Vergankelijkheid.
God heeft de eeuw in ons hart gelegd. Bij al de wisseling der dingen hebben wij een besef van het boven den tijd verhevene, van de eeuwigheid. De mensch is tot een eeuwige bestemming geschapen. En hoewel iedere dag ons bij deze dingen kan bepalen, zijn er van die dagen in ons leven, dat wij er bij willen bepaald worden, althans even willen stilstaan bij de vergankelijkheid van al het aardsche.
Kerstfeest en de wisseling van Oud en Nieuwjaar tellen wij onder zulke dagen. Wij zetten ons terneder om te gedenken. Deze is heengegaan en die is niet meer in onzen kring. Het getal onzer jaren stijgt, wij naderen den dag, waarop ook onze plaats zal ledig bevonden worden. Want wij weten, dat onze dagen geteld zijn. En hoe kort is het leven ? Als wij het eenigermate gaan beseffen is het voorbij.
Zoo gaat het ons zelf raken. De eeuwigheid staat voor ons en niet alleen maar voor ons. Zij omringt ons. Zij raakt ons aan. Haar glans dringt in alle dingen door. Het teven als geheel, de onderhouding aller dingen te midden van en ondanks de voortgaande wisseling, zij spreken ons toe met haar geheimvolle fluistering. Daar trillen snaren in ons hart, die weerklank vinden in de diepte. De eeuwigheid is niet zoo ver van ons verwijderd, als dat in het drukke gewoel van onze alledaagsche beslommeringen vaak schijnt te zijn.
De eeuwigheid gaat door den tijd heen. Al het tijdelijke en wisselende wordt gedragen door het eeuwige, door den Eeuwige. De tijd wordt doorzichtig.
En dat is zeker het geval, als wij de dingen zien in het licht van Gods Woord. Hij is niet verre van een iegelijk van ons, want in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij. (Hand. 17:28). Zijn almachtige en alomtegenwoordige kracht, waardoor Hij alle dingen als met Zijn hand onderhoudt, zoo spreekt de Catechismus over Gods voorzienigheid.
Welk een vaste grond, welk een onbewegelijk fundament. Als wij daarop zien kan de weemoed bij den aanblik der vergankelijkheid niet overheerschen. Hij wordt verdrongen door heilige ontroering of schrikaanjagende ontsteltenis.
Het Woord, dat de wereld in het aanzijn riep, is Gods Woord. De kracht, welke ons draagt, is Gods kracht. Wij zijn in Gods hand. Alle dingen in Gods hand. Zijn zorg en bestel over alle dingen. Hij is het, die het grassprietje doet uitspruiten, die de ordeningen des hemels beval en in stand houdt, die ons den adem en het leven geeft, tegen Wiens wil zich geen schepsel roeren of bewegen kan.
Wat beteekenen onze zorgen, onze overleggingen, onze voorzieningen, onze vastigheden, als wij Zijn gunst niet hebben gevonden ? De Heere regeert, en wij bevinden ons te midden van Zijn onvergankelijk Koninkrijk, ook als wij daarvan vervreemd zijn en naar het goeddunken van ons hart voortleven. Want Zijn Rijk verduurt de eeuwigheid. Dat is de ontstellende werkelijkheid, waarvoor de Heilige Schrift ons plaatst.
Eeuwigheid — wat is eeuwigheid ? Wat is vergankelijkheid ? Een vergankelijkheid, welke gedragen wordt door de eeuwigen God, kan toch eigenlijk geen vergankelijkheid zijn. Zij wordt gedragen door de eeuwige bestemming van Zijn wil. In het licht dier bestemming wordt ook het vergankelijke eeuwig. Het gaat in die eeuwige bestemming op, want de Heere volbrengt al Zijn Raad en Zijn Raad zal bestaan. Al het tijdelijke en vergankelijke heeft zijn goddelijke bestemming in de vervulling van Zijn eeuwigen Raad. Het draagt de kenmerken van het werk Gods.
Zoo wordt ook de eeuwigheid uit de vaagheid van het gedachtenbeeld uitgerukt, als wij bepaald worden bij den Eeuwige. God is de Eeuwige. Wie eeuwigheid zegt, zegt God. Er is geen eeuwigheid buiten Hem.
Eeuwigheid en tijd — eeuwigheid en vergankelijkheid — het zijn vaak slechts woorden en begrippen. Zij worden werkelijkheden, ais wij zeggen : God en wereld, God en schepsel.
Immers wat door het scheppende Woord van den eeuwigen God leven en gestalte verkreeg, en door Zijn Woord en Geest wordt onderhouden, rust in Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid en draagt daarvan den stempel, zijnde de openbaring van Zijn wil.
Vergankelijkheid is weer wat anders dan schepselmatigheid. Alle schepsel Gods is rein, maar de weemoed der vergankelijkheid is in strijd met cnze goddelijke bestemming. En wat wij tijd noemen, is openbaring van Zijn eeuwigheid, opdat wij er iets van zouden verstaan.
Maar dan wordt onze vergankelijkheid eerst recht een ontstellende werkelijkheid. Want God heeft de eeuw in ons hart gelegd. Die vergankelijkheid heeft een prikkel des doods. Wij zouden dien prikkel niet gevoelen, indien wij ons in Gods hand wisten, gedragen door Zijn vaderlijke zorg en gekoesterd aan Zijn Vaderhart. In Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij. Geschapen tot een eeuwige bestemming om Hem te kennen. Hem van harte lief te hebben en met Hem in de eeuwige zaligheid te leven.
Welk een verhevene bestemiming en welk een toekomst! Tijd kan zulk eem mensch zijn heil niet benemen en zijn schepselmatig bestaan kan hem geen smartelijke prikkel zijn, indien hij zijn levensbestemming volgt in gerechtigheid.
Daarom getuigen de weeklacht onzer vergankelijkheid en de druk van den tijd tegen ons. Zij zeggen, dat het eeuwigheidslicht is uitgebluscht, dat onze lamp is verduisterd. Wij zijm menschen geworden van het oogenblik, menschen van gisteren en heden, niet wetende wat morgen zijn zal. Vreemdelingen in het Koninkrijk Gods en armelijke stervelingen, die te midden der eeuwigheid door den dood worden omgeven.
Dat is de prikkel onzer vergankelijkheid en van de mijmering over tijd en eeuwigheid. Wij willen vasthouden aan hetgeen van ons ging en worden vermoeid van den gang der dingen. (Pred. 1 : 8).
Geheel het leven wordt een worsteling om te ontvlieden aan den druk der vergankelijkheid, maar daar is geen ontvlieden. Zij dreigt met de schaduw des doods, doch ook in den dood zullen wij niet ontkomen, want ook de dood is in de hand des Allerhoogsten. Waar zoude ik henengaan voor uwen Geest, en waar zou ik henenvlieden voor Uw aangezicht ? Zoo ik opvoer ten hemel. Gij zijt daar ; of bedde ik mij in de hel, zie. Gij zijt daar ; nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee, ook daar zoude Uw hand mij geleiden en Uwe rechterhand zou mij houden. Indien ik zeide : De duisternis zal mij bedekken, dan is de nacht een licht om mij. (Psalm 139 : 7—11).
Geen ontvlieden, omdat wij met den eeuwigen God van doen hebben. Geen ontvlieden, tenzij Hij ons zelf een toevlucht kan zijn. Want wij vergaan door Uw toorn en door Uwe grimmigheid worden wij verschrikt. Gij stelt onze ongerechtigheden vóór U, onze heimelijke zonden in bet licht Uws aanschijns. (Ps. 90 : 7 en 8).
Het getuigenis is tegen ons.
En als Gods Woord ons leert, dat wij door Zijn toorn vergaan, dan is daarin een verklaring van den druk onzer vergankelijkheid, die om verantwoording roept voor God. Doch wie zal dan bestaan ? Hoe zullen wij vrede vinden bij God ?
De eeuwige God zij u een woning. (Deut. 33 : 27). De Godsman spreekt de woorden Gods en dezelfde Mozes, die van den toorn Gods heeft gesproken, spreekt dezen zegen uit over het volk.
Wij denken nogmaals aan het woord van den apostel Paulus : In Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij. (Hand. 17 : 28). Zoo is God niet verre van een iegelijk van ons. In Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij. Dat is zeer nauw. Dat lijkt op een inwonen in God. Men kan echter bij God niet inwonen, indien Hij toornt. Dan kan er geen sprake zijn van wonen.
In onze woning zijn wij veilig. Daar vinden wij rust en vrede, liefderijke verzorging, bescherming tegen allerlei onheil, dat ons zou kunnen bedreigen.
Als de eeuwige God ons een woning kan zijn, zal de rust en de vrede, de liefde en bescherming in zulk een Vaderhuis alle verstand te boven gaan. Doch wie kan er wonen bij een verterend vuur en wie zal leven in het aanschijn des Allerhoogsten, zoo hij ligt onder den last van Zijn toorn ? Ook de heilige engelen bedekken hun aangezichten vanwege den glans Zijner majesteit.
De eeuwige God een woning voor zondaren. Zoo moet dan Zijn toorn in eeuwige ontferming zijn verkeerd, de barmhartigheid roemen tegen het oordeel, de weeklacht der vergankelijkheid geworden tot een lied van eeuwige vreugde. Dat is het Evangelie der genade, hetwelk God in Zijn Christus heeft vervuld, het licht in de duisternis, de engelenzang in de velden van Efratha : Zie, Ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal : n.l. dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids.
De eeuwige God zij u een woning. Dat is zaligheid De nabijheid Gods een eeuwige vreugde. In Christus met God verzoend. Met Hem opgestaan in een nieuw leven. De toegang geopend in het Vaderhuis. In den Geliefde tot kinderen Gods aangenomen zijn. Mede-erfgenamen van Christus in Zijn onvergankelijk Koninkrijk. Dat is een troost in leven en sterven, de voorsmaak van den eeuwigen vrede, de grond des betrouwens en het fundament der hope, die niet zal beschamen in eeuwigheid. Want Hij is omze vrede.
Voor hen, die Hem door een waarachtig geloof zijn ingeplant, is de prikkel der vergankelijkheid weggenomen, want zij weten zich in de hand des hemelschen Vaders. Door Zijn eeuwige liefde gedragen worden in de gemeenschap Zijns Zooms, dat kan geen vergankelijkheid meer zijn. Dat is eeuwig leven en eeuwige zaligheid. Dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aandoen door de kracht van Christus' opstanding.
Die uit deze genade leven, hebben niet alleen een vaste hope in een eeuwige toekomst, maar leven ook hier reeds uit den eenigen troost in leven en sterven. Zij hebben een Zaligmaker, die is gezeten aan de rechterhand Gods, die ook machtig is hem uit allen nood en dood te redden, die ook voor hen bidt en een Hoorder is hunner gebeden, die de belofte niet vertraagt en Zijn Woord gestand doet.
En terwijl zij nog verkeeren in het lichaam der vergankelijkheid, genieten zij den voorsmaak der eeuwige vreugde als in de voorhoven van het huis des Vaders, waarin hun door Christus een woning wordt bereid.
De prikkel des doods is weggenomen en het licht van een eeuwigen dageraad is over hen opgegaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's