NIENKE
FEUILLETON .
VERHAAL UIT T FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 118)
Toen het „Amen" was uitgesproken, blonken in aller oogen tranen en ditmaal schaamde Dirk Santema zich deze niet. Zwijgend zocht Gabe haar hand en drukte deze zacht. „En nu is hier vóór alle dingen volledige rust noodig", sprak zij. „Laat moeder hier nu alleen blijven, zonder één woord meer te spreken, en tracht dan te slapen, gedachtig aan het woord der Schrift: „Roep Mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal u uithelpen, en gij zult Mij eeren". Daarop schikte zij de peluw recht en gaf toen aan Santema den wenk om haar te volgen. Buiten gekomen, op de lange gang, zeide zij tot hem : „'t Lijkt me het beste, dat u met de kinderen in de nabijheid blijft, doch wat afleiding zoekt. En dan verwacht ik u vanavond tegen achten op mijn kamer, waar ik graag nog even met u allen spreken wil".
Met groot verlangen zagen Tjerk en Mini de nadere bijzonderheden van de ziekenzaal tegemoet. Tot vader hen vond en op een wijze, zooals zij 't niet van hem gewoon waren, vertellen ging, wat er in die weinige oogenblikken, die hij aan de lijdenssponde van Gabe had doorgebracht, daar was voorgevallen. „'t Zal een wonder zijn, als hij het leven er afbrengt, en als dit geschiedt, dan is dit voor een groot deel te danken aan een Zuster, die voor hem gebeden heeft, zooals ik het nog nooit van mijn leven gehoord heb", besloot hij. Met verwondering zagen de zoon en dochter naar hem op. Was dat hun vader, die sprak ? En in deze ure kwamen zij elkander nader, zooals in geen tijden gebeurde.
Maar daarvoor was men dan ook gemeenschappelijk in den weg des lijdens.
En deze voert dóór het dal der verootmoediging.
Hoofdstuk XX.
De ontknooping.
Met gesloten oogen, 't hoofd rustend tegen de rugleuning van haar gemakkelijken stoel, door dankbare vriendenhanden haar indertijd vereerd, zat Zuster Ina in hare kamer, wachtend op het bezoek der Friesche familie en van Liesbet Paulussen. Opzettelijk had zij voor beide partijen verzwegen, dat hier de wederkeerige ontmoeting plaats zou hebben en het zóó weten te regelen, dat Liesbet de familie Santema niet had kunnen ontmoeten. De verrassing van beide kanten zou des te grooter zijn, en in haar hart was een gebed om de wijsheid en de leiding des Geestes, welke hier noodig was om de gescheiden harten tot één te brengen. En daar tusschen door brandde in hare ziel de begeerte om, als het mocht zijn, de sluier te zien opgeheven, welke zooveel, wat haar lief was als eigen leven, aan het licht zou brengen. Soms kleurde plotseling een blos haar bleeke wang, als zij de mogelijkheid hiervan overdacht en beefden hare handen. Den ganschen dag was zij zeer nerveus, wat bij den arbeid tot tweemaal toe een ongeluk van niet ernstigen aard ten gevolge had, doch waarover de Zusters zich zeer hadden verwonderd, omdat men zoo iets heelemaal niet gewoon was en haar deed besluiten, onder het voorwendsel van overspanning, dezen dag verder vrij-af te vragen.
Een tik op de deur deed haar opschrikken, en het volgend oogenblik stond Liesbet voor haar. 't Scheen, dat zij ditmaal extra gezorgd had om er op het voordeeligst uit te zien, al was het dan ook niet met dien opschik van voorheen. Een zadht-blauw japonnetje deed 't evenwel bij haar goed en de mooie haardos scheen een bijzondere beurt gehad te hebben. 't Viel Zuster Ina aanstonds op. Zou zij iets vermoeden ? „Ben ik ook te vroeg ? " was na de begroetinig haar eerste vraag, om in eenen adem er op te laten volgen : „En weet u ook, hoe 't met hem is ? "
Een zwakke glimlach kwam over het gelaat van de verpleegster. Hoe verried de vorm, waarin de vraag gedaan werd, waar het hart van Liesbet naar uitging. Zij noemde geen naam, maar de Zuster wist het wel. „Zoo juist vernam ik, dat hij uit een rustigen slaap ontwaakt is en de dokter daardoor wel eenige hoop gekregen heeft, maar de toestand blijft zorgelijk".
„Hij zal zéker weer beter worden ; 'k heb er den geheelen dag voor gebeden en ik weet, dat God mij gehoord heeft", klonk het kinderlijk vertrouwend. Met een blik van teederheid en hartelijke verstandhouding keek Zuster Ina hare bezoekster aan. Wat was die Liesbet in de weinige maanden, dat zij hier verkeerde, veranderd en wat sprak daar een eenvoudig geloof uit haar woord.
„En is de familie uit Zevenhuizen ook gekomen. Zuster ? Ja ? 't Zal eene ontmoeting geweest zijn. Heeft Gabe hen ook herkend en mag ik wel weten, wie het zijn ? "
„Je moogt alles weten, kind, en je zult ook alles weten, als je nog maar even geduld hebt. 'k Heb zelf ook zoo de hoop, dat de Heere ons gebed verhooren en dit jonge leven nog sparen mag voor die hem lief zijn. Daar wordt veel voor hem gebeden".
Een zacht snikken van Liesbet was het eenig antwoord.
„Maar u bent zelf wel in orde, Zuster ? U ziet zoo vreeselijk vermoeid ! Dat daar nu eerst mijn oog op valt !'
„'k Ben ook erg vermoeid, maar heb hoop, dat ook voor mij de tijd van kalmen vrede en heerlijke rust weldra zal gekomen zijn, Bea. 'k Heb vandaag iederen keer Psalm 23 voor de aandacht, je weet wel, mijn ilievelingslied".
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's