Wat vergaat, het Woord bestaat.
Bij de jaarwisseling kan zich sterker dan gewoonlijk de gedachte aan de vergankelijkneid aan ons opdringen, 't Is alsof we het voortgaan van den tijd beter „waarnemen" dan anders. Er is wel nimmer stilstand, maar nu wordt dit als 't ware tastbaar. We zouden eene vergelijking kunnen maken met onze bloedsomloop. Door alle aderen in ons lichaam wordt het bloed voortgestuwd. Enkele plaatsen echter zijn er, waar we dit kunnen voelen. Denk maar aan de pols. Zoo worden we met oud en nieuw de polsslag van den tijd gewaar. Onontkoombaar worden we geplaatst voor het feit, dal wij hier geen blijvende stad hebben. Wij zijn als gras, dat heden is en morgen in den oven geworpen wordt, 't Is noodig, dat wij telkens hierbij worden bepaald. In de late middeleeuwen overheerschte de doodsgedachte. Ds H. Bakker wijst hierop in een artikel in de Geref. Kerk : Doodendansen. Opmerkelijk, ja een teeken des tijds achtte schrijver het, dat onlangs in de groote zaal van het Concertgebouw te Amsterdam een lezing werd gehouden over „Doodendansen". Daarna werd eerst door orkest en solisten een „danse macabre", uit 1852, van een Franschen componist Georges Kastner, uitgevoerd, waarin de dood achtereenvolgens een samenspraak houdt met allerlei figuren, zooals de koning, de non, de soldaat, het kind, enz. Daarna werd ten gehoore gebracht een „Totentanz" van Franz Liszt, paraphrase op het welbekende „Dies irae" (d.i. dag des toorns). De pers berichtte, dat voor lezing en concert veel belangstelling was.
Hierdoor worden we teruggezet naar de late middeleeuwen.
Prof. Huizinga wijdt in zijn bekende boek een heel hoofdstuk aan de toenmaals overheerschende doodsgedachte.
„De wereldbekende Springprocessie" — aldus Ds Bakker — „die nog jaarlijks in Echternach wordt gehouden, is een voorbeeld hoe de dans in het kerkelijke leven bekend was. Telkens wanneer de bedevaartgangers twee passen vooruit gedaan hebben, springen ze maar één pas terug ; zoo gaat het voorwaarts naar het graf van den heiligen Willebrordus, in de hoofdkerk van Echternach. De oorsprong van deze vreemdsoortige processie zou te vinden zijn in de St. Vitusdans, die eenmaal in die streken woedde en waarvoor geen ander middel ter genezing was dan dat de zieken het graf van den heilige naderden om op die manier de betoovering van den Booze te breken. Derhalve, een dans, wel niet rechtstreeks met den dood in verband, maar in dienst van de religie.
Beroemde schilders nu, als Hans Holbein en Albrecht Dürer, beeldden op levendige wijze de heerschappij van den dood af. Men ziet den dood als geraamte, op de fluit spelen ; en de mensch, of ze koningen en ridders, of ze poorters en boeren zijn, ze moeten naar zijn pijpen dansen.
Ziehier de oorsprong der doodendansen. De dood gaat door ; wij moeten volgen. De dood is koning ; maar een koning der verschrikking".
De grondgedachte, door Thomas a Kempis uitgesproken in zijn Imitatio Christi : „Leef zóó, alsof elke dag uw sterfdag zijn kan", uitgebeeld en uitgewerkt in de kunst en in het dagelijksche leven, had een doel. „Men wilde de massa bij den ernst van leven en sterven bepalen, haar tot bezinning brengen, omdat iedere dag de laatste zijn kan en levenswandel en levensstijl van kloosterachtige soberheid doordringen". Zette nu het Amsterdamsche Concertgebouw een eerste schrede op dit middeleeuwsche pad, zoo vraagt Ds B. Hij is er niet blind voor, dat in de kunst ook altijd weer naar wat nieuws en wat anders wordt gevraagd. Maar tevens ziet Ds B. het als oppervlakkigheid, hier alleen de reden te zoeken. Hij denkt ook wel degelijk aan de gebeurtenissen van onzen tijd. In de geweldige worsteling, welke gaande is, vallen toch tal van mannen, im de kracht van het leven. Dan is het toch niet verwonderlijk dat ook de „luchthartigste mensch, de meest verstokte", onder den indruk komt. De doodsgedachte gaat post vatten in de ziel, tegen wil en dank. En als wij zelf ernst maken met leven en sterven, dan achten wij het stilstaan en zich bezinnen heilzaam.
Naar ons Christelijk geloof echter is dit niet voldoende.
Als men bij het zien vau louter dood en verschrikking wel terugdeinst, maar niet dieper graaft, dan loopt men gevaar weer spoedig om te keeren, zich te wenden tot bet levensgenot en alle gruwel en ellende te vergeten.
Het strooien van het stof op het hoofd bij oud-Israël is een zinrijke handeling, wanneer de dood de woning is binnengetreden.
Wij, die uit stof gemaakt zijn, keeren weer tot het stof.
Bovendien werden naar de ceremonieele wetten de woningen, waarin een doode was, onrein geacht. Hiermee werd dan uitgedrukt, dat de dood niet bij den mensch, geschapen naar Gods beeld, paste. De dood staat in oorzakelijk verband met de zonde. „Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven".
De Roomsche Kerk dient den stervenden de Sacramenten der stervenden toe. De Roomsche geestelijke houdt dan den stervende het crucifix voor, opdat hij dit kusse. Deze vorm en deze Sacramenten hebben wij geheel uitgebannen. Maar dit kan alleen de eenige troost van een stervende blijven, dat hij met zijn zonden en smarten rust in het kruisoffer en kruislijden van zijn Zaligmaker.
Ds B. wijst op het gebruik der eerste Christenen, wanneer een der hunnen stierf. Dan gaven zij hem een kus. Dat was niet allereerst een bewijs van liefde en teeken van afscheid, maar dit was de „osculum Domini", de kus des Heeren, als zegel van het eeuwige leven. Dit alles moge spreken tot onze zwaarmoedige, tot doodsgedachten neigende tijdgenooten.
Het is niet voldoende den dood te zien als de laatste vijand. Hij moet gezien worden als het oordeel van den rechtvaardigen God over de zonde der menschen. Maar dan moet ook het oog gevestigd worden op den Gekruiste, die in Zijn zoenoffer den dood heeft overwonnen, opstond ten derden dage en in eeuwigheid als Levensvorst heerscht.
Oorzaken, dat onze gedachten zich neigen naar dood en verderf, zijn er ook thans genoeg. Zooveel is er, dat ons toeroept ernst te maken met leven en sterven. En het is noodig dit ook heden te onderstrepen. Want wij trachten altijd van de dienstbaarheid en de vreeze des doods af te komen. Wij vechten heel ons leven tegen de vergankelijkheid. Wij zien ons allerlei vastigheden te formeeren, waardoor wij het „voorbijgaan", het „daarhenen-vliegen" de baas worden. Nochtans falen wij in dien strijd volkomen. Wij zijn aan den dood onderworpen. En wat doen wij nu hiermee ? Terugdeinzen of dieper graven ?
Terugdeinzen is ons van nature eigen. Terugdeinzen voor deze mysterieuze macht ; voor dezen koning der verschrikking. Maar hiermee is deze macht, deze koning allerminst verslagen en zijn wij evenmin verlost. Wij moeten komen, wil het wèl zijn, tot dieper graven.
Dat geschiedt, wanneer we geleid worden door God Zelf, door Zijn Geest. Dan blijven we niet staan voor 't feit van den dood, om zoo spoedig mogelijk weg te vluchten. Maar dan worden oog en hart geopend voor het oordeel Gods, voor eigen ongerechtigheid, die in den dood tot ons spreken.
„De bezoldiging der zonde is de dood".
„Wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods".
Alle hoogmoed van ons, menschen, wordt dan in de wortel aangetast. Want hier staan we nu voor óns werk. De dood. Alle grootspraak en eigen roem mag hier wel sterven. Zoover hebben wij, menschen, het nu gebracht. De dood is door een mensch. We kunnen daarom beter zeggen : Zoo diep zijn wij nu gevallen. Dieper graven brengt ons bij bet verlaten van de Levensbron. Bij het verwerpen van Hem, Die het Leven is.
Alleen in dezen weg zal er een ontvankelijk hart kunnen komen voor de boodschap van Gods verlossing in Christus. Voor Hem, Die gezegd heeft : Ik ben de Opstanding en het Leven. Hij ging in onzen dood in. Hij nam alles op Zich wat met dien dood verbonden is. Al de golven en de baren zijn over Hem heengegaan. In dezen weg heeft Hij hem overwonnen, die het geweld des doods heeft. Droeg Hij het oordeel en de toorn Gods, Terwierf Hij het leven om dit te schenken aan een volk, dat onder den dood besloten ligt. De doodsverwinnaar is er, Christus.
Hij roept het uit in Zijn onvergankelijk Woord : Wie in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven.
Met deze boodschap hebben wij in te keeren tot onszelf.
We moeten onszelf beproeven of wij in het geloof zijn.
Dit is het Woord, dat bestaat, hetwelk de Kerk heeft uit te dragen. In haar midden, maar ook buiten die Kerk. Temidden van alle dood en verderf, bij alle gebrokenheid in duisternis, bij alle vreeze en smart heeft de Kerk het blijvende Woord uit te dragen en het oordeel Gods, dat in dit alles oipenbaar wordt. Van de vreeselijke ernst der zonde, van omze gemeenschappelijke en persoonlijke schuld. Ze heeft het geslacht der menschen op te roepen tot een waarachtig buigen onder dit geweldig spreken Gods. Op geenerlei wijze moeten er kransen aangedragen worden om de dood wat mee te bedekken. De Kerk is geen opsierster van begrafenisstoeten. Integendeel. Alle sier moet ze, krachtens haar roeping, meedoogenloos er af trekken. Ze heeft de dood en de vergankelijkheid te toonen in Gods licht.
Een licht, dat ons ontdekt in al onze verdorvenheid en verlorenheid. Maar dan moet ze ook prediken, klaar, duidelijk, als uit één mond, het werk Gods in den Christus. In Hem, Die de strijd met alle doodsmachten aanhoud en in dien strijd overwon. Hem heeft ze te verkondigen in 't midden der gemeente, maar ook vèr daarbuiten. Hem, Die door Zijn Zelfsofferande de kop van den satan vermorzelde en het oordeel Gods droeg. Ze heeft van Hem te getuigen.
Aan het einde des jaars zij er verootmoediging in de Kerk van Christus over zooveel ontrouw in het vervullen van déze taak. Er zij schuldbelijdenis, vernedering voor den Heere. Er zij boete en berouw met het gebed om verzoening van de zware schuld.
Dan zal er ook plaats zijn voor de verwondering, dat we als Kerk mog gespaard zijn. Dat we het Woord nog mochten uitdragen.
Dan wordt ons dit een steeds grooter wonder, een, steeds grootere genade, dat de Heere ons ook dit jaar nog heeft willen gebruiken.
Als we dit aldus beleven, is er geen plaats voor murmureering onder de slaande hand Gods. Maar Zijn oordeel billijkend, wordt het dan een belijden met Jeremia : Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijne barmhartigheden geen einde hebben. (Klaagliederen 21 vs. 22).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's