De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De gemeente des Heeren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De gemeente des Heeren

7 minuten leestijd

Dit is, zooals wij opmerkten, de eeretitel der gemeente. Zij is gemeente des Heeren, ondanks het feit, dat zij in haar aardsche openbaring steeds een gemengde vergadering is, zoodat de belijdenis zegt, dat er altijd hypocrieten zijn.

In een gevestigde kerk wordt de gemeente niet alleen vergaderd uit degenen, die zich onder het Woord voegen, het gaarne hooren en den Doop begeeren, zooals dat in een zendingsgemeente het geval is. Wel gaat deze weg door, maar de gevestigde gemeente ondervindt haar voortdurende uitbreiding door geboorte, zooals wij hebben gezien.

Dat neemt niet weg, dat zij is de gemeente des Heeren. Zij, die in Christus sterven, worden vergaderd tot de triumfeerende kerk, en generatie op generatie volgt elkander op in de strijdende kerk, welke is de kerk des Heeren, want een andere kerk is er niet.

Waaraan ontleent nu de gemeente op aarde den naam en de waardigheid van Christus' kerk ?

In de eerste plaats aan het feit, dat Christus haar door Zijn Woord en Geest tot openbaring heeft geroepen ter plaatse, waar de kerk is.

Dan verder, doordat zij haar opdracht en roeping vervult : het Woord predikt en bewaart en de sacramenten bedient. Immers, waar het Woord recht verkondigd wordt, daar is de kerk, want daar is Christus door Zijn Woord en Geest in het midden.

Zoo hangt de eeretitel der gemeente des Heeren aan de onderhouding van Zijn Woord. Geeft zij daarop geen acht, dan kan zij geen aanspraak maken op die waardigheid, maar haalt een oordeel over zichzelf. (Vgl. de brieven aan de zeven gemeenten, die in Klein- Azië zijn).

Blijven wij nu bij de plaatselijke gemeenten, en leggen wij dezen maatstaf aan, n.l. de prediking en onderhouding van het Woord en der Sacramenten, dan zijn er ongetwijfeld, die naar kracht en vermogen er naar streven de prediking des Woords en de bediening der Sacramenten zuiver te onderhouden overeenkomstig de belijdenis der kerk. Dat wil dus zeggen, zooals dat naar het eenstemmig gevoelen der reformatorische kerk werd verstaan.

Daar is nog een aanmerkelijk getal gemeenten, waar het groote meerendeel der leden zich onder de prediking en de belijdenis voegt.

Dergelijke gemeenten hebben althans nog een belangrijke kern, die, door de gemeenschappelijke belijdenis gebonden, een geloofsgemeenschap vormen, welke door de confessie wordt bepaald. Het meerendieel komt trouw onder de prediking, de kinderen worden als kinderen der geloovigen gedoopt. Het Avondmaal wordt regelmatig bediend, ofschoon wellicht slechts een klein getal daaraan deelneemt.

Ook al is op zulke gemeenten van toepassing, dat het niet alles Israël is, wat Israël genoemd wordt, kan men allen, die bij de kerk zijn, als leden der gemeente beschouwen. Noodig is alleen, dat de kerkeraad niet alleen waakt over de gemeente, maar ook bij machte is om de Christelijke tucht te onderhouden, opdat hij zijn geestelijke zorg late gaan over degenen, die afdolen en gevaar loopen van het kerkelijk leven te vervreemden. Het behoeft niet gezegd, dat de opzieners hier een roeping hebben van Christus' wege, maar het is ook duidelijk, dat de orde der kerk daartoe behoort mede te werken.

Er zijn echter ook gemeenten, die een geheel nader beeld vertoonen, omdat de leidende organen zich niet op het standpunt der belijdenis plaatsen. Daarin teekent zich ook het karakter der gemeente af, althans van dat gedeelte, dat den toon aangeeft. Gewoonlijk echter ontbreekt het ook in zulk een gemeente niet aan een grootere of kleinere groep, die aan de belijdenis der kerk vasthoudt. Hoewel deze groep krachtens haar belijdenis in de eerste plaats aanspraak mocht maken op erkenning, heeft zij een sluimerend bestaan, zoekt een schuilplaats in andere kerken, of neemt haar toevlucht tot een Evangelisatie.

Wij stellen ons op het standpunt, dat een kerk een belijdenis heeft om die te handhaven en daarnaar te leven.

Wat moet men nu van zulk een gemeente zeggen ? Waar is de gemeente eigenlijk ?

Uitgaande van het zooeven genoemde standpunt, is het antwoord eenvoudig. De lijn is getrokken. De kerk is daar, waar haar belijdenis wordt in eere gehouden. Uit dit oogpunt vertoont de gemeente aan zulk een plaats een valsch beeld. Zij heeft de belijdenis der kerk losgelaten.

Indien zulks het geval ware in een welgeordende gemeenschap der kerken, zou het een onderwerp van gemeenschappelijk overleg uitmaken, indien één der kerken afweek. Misschien een zaak van kerkelijke tucht. Misschien — want dat hangt samen met den ernst van het bepaalde geval. Men moet n.l. niet denken, dat de kerken ieder verschil van opvatting met de gemeenschappelijke belijdenis gewichtig genoeg zouden achten om den band met een anders gevoelende gemeente te verbreken Zoo hebben de reformatoren ook niet gedaan.

Nu staan wij niet voor bepaalde gevallen, want sedert lang wordt dat gemeenschappelijk overleg inzake de belijdenis gemist. Wij staan voor de resultaten eener ontwikkeling, die allerlei schakeeringen en richtingen laat zien. Het is daarom niet gemakkelijk om de grenzen te trekken, te meer nog, omdat die schakeeringen en richtingen op zich zelf weinig belijnd zijn en verschuivingen doen waarnemen.

Over de onzichtbare kerk sprekende, hebben wij bovendien opgemerkt, dat Gods genade geen halt maakt bij degenen, die van ander gevoelen zijn, al mogen wij voor zeker houden, dat er in de capitate stukken des geloofs eenstemmigheid zal zijn. B.v. dat God Drieëenig is, dat Christus is Gods Zoon, de zaligheid uit genade, e.d.g.

Zoo zijn er dan toch grenzen in wat wij noemen de capitale of fundamenteele stukken. Dat is trouwens ook door Calvijn zoo geleerd. Hij wil niet, dat de eenheid der kerk gebroken wordt om allerlei verschillen, maar dat men de gemeenschap moet onderhouden met degenen, die in de capitale stukken des geloofs overeenstemmen. Hij ziet dus op de zichtbare kerken.

Er zijn grenzen, en als de gemeenten worden beoordeeld naar de prediking, welke zij doen uitgaan en naar het geluid, dat de leiding doet hooren, is het niet meer twijfelachtig, of er gemeenten zijn, die krachtens haar openbaring niet meer tot de kerk kunnen worden gerekend, omdat zij zichzelf daarbuiten zetten.

Mogelijk, dat in zulke gemeenten ook nog een groep van lidmaten is, die van geheel ander gevoelen zijn. Mogelijk ook, dat velen van de kerk geheel vervreemd zijn, of naar andere kerken ter plaatse zijn overgegaan.

Men zou derhalve de plaatselijke toestanden goed moeten kennen om zich een helder beeld te vormen van de gemeente, of wat daarvan is geworden.

Intusschen kan duidelijk zijn, tot welk een verwarring het gemis van een gezonde kerkelijke ontwikkeling naar de orde heeft geleid. Dit gemis doet zich vooral gevoelen, nu men er oog voor krijgt en bij alle pogingen naar reorganisatie sedert jaren den nood gaat inzien.

Nog is alles niet genoemd. Indien wij alleen met de dorpsgemeenten van doen hadden, zou het vraagstuk reeds gemakkelijker zijn. In de grootere plaatsen komen nog geheel andere zorgen en nooden de aandacht vragen. Daar, gaan de richtingen dooreen. De gevolgen van het gemis zijn daar veel grooter. Daar telt de gemeente vele leden, die nauwelijks meer als leden kunnen worden geteld, ongerekend het getal, dat verder afgedoold, nog slechts krachtens geboorte aan de kerk is verbonden. Daar ziet men de volkskerk onder het beeld eener schier wanhopige verwording.

De gemeente des Heeren.

Zeker, zij is er. Temidden van alle schakeeringen en richtingen, desondanks is er een gemeente des Heeren. Zij worstelt niet alleen met alle aangeroerde vraagstukken, maar daarenboven met de afgedoolden, vervreemden, weggezonkenen, afvalligen.

Behooren die nog bij de gemeente ?

Het voorbeeld van Corinthe doet sommigen grif ja zeggen. Vergeet echter niet de apostolische tucht over de ongeregelden, tucht over de leer en over handel en wandel, den eisch tot onderwerping aan het Woord, tot uitzuivering van den ouden zuurdeesem en om den booze uit het midden der gemeente weg te doen.

Vergeet ook niet den lof : ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik u overgegeven heb. (1 Cor. 11 : 2).

Zonder twijfel ligt daar een taak der gemeente ten aanzien van de afvalligen en weggedrevenen, doch de eerste taak is deze, dat de gemeente zich openbare als een gemeente der geloovigen, welke gedachtig aan het apostolische woord de inzettingen behoudt, welke haar door de apostelen zijn overgegeven, opdat zij daarin wandele en het Woord des Hee­ren beware.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1942

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

De gemeente des Heeren

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1942

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's