Kerk en kerk
Wij blijven ook de kerk in decadentie nog een kerk noemen, en niet ten onrechte, want Christus houdt Zijn kerk in stand. Zijn Geest woont in haar midden. Indien dat niet zoo ware, zou zij verdwijnen, maar de kerk verduurt de eeuwen.
Het is echter begrijpelijk, dat het proces van verwereldlijking der kerk verschillende reacties wekt. Velen willen nimmer van een kerk in de kerk hooren, en toch is het geheel overeenkomstig Schrift en belijdenis, dat de levende kerk in de kerk verborgen is. De Geest Gods, die in haar midden woont, is de Geest, die woning maakt in de harten. De Christus wijkt met Zijn genade en Geest nooit van haar. De kerk der ware Christgeloovigen houdt niet op. Dat feit staat vast.
Alleen — en dit is weer een gevaar — men moet die kerk in de kerk niet trachten te isoleeren. Men moet niet pogen eenigen kring of richting aan te wijzen als de kerk in de kerk, want daartoe is niemand bevoegd. Toch kan men verstaan, dat die neiging zich openbaart. Naarmate de volkskerk de kenmerken der ware kerk gaat inboeten, zal men binnen de kerk toch zooiets van een onderscheiding in de gemengde vergadering zoeken.
Men bedenke echter, dat deze slechts op uitwendige gronden kan worden gemaakt, b.v. door zich te groepeeren om degenen, die trouw begeeren te blijven aan de belijdenis, in tegenstelling met degenen, die zich daarvan los of afkeerig betoonen.
Zulk een reactie is zeer verklaarbaar. Degenen, die zich daarbij voegen, mogen zich er echter van bewust blijven, dat zulk een kring of groep van geloovigen op een instemming met de belijdenis berust, welke de geheele kerk betaamde. Als de kerk haar belijdenis handhaafde, zou zulk een reactie geen plaats hebben. Er zou geen onderscheiding zijn van degenen, die wel en die niet met de belijdenis instemmen. Daarom is het onjuist hen, die aan de belijdenis willen vasthouden, aan te wrijven, dat zij een kerk in de kerk willen zijn.
Veeleer staat de tegenstellinig precies andersom. Degenen, die zich aan de belijdenis niet onderwerpen, doen daarin iets, dat met een gezond kerkelijk besef in strijd is. Er zou meer grond zijn om te zeggen, dat zij een niet-kerk in de kerk willen zijn.
Toch zullen wij dat niet zeggen. Zij, die de belijdenis van harte aanhangen, zullen er veeleer van uitgaan, dat de kerk in de kerk een geestelijke werkelijkheid is, die verborgen is voor ons. Wij kunnen wel zien, wie bij de kerk zijn, maar wij weten niet, wie van de kerk zijn. En wie zal de kinderen Gods tellen, die onder de dissenters schuilen ? Dat kunnen wij, menschen, niet uitmaken.
Er is een kerk in de kerk, een vergadering der kinderen Gods temidden van de zichtbare kerk, maar die is onzichtbaar.
De reactie dergenen, die zich om de belijdenis vergaderen, komt dus niet op uit een poging oim de schapen van de bokken te onderscheiden. Zij is een reactie tegen het loslaten van de belijdenis.
Een andere reactie is die van piëtistische of mystieke geesten, die het innerlijk Christendom eenzijdig op den voorgrond stellen. Zij leggen den nadruk op het geestelijke leven.
Ook deze reactie is zeer begrijpelijk. Zij vindt haar tegenstelling niet zoozeer in een dor dogmatisme of leerheiligheid, zooals in een vroegere eeuw. Veeleer heeft zij iets van een ontvluchtimg aan de veelheid van meeningen. Het verschijnsel is trouwens niet zoo eenvoudig te ontleden. Het doet zich onder alle omstandigheden voor, ontaardt nu en dan in geestdrijverij, bemint het sectarisme. Zijn gezonde elementen voegen zich in een geordend kerkelijk leven onder de getrouwe bediening des Woords. Zoodra echter het kerkelijk leven gaat verslappen, zijn zij geneigd in eigen kring, in gezelschap en conventikei te zoeken, wat zij in de samenkomst der gemeente niet vinden.
Deze geestesrichting of geestelijke richting is veelsoortig van aard. Zij doet zich voor op een wijze, die sommigen aanleiding heeft gegeven van ultra-orthodox of ultra-gereformeerd te spreken. Doen deze spreekwijze komt van een zijde, die gewoonlijk van orthodox of gereformeerd niet gediend wil zijn.
Het zou ook onjuist zijn te meenen, dat de mystieken alleen in den orthodoxen hoek zouden schuilen.
Een feit is echter, dat in de kringen der piëtistische en mystieke vroomheid niet zeiden waarachtig geestelijk leven gevonden wordt. Het vindt daar dikwijls een bedding, als die van het kerkelijk leven is verzand.
Voor zooveel het zoeken naar waarachtig geestelijk leven een kenmerk van deze menschen mag zijn, zou men ook hier aanleiding kunnen vinden van een kerkje in de kerk te spreken. Veelal vallen deze lieden onder verdenking van geestelijken hoogmoed : wij zijn het. Wij laten het voor wat het is, want zij weten zelf wel, dat ook hier kaf onder het koren is.
Te ontkennen valt niet, dat zij eer in een onkerkelijken hoek zitten, hoewel ook velen gastvrijheid zoeken in de kleinere kerken, waar zij zich beter thuis voelen dan in de eigen gemeente. Men kan daaruit intusschen concludeeren, dat, de behoefte aan kerkelijk leven niet ontbreekt en dat de kerkelijke toestanden ook aan deze verschijnselen niet vreemd zijn.
In verband met de vraag naar een onderscheidende prediking, brachten wij deze dingen ter sprake. Zij werpen licht op een werkelijkheid, die zich thans o.m. in deze reacties laat kennen. Men meene echter niet dat in een welgeordend kerkelijk leven dergelijke verschijnselen ontbreken.
En dan hebben wij nog weinig opgemerkt aangaande andere reacties : te weten die, welke zich tegen de kerkelijke belijdenis stellen, of daaromtrent onverschillig staan.
Wij ontveinzen ons niet, dat ook bij handhaving der kerkeijlke tucht, die verschillende geesten aanwezig zijn. Ook dan zijn er, die een ruimer standpunt verkiezen, die geneigd zijn een eigendunkelijke theologie aan te hangen, althans af te wijken op sommige punten. Ook dan zijn er, die naar leerheiligheid overhellen en die naar mysticisme neigen.
Men zou echter de tucht des Woords onderschatten als men meende, dat dit alles bij de handhaving van een kerkelijk leven naar gezonde kerkelijke orde even weelderig zou woekeren, als wanneer het zijn vrijen loop ongeremd kan volgen.
Wie het Examen van tolerantie of verdraagzaamheid van Comrie leest, kan zich er van overtuigen, dat ook de oude kerk zulk een verscheidenheid in haar boezem droeg. Onder den schijn eener valsche verdraagzaamheid, die de kerkelijke tucht verlamde, werd een ontwikkeling voorbereid, welke onder de huidige organisatie op een steeds voortgaande verwarring moest uitloopen.
Wat is nu de strekking van dit alles ?
Laat mij dat in een vraag uitdrukken : Hoe moet men nu een gemeente onder de huidige omstandigheden zien ? Er wordt gesproken van een herontdekking der kerk, een herleving van het kerkelijk besef. Men zoekt den strijd der richtingen te overwinnen en wijst op de opdracht der kerk. Dit alles raaks van zelf ook de orde der kerk. Daar worden wegen gezocht om elkander te vinden en men wil daarbij uitgaan van het Woord. De vraag heeft dus zin : hoe moet men de gemeente, zooals die thans bestaat, zien ?
Trachten wij het antwoord te vinden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's