het Kindeke te bezingen.
Het is wel waar, dat in dat lied de naam, van dat Kindeke wel niet woordelijk wordt bezongen. Maar na de aankondiging van Zijne geboorte door den engel was dit ook niet noodig. Ge behoeft het lied der engelen maar even nader te overdenken en het wordt u onmiddellijk duidelijk, dat het ook in dit lied gaat om den Christus.
„Eere zij God in de hoogste hemelen", ziedaar de eerste groote gedachte in het schoone engelenlied.
Als ik dat lees, denk ik aan den grooten reformator van Geneve, Johannes Calvijn. In de werken van dezen grooten denker gaat het steeds om de eere Gods.
Neen, lezers, gij moet het groote raadsplan Gods niet naar beneden halen door te meenen, als zou het er enkel maar om gaan, dat gij of ik in den hemel zullen komen of niet. Neen, het gaat om de groote vraag, of God de Heere aan Zijn eer zal komen of niet.
Hem, den grooten Schepper aller dingen, komt toch de eer, de lof en de aanbidding toe. Hij heeft alles goed gemaakt. Is Hij een Vader, waar is dan Zijn eer ? En ziet, toen de mensch in Eden in de schrikelijke zonde viel, heeft hij God den rug toegekeerd. Van de zijde der menschenkinderen wacht nu den Heere niets anders dan smaad en hoon.
Ik denk aan het triumphantelijke woord, 't welk de duivel aan God voor het aangezicht van de kinderen Gods heeft gegeven, toen hij zeide : ik kom van om te trekken op de aarde en die te doorwandelen.
Dat was toch zooveel, alsof de duivel zeide: O, God, ik ben overal geweest, in Sinear, in Assur, in Babyion, in Egypte, en overal gehoorzaamt men aan mijn wil. De eer is aan mij en aan het schepsel, hetwelk zich aan mij heeft verpand.
O, lezers, zou dat waar zijn ? Zal God niet meer komen aan Zijn eer ? Zal het groote scheppingsplan Gods moeten mislukken ?
Neen, zeggen de engelen, dat zal niet mislukken. Daar in Bethlehem ligt het Kindeke. Daar daalde Gods Zoon af van den hemel in menschelijk vleesch. Hij was niet gekomen om Zijn eigene eer te zoeken, maar alleen de eer Desgenen, die Hem gezonden had.
Van Zijn ontvangenis af tot de ure, waarin Hij den doodssnik gaf, zou het den Christus alleen om de eere Gods te doen zijn. Aan het recht Gods moest worden voldaan. Indien de Heere van Zijn recht ook maar iets had laten vallen, dan had God geen God kunnen blijven. Dat recht Gods heeft Christus gedragen tot in den smadelijken kruisdood.
Op het deksel van de ark in den tabernakel stonden de cherubs. Ze keken met het aangezicht naar het verzoendeksel. Ze waren begeerig om dat raadsel te verstaan, hoe het mogelijk was, dat een wet, die de vervloeking eischte, nu onder een verzoendeksel lag. Welaan, dat raadsel hebben de engelen in de velden van Efratha verstaan. Dat Kindeke, dat daar nederlag in de kribbe, zou de eere des Vaders weer volkomen verheerlijken. Hij geheel ! Hij ook alleen !
O, lezers, meent toch niet, dat gij God eert met uw eigenwilligen godsdienst. Al uwe eigengereohtigheden zijn maar een wegwerpelijk kleed. Toch zal hier beneden tusschen wieg en graf een mensch moeten leeren om Gode de eer te geven.
Weet gij, lezers, wanneer dat voor het eerst geschiedt ? Zou het niet dan wezen, wanneer een mensch voor het eerst op de knieën neerzinkend, eigen zin en wil verzakend, het leert uitroepen : Wat wilt Gij, dat ik doen zal ? Ja, lezers, dat geschiedt dan, als een mensch met zijn schuld en zijn zonden op de knieën voor God komt om te roepen om genade.
Maar het geschiedt niet alleen in den weg van het ontdekkende genadelicht, maar ook in den weg van het vertroostende genadelicht. Want als een zondaar geen enkele reden kan vinden in zichzelf, waarom God hem zulk een rijke genade wilde schenken, dan blijft er maar één ding over, n.l. om met den dichter te zingen :
Uw vrije gunst wordt d' eere alleen toegebracht.
De engelen hebben ook gezongen van den vrede op aarde. „Het mocht wat" — spot de wereld. Nu van „vrede op aarde" zingen, terwijl de heele wereld in oorlogsbrand staat. „Indien ooit, laat men nu met dat zingen toch ophouden", smaalt de wereld.
En toch hebben de engelen het gezongen en toch wordt het in deze bange tijden, wellicht ook weer op de oorlogsvelden, opnieuw gezongen : „Vrede op aarde".
Meent toch niet, dat het een vergissing is. Het Kindeke van Bethlehem heeft zelf, toen Hij man geworden was, het uitgeroepen, dat Hij niet gekomen was om den vrede te brengen, maar veeleer het zwaard.
Christus zelf heeft voorspeld, dat men zou hooren van oorlogen en van geruchten van oorlogen en van hongersnooden en pestilenties. Met de aardbevingen in verscheidene plaatsen zouden het maar de beginselen van de smarten wezen, die aan den eindtijd zouden voorafgaan.
Neen, het Kerstlied zingt in de eerste plaats van een anderen vrede, die alle verstand te boven gaat.
Door de zonde is er onvrede in het hart van een menschenkind. De goddeloozen, zegt mijn God, hebben geen vrede. Onvrede wordt het dan pas met recht voor den zondaar, als het licht van Gods ontdekkende genade voor het eerst of bij vernieuwing schijnt in het menschenhart.
O, welk een smartvolle gedachte, tegen een heilig en een rechtvaardig en goeddoend God gezondigd te hebben. O, wat een onvrede ! Hoe zal men nog ooit met God kunnen worden verzoend ?
En ziet, op die vraag geeft het engelenlied het antwoord. Het Kindeke, hetwelk daar in de kribbe ligt, is de Vredemaker. Hij is onze vrede. Door de gerechtigheid, die Hij bij den Vader door Zijn bitter lijden heeft verworven, rechtvaardigt Hij arme zondaren, opdat ze zouden kunnen jubelen met den apostel : Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof, heblaen vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus.
O, lezers, kent gij iets van dien vrede, die alle verstand te boven gaat ? Vrede door het Kindeke ! Vrede door het bloed des kruises !
O, wat zou het wezen om zonder dien Heiland Voor eeuwig te moeten omkomen ? In Hem is vrede en blijdschap, maar buiten Hem is een eeuwig zielsverderf.
Als ge nog eens wilt bepaald worden bij het groote heilgeheim, luistert dan ook nog eens naar de laatste woorden van het engelenlied : „in menschen een welbehagen".
Men heeft wel eens willen vertalen : „in menschen van het welbehagen". Dit zou nog kunnen. De Roomsche Kerk vertaalt echter : in menschen van goeden wil.
Ik zou zeggen, dat zulk een vertaling allerminst mag getolereerd worden. Zulk een vertaling laat de Heilige Schrift juist het tegengestelde zeggen, van wat er bedoeld is door den Heiligen Geest.
Zou de Heere een welbehagen kunnen hebben in een zondig menschenkind, zooals het in zichzelf is ? Dat kan toch onmogelijk. Hoe zou de Heere gemeenschap kunnen hebben met de zonde. De Schrift zegt immers van Hem, dat Hij te rein van oogen is, dan dat Hij het kwade zou kunnen zien.
En toch hebben de engelen gezongen van het welbehagen Gods in menschen. En op de vraag, hoe dat dan toch mogelijk zal kunnen zijn, geeft de kribbe van Bethlehem het antwoord. Daar ligt het Kindeke, van Wien in de Jordaan bij den doop en op den berg Thabor bij de verheerlijking werd gezegd : Deze is Mijn geliefde Zoon, in denwelke Ik mijn welbehagen heb.
O, kind des Heeren, ziedaar uw eenigste grond in leven en in sterven, wat bij tijden en oogenhlikken kan doen zingen :
Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen ; Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 december 1941
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's