De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onderscheidende prediking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onderscheidende prediking

7 minuten leestijd

Onder dezen titel geeft Dr J. Ch. K(romsigt) in „de Gereformeerde Kerk" van 8 Januari eenige opmerkingen naar aanleiding van een ingezonden schrijven. Aan dit schrijven werd de titel ontleend. De inzender maakt daarin de opmerking, dat jongeren ook onder de confessioneelen „het onderscheidende prediken" nalaten. De briefschrijver heeft daarbij vooral het oog op het waarschuwend element in de prediking. Juist in de „Volkskerk" moet men bij eiken dienst des Woords rekening houden met het feit, dat men niet uitsluitend voor geloovigen, zoo ge wilt „bekeerden" of „wedergeborenen" predikt. Daarom behoeft men nog niet te vervallen in een systematisöh verdeelen der hoorders in hokjes en vakjes, zoo wordt daaraan toegevoegd.

Een en ander trok onze aandacht om verschillende redenen. Vooreerst, omdat uit dit schrijven blijkt, dat in den kring der confessioneelen de behoefte aan een „onderscheidende prediking" wordt gevoeld.

Het is onzen lezers wel bekend, dat wij onze kracht niet zoeken in een streven om op alle slakken zout te willen leggen. Het is tot weinig nut en kan gewoonlijk slechts onderlinge twist bevorderen, terwijl wij den vrede hebben te zoeken, zooveel ons mogelijk is. Dit mag echter niet gaan ten koste der waarheid.

Onderscheidene malen heeft Dr K. aanleiding meenen te kunnen vinden om het onderscheid tusschen de Confessioneele Vereeniging en den Gereformeerden Bond te teekenen, zooals hij dit ziet. Wij achten deze zienswijze volstrekt niet juist en hebben daarop een en andermaal gewezen door een thetische uiteenzetting te geven. Zoo onder meer, toen Dr K. oms in den hoek der confessionalisten plaatste in een bespreking van een brief, waarin de Gereformeerde Bond zijn standpunt aan de Synode mededeelde in verband met besprekingen, gevoerd in de Commissie van gemeenteopbouw. Mogelijk is hem dat ontgaan, doch er zijn er in zijn kring, die er wel kennis van genomen hebben.

Een ander punt, waarop Dr K, nog al eens terugkomt, is de kwestie van voorwerpelijke en onderwerpelijke prediking. Nu kunnen wij het gansch niet als een verwijt nemen, indien men het voorwerpelijke en onderwerpelijke in de prediking tot zijn recht wil laten komen. Een verdediging kan zelfs geheel overbodig heeten, als wij b.v. verwijzen naar onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis, Art. XXIV : „Wij gelooven, dat dit waarachtig geloof, in den mensch gewrocht zijnde door het gehoor des Woords Gods en de werking des Heiligen Geestes, hem wederbaart en maakt tot een nieuwen mensch, en doet hem leven in een nieuw leven en maakt hem vrij van de slavernij der zonde " . . . . . . . .

Het is dus geheel in overeenstemming met de belijdenis, dat men zoowel het gehoor des Woords als de werking des Heiligen Geestes tot zijn recht laat komen in de prediking. Indien het confessioneel standpunt dat niet zou willen, zou het bezwaarlijk confessioneel kunnen heeten.

De vraag aangaande „onderscheidende prediking" bewijst echter, dat men ook in confessioneelen kring prijs stelt op dit stuk der belijdenis.

Sommigen schijnt dit echter eenigszins bevreesd te maken voor piëtisme en mysticisme. In ieder geval wijst Dr K. in zijn bedoeld artikel op piëtistisch-methodistische stroomingen. Allerminst willen wij ontkennen, dat er aanleiding is om te waken tegen mysticisme en het kan gemakkelijk worden aangetoond, dat dit in onzen kring de aandacht heeft.

Het zou echter niet juist zijn, het werk van den Heiligen Geest te veronachtzamen, omdat daaruit ook verkeerde opvattingen worden gevonden. Ook de voorwerpelijke prediking geeft sommigen aanleiding tot verkeerde opvattingen. Men zal daaruit echter niet concludeeren de prediking des Woords na te laten.

In dit alles heeft de kerkelijke tucht — en deze als tucht des Woords bedoeld — een taak. Waar die tucht ontbreekt, gaat men zoowel in het voorwerpelijke als in het onderwerpelijke op dwaalwegen wandelen.

Wat met „onderscheidende prediking" wordt bedoeld, raakt dus aan de zaak van het voorwerpelijke en onderwerpelijke : het gehoor des Woords en de werking des Heiligen Geestes.

Woord en Geest mogen niet gescheiden worden. Werking van Woord en Geest gaan altijd tezamen. Aan de prediking des Woords heeft God de inwoning des Heiligen Geestes in het midden der gemeente verbonden. En ook hier geldt : wat God vereenigt, scheide de mensch niet.

Wil men het Woord recht prediken, dan volgt vanzelf, dat ook aan het werk van den Heiligen Geest wordt recht gedaan. Indien het zoo is, dat vele jongere predikanten nalaten in dit stuk het Woord recht te snijden, dan is dit zeker een zaak, die de aandacht verdient, omdat zoo de kerk des Heeren niet kan gebouwd worden.

Dr K. is van meening, dat de bedenking van zijn briefschrijver moet ter harte genomen, maar, zegt hij, de jongere generatie heeft er ook recht op, dat men poge haar in deze te verstaan. Hij is bevreesd voor het stelsel. Daarvoor kan wellicht aanleiding zijn, maar dit neemt niet weg, dat het in de eerste plaats gaat om de waarheid der Schrift. Deze is het die zegt, dat de Heilige Geest in de waarheid leidt. Deze waarheid kan de kerk niet loslaten, noch om de vrees voor het stelsel, noch om de jongeren.

Ook komt de „Volkskerk" ter sprake. Juist in een Kerk als de onze, de „Volkskerk", luidt het, moet men toch bij eiken dienst rekening houden met het feit, dat men niet uitsluitend voor geloovigen, zoo ge wilt „bekeerden" of „wedergeborenen" predikt.

Dit geeft ons aanleiding tot twee opmerkingen.

Ten 1e. tot de vraag, in welke kerk een prediker ooit zal optreden voor enkel geloovigen in den zin van bekeerden of wedergeborenen ?

Ook hier is het weer afdoende, op de belijdenis te wijzen, die zegt, dat er altijd hypocrieten in de kerk zullen zijn.

Alleen reeds afgaande op deze belijdenis, die toch moeilijk kan worden weersproken, zal dus elke prediking daarmede rekening moeten houden.

Letten wij dan verder op het bevel der prediking. „Predikt het Evangelie aan alle creaturen", dan wordt het nog weer anders, want dit bevel ziet op degenen, die nog niet gelooven. Het zou al te eng zijn, dat alleen op de zending naar buiten te betrekken. ledere prediking staat onder de kracht van dit zendingsbevel.

In zooverre heeft dit met een volkskerk nog niets te maken.

Maar dan in de 2e. plaats. Men heeft er mede te rekenen, dat iedere kerk, die gevestigd is en een kerkelijk leven onderhoudt, door geboorte wordt uitgebreid en daarom steeds een jong geslacht ziet opkomen, dat wel onder de geloovigen wordt gerekend, maar daarom nog niet bekeerd of wedergeboren is. Wat men een volkskerk noemt, is niet anders dan gewoon, omdat de kinderen der gemeente door geboorte bij de kerk gerekend worden. Dat is trouwens overeenkomstig Gods Woord en zoo ook terecht door onze vaderen verstaan. (Vgl. het Formulier van den Heiligen Doop).

Zoodra een kerk tot volkskerk is geworden, is de tucht des Woords dubbel noodig, omdat zij aan zoovele invloeden blootstaat, die haar verwereldlijking in de hand werken. En wat men onderscheidende prediking noemt, is toch welverstaan en in den goeden zin genomen tucht des Woords. En het is zeker goed, dat de prediker bij den Dienst des Woords en bij al zijn pastoralen arbeid zich stelt op het standpunt der werkelijkheid. De eeretitel „gemeente des Heeren" komt aan de kerk op aarde als vergadering der geloovigen toe. Hij mag haar zoo aanspreken.

Hij mag het echter niet zoo voorstellen, alsof alles, wat de gemeente des Heeren bezit, nu ook het deel is van een ieder, enkel en alleen, omdat hij naar de kerk komt en een lid van die gemeente is, zooals zij uitwendig verschijnt. Welnu, dan begint de onderscheiding al en is er wel degelijk grond en aanleiding voor de vermaning, die onderscheid maakt tusschen verstandelijk aannemen en een oprecht geloof, dat gewrocht wordt in onze harten door het gehoor des Woords en de werking van den Heiligen Geest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1942

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Onderscheidende prediking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1942

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's