MEDITATIE
Kinderen, die geen kinderen zijn.
Matt. 8 : 11 en 12.Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van Oosten en Westen, en zullen met Abraham en Isaak en Jacob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen, en de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal weening zijn en knersing der tanden
Dat moet een vergissing zijn, denken we, als we met de lezing van den tekst genaderd zijn tot „en de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden". Het eerste, ja, dat loopt vlot; met die gedachte zijn we vertrouwd : „velen zullen komen van Oosten en Westen". Maar met het laatste zitten we. Daarmede loopen we vast. De kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden. Echt een vraag, om er den leider van de Jongelingsvereeniging of den predikant op de catechisatie mee te lijf te gaan. En de vrager zou zich van tevoren al kunnen verkneuteren in een heimelijke vreugde, zeker van een gemakkelijke overwinning over den strakken dogmaticus, die met zooveel nadruk de leer van de volharding der heiligen predikt.
Inderdaad : de kinderen des Koninkrijks zullen niet uitgeworpen worden. Wie door den Heere eens gegrepen werd, wordt vastgehouden. Het votum, waarmede doorgaans de dienst des Woords geopend wordt, vertolkt goddelijke waarheid : . . . . . Die trouwe houdt tot in der eeuwigheid en niet laat varen de werken Zijner handen. Kinderen van het rijk der duisternis, slaven van satan, zijn wij allen, van nature. Maar wanneer God ons in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid en in Zijn onpeilbare goedheid uit de duisternis riep tot Zijn wonderbaar licht, is de macht der hel niet in staat om deze genadedaad des Heeren ongedaan te maken.
Voor de kinderen des Koninkrijks is het Koninkrijk. Het Koninkrijk Gods, het Koninkrijk der hemelen. Het is voor hen weggelegd van vóór de grondlegging der wereld. Zij zullen het beërven, vast en zeker. Daar staat de Heere met Zijn belofte borg voor. De kinderen des Koninkrijks hebben ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen. En wanneer die Geest met onzen geest getuigd, dat wij kinderen Gods zijn — maar wie zou dan inbreuk durven maken op den regel : indien wij kinderen zijn, zoo zijn wij ook erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus.
Doch in den tekst verzekert de Mond der Waarheid zelve : de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden. Wordt door deze uitspraak nu niet onze geheele leer, waarvan wij meenden, dat hij zoo stevig in elkander zat, onderstboven geworpen ? Neen, als we maar onderscheid maken tusschen kinderen en kinderen. Waar blijft, ook in het licht van dit woord, de troost, die in het door Gods volk zoo menigmaal gebezigde gezegde ligt opgesloten : we kunnen wel vallen, maar niet uitvallen.
Er zijn tweeërlei kinderen : kinderen in uitwendigen en in inwendigen zin. Kinderen des Koninkrijks, dat waren de Joden, ook de Joden in Jezus' dagen. Hoe beroemden zij er zich op : wij zijn kinderen Abrahams. Wij zijn nakomelingen van den vriend Gods. Wij zijn het uitverkoren volk. En de anderen, de rest, och, dat zijn de heidenen, dat is de vervloekte schare, die de Wet niet kent.
Maar Johannes de Dooper moet hun trotschheid en zelfingenomenheid bestraffen. Wat zou het — kinderen des Koninkrijks ! Meent niet bij uzelven te zeggen : wij hebben Abraham tot een vader ; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken.
De kinderen des Koninkrijks in uitwendigen zin, al zijn ze besneden - ten 8sten dage en al zijn ze geen vreemdelingen van de verbonden der belofte en al behooren ze tot degenen „die nabij zijn", zijn in de Kerk, doch niet van de Kerk ; in het gezin, doch niet van het gezin.
En zij zullen, tenzij zij nog tot waarachtige bekeering komen, tenzij zij met Paulus alles schade leeren achten om de uitnemendheid der kennis van Christus Jeus en verliezen hun rechtvaardigheid, die uit de Wet is en ontvangen de rechtvaardigheid, die uit God is, door het geloof — o, schrikkelijke waarheid — uitgeworpen worden.
De Heere Christus gaat de kinderen des Koninkrijks voorbij, al is Hij niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israels, wanneer deze hun voorrechten niet verstaan en hun roeping verzaken. De kinderen des Koninkrijks hebben hun Vader en Formeerder veracht en verworpen. Maar de heidenen hebben Hem geloofd en omhelsd. Een treffend voorbeeld daarvan heeft de Heiland aanschouwd. Hij sprak den tekst, toen Hij ontroerd was over het groote geloof van den heidenschen hoofdman, die Zijn hulp kwam inroepen voor zijn doodzieken knecht. Deze heiden voelde zich zóó onwaardig, dat hij den Heere Jezus verzocht de moeite, niet te nemen om onder zijn dak in te komen, doch slechts een woord te spreken. Dan zou, op dat machtswoord, zijn knecht zeker genezen. Als de Heere Jezus dit hoort, roept Hij verwonderd uit : voorwaar. Ik heb zelfs in Israël zoo groot geloof niet gevonden ! En de Heere ziet in dezen hoofdman mede een eersteling van die groote, ontelbare schare, die komen zou om met Abraham en Isaak en Jacob te deelen in het heil van het rijk van den Messias. Onder het beeld van een maaltijd, en het aanzitten aan een feestelijke disch, wordt in de Schrift immers verstaan het heil, dat de Heere nooddruftigen wil schenken ; de zegeningen, die in Christus voor een arm en ellendig volk liggen verborgen ?
De kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden. Israël zal als volk verloren gaan, al zullen de enkelingen, die in het geloof den Christus aangrijpen, al zal het overblijfsel, de rest, naar de verkiezing der genade, behouden worden. Maar van het Oosten en Westen zullen ze komen — in grooten getale, velen ! Dat woord is heerlijk waar gemaakt. Ook wij behooren oorspronkelijk tot de vreemdelingen van de verbonden der belofte. Onze voorvaderen waren heidenen, wilden, onbeschaafden, gekleed in dierenhuiden, gewapend met knotsen. Doch het Evangelie van Christus is hun gebracht. Noemen we slechts de namen Willebrord en Bonifacius. En in den loop der eeuwen zijn ze gekomen uit het Westen, uit onze lage landen en uit zoovele andere landen meer. En ze zijn gekomen uit het Oosten, het verre en het nabije Oosten ; met elkander hebben zij geknield voor kribbe en kruis. Jezus' leer hebben zij aangenomen ; in Hem, den waren Wijnstok, zijn ze door een oprecht geloof ingelijfd ; zij hebben, zoo goed als de aartsvaders, deel gekregen aan Christus en al Zijn schatten en gaven.
De kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden. Heeft dit woord ons dus niets méer te zeggen ? Ja, ook wij zijn in den loop der eeuwen „kinderen des Koninkrijks" geworden. Wij zelf ontvingen niet slechts den Christelijken Doop, maar reeds ontvingen onze ouders dien en onze grootouders en zoo geslachten, geslachten door ! Eeuw in, eeuw uit, klonk de prediking van het Evangelie des Heeren. Wij behooren tot de officieele vromen. We werden gedoopt, deden belijdenis des geloofs, vieren des Heeren heilig Avondmaal. Wij worden geacht als steunpilaren van „Kerk, Staat en maatschappij". Wij zijn kinderen des Koninkrijks — maar ach, hoevelen onzer zijn het in uitwendigen zin ? Uitwendig is alles in orde. Ach, dat afschuwelijke, verstarde verstands-Christendom ! Arme verdogmatiseerde belijders, die u op uw „kindschap" verheft, maar innerlijk koud en onbewogen zijt ! Nooit eenige ontroering gevoelt, en nu kracht zoekt in offeranden, inplaats van in gehoorzaamheid, in het vette der rammen, inplaats van in opmerken !
Ge zijt nooit zondaar voor God geworden ; ge zijt niet aan uw verlorenheid, onwil en onmacht ontdekt ; nimmer schreide ge heete tranen van berouw wegens uw erfelijke en dadelijke, uw heimelijke en openbare zonden ! Ge verstaat het niet, dat God den goddelooze rechtvaardigt, om niet ! Ge kent Christus niet, noch als Borg en Middelaar, noch als Zielebruidegom, in en met Wien een zondaar gemeenschap oefent met God Drieëenig.
Arme mensch, die u tevreden stelt met het uitwendig kindschap ! Voor deze „kinderen" is geen plaats bereid in het Rijk des Lichts, maar zij reizen naar dat oord, waar weening zal zijn en tandengekners — een uitdrukking, die ons de allergruwelijkste ellende voor oogen stelt.
Gode zij dank — deze „kinderen" kunnen nog nieuw-geboren kinderkens worden, die zeer begeerig zijn naar de redelijke, onvervalsche melk ! De Heere is nog machtig en gewillig om Zijn Geest, wederbarend, in onbekeerde harten uit te storten. We hooren nog van vernieuwingen. Er worden nog zondaars uit de duisternis tot het licht getrokken. De Heere is met Zijn Geest nog niet van ons geweken, al zal ieder levend mensch dikwerf over de geesteloosheid en dorheid in eigen leven en in het leven der gemeente moeten klagen.
Het kome niet zoó ver, dat God het officieele Christendom verlaten moet om Zich tot de heidenen te wenden.
Wij kunnen wel eens heilig jaloersch worden, als wij verhalen van het Zendingsveld lezen of jong-bekeerden, die in volstrekt ongodsdienstige kringen werden geboren en getogen en een tijdlang midden in de wereld leefden, hooren getuigen van hun blijdschap en volle bevrediging, waar zij nu Christus mogen kennen, liefhebben en volgen.
Adembeklemmend, als een grauwe, druilerige herfstdag, komt dan de dreigende waarschuwing van den tekst op ons af : de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden ! Maar mag, als de luchten laag hangen, de bede niet oprijzen tot den God van Jacob, die op de klacht den hemel doet scheuren : Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen (van zonde en schuld, van wanhoop en angst, van zorg en twijfel) van voor Uw Aangezicht vervloten ! En de lucht wordt wijd en ruim, als op een klare lentedag. Een heerlijk vergezicht opent zich in de rijke troost van den tekst : Velen, zeg Ik u (het is een belofte uit Christus' mond en wat vergaet, Zijn Woord bestaet) zullen komen van Oosten en Westen.
De Filistijn, de Tyriër, de Mooren, zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht; Van Sion zal het blijde nageslacht haast zeggen : „Deez’ en die is daar geboren”.
(Garderen.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's