Zenuwziekte
Tot de ziekten, welke uitermate storend werken in het menschelijk leven, behoort ongetwijfeld een aandoening van ons zenuwstelsel. De ellende, daardoor veroorzaakt, is veelomvattend. Het leed, daardoor gereden, moeilijk te beschrijven. Dit komt, omdat de zenuwen van niet geringe beteekenis zijn in ons bestaan. De hervormer Calvijn nu noemt de zaligmakende, leer van Christus de ziel der kerk, terwijl hij de tucht in de kerk de zenuwen noemt, „waardoor de leden des lichaams ieder op zijn plaats, met elkander verbonden zijn". Door de tucht de zenuwen der kerk te noemen, wordt dus wel onmiddellijk op haar uitnemend belang en niet minder op hare onmisbaarheid gewezen. Tevens volgt hieruit, dat een kerk, welke geen goede tucht heeft, zenuwziek is. Daarom wordt waarlijk niet mild geoordeeld over degenen, die de tucht in een kerk willen wegnemen. Evenmin komen zij er goed af, die bij een zieke tucht, haar herstel verhinderen, „hetzij ze dat doen met opzet, hetzij uit onnadenkendheid". Deze allen worden gezien als menschen, die de uiterste verstrooiing der kerk zoeken. Wanneer bandeloosheid gaat heerschen, behoeven we niet meer te vragen waar we dan terecht komen. Helaas toont de Ned. Hervormde kerk, waar we belanden, wanneer de tucht inzake de leer gaat ontbreken. We zien dan wel heel duidelijk, welke treurige gevolgen deze zenuwziekte na zich sleept. Een kerk, die niet als uit één mond getuigt, breekt haar eigen kracht en moet ontzaglijk aan invloed inboeten. En vooral moet hier geconstateerd worden ongehoorzaamheid aan het Woord, dat door den Heere aan die kerk is toebetrouwd. Er zijn er, die hier van geen herstel willen weten, omdat ze dit ontbreken van tucht niet in die mate als zenuwziekte zien. Wel wordt toegestemd, dat er aan de vrijheid zekere grenzen te stellen zijin, maar van binding aan de belijdenis der kerk wil men toch niet weten. Men staat een kerkbegrip voor, waarin b.v. belijders van de lichamelijke opstanding van Christus en niet-belijders van dit heilsfeit, rustig en vredig naast elkaar werken en leven. Dezulken onderschrijven dan ook niet de meening van Calvijn. Dit kan ook niet, omdat zij over de kerk anders denken dan deze hervormer". Zij zien zichzelf ganschelijk niet als bewerkers van de uiterste verstrooiing der kerk, maar juist als bevorderaars en opbouwers dier kerk. Toch moet dit door de Schrift als geoordeeld worden beschouwd. Door anderen is zulks dan ook wel ingezien. En gedurende meerdere jaren reeds is er op gewezen, dat zoo spoedig mogelijk herstel der zenuwziekte moet worden verkregen. Meer dan één geneesmeester heeft raad gegeven en een medicijn aangewezen. De ervaring heeft echter wel voldoende geleerd, dat er geweldige moeilijkheden en tegenstanden zijn te overwinnen. Waarbij ons de teleurstellingen niet bespaard blijven. Dit is ondertusschen geen reden om moedeloos alle pogen maar op te geven en de zenuwziekte maar door te laten werken. Nog minder is dit een reden om aan den kant van den weg te gaan staan en alleen maar toeschouwer te zijn bij wat anderen doen. Neen, onze roeping is duidelijk en ernstig. We hebben naar uitwijzen van het Woord des Heeren alle krachten in te spannen om de zenuwziekte te boven te komen. Afgezien van het resultaat, is dit een arbeid, welke God van ons vraagt.
Dit nu geldt niet alleen van de leer, maar eveneens van het leven naar de leer van Christus. Calvijn zegt het zoo, dat er bij de prediking der leer bijzondere vermaningen, bestraffingen en andere dergelijke hulpmiddelen moeten komen, die de leer ondersteunen en niet werkeloos laten zijm. De tucht wordt dan vergeleken bij een breidel, waardoor degenen, die tegen de leer van Christus woeden, in toom worden gehouden en getemd. Ze is ook een prikkel, waardoor degenen, die niet gewillig genoeg zijn, worden opgewekt. Ook is ze als een „vaderlijke tuchtroede, waarmede op zachtmoedige wijze en in overeenstemming met de zachtzinnigheid van Christus' Geest, diegenen gekastijd worden, die dieper gevallen zijn".
Er moeten bizondere vermaningen zijn.
Herders en leeraars en ouderlingen moeten werkzaam zijn.
Calvijn wijst op het voorbeeld van Paulus, die in het bizonder en in de huizen geleerd heeft en betuigt, dat hij rein is van aller bloed, omdat hij niet opgehouden heeft met tranen nacht en dag een ieder te vermanen. We hebben hier onderscheid te maken tusschen verborgen en openbare zonden. Bij verborgen zonden geldt : bestraf hem tusschen u en hm alleen. Maar bij openbare zonden hebben we het woord uit 1 Tim. 5 vers 20 : „Bestraf hen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreede rnogen hebben". Een ander onderscheid hebben we hierin, dat van de zonden sommige vergrijpen zijn, andere misdaden of schanddaden. Deze laatsten moeten niet alleen bestraft worden met eene vermaning of berisping, maar hier moet een strenger middel worden gebruikt. Bedoeld wordt het middel van de afsnijding uit de gemeenschap der kerk. Wanneer dit geschiedt, matigt zich de kerk geen macht aan, welke haar niet toekomt. Maar deze is haar van God geschonken. En met nadruk wijst Calvijn er op — men bedenke het ook nu — dat zij zich vergissen, die vertrouwen, dat de kerk zonder dezen band der tucht wel langen tijd staande zoude kunnen blijven. De noodzakelijkheid van het geneesmiddel, de tucht, wordt uit het menigvuldig nut nog beter doorzien. Het is toch ongetwijfeld waar, dat zij, die een schandelijk leven leiden onder den Christennaam en als leden der kerk, daardoor oorzaak zijn dat des Heeren Naam en Gods kerk om hunnentwil wordt gelasterd. Maar al te spoedig worden de misdaden der „christenen" gebruikt om zich des te meer tegen den Heere te stellen, zich boven het Woord te verheffen en de kerk te minachten. Als het in die kerk zóó is, dan wil men daar niets van weten en zich zeker niet bij zulk een kerk scharen. Bovendien zou bij een dergelijke tuchteloosheid het Avondmaal des Heeren worden ontheiligd, en dit moet altijd de toorn Gods met zich mee brengen. Maar hier komt nog iets belangrijks bij. Wanneer er een ongestoorde omgang is met degenen, die ergerlijk leven, dan heeft dit een verderfelijke invloed op anderen, die nog niet tot zulk een leven zijn vervallen. We moeten de verdorvenheid des harten niet onderschatten. Terdege moet rekening gehouden worden met het „onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad". We mogen wel eens uitroepen : dit of dat zal mij niet overkomen — maar dit is overschatting van eigen kracht. Een overschatting, welke ons duur te staan komt. Want we worden zeer spoedig door slechte voorbeelden gebracht tot een leven in vergrijp en misdaad. Ja, Calvijn zegt zelfs — en het is naar de Schrift — dat niets gemakkelijker is dan dat. De psalmist verstond het, waarom hij ook bad : wil mij voor struikelen behoeden en ga mij met Uw heillicht voor. Tenslotte moet ook de overtreder om zijns zelfs wil streng worden aangegrepen. We moeten de tucht niet zoó opvatten, dat wij zouden denken : Ziezoo, van dat lastige, slechte clement, zijn we af. Integendeel. De straf moet worden toegepast om in dezen weg den kwaaddoener nog te behouden. Ook hierin klinkt wel degelijk door de roeip tot bekeering. Drie doeleinden noemt Calvijn dan ook, waarop de kerk ziet bij bestraffing en afsnijding. De schandelijk levende Christenen mogen niet tot smaad van God genoemd worden. In de kerk mag niet iets dergelijks zijn, waardoor op Gods heilige Naam het brandmerk der schande zou worden gedrukt. Terwijl het Avondmaal des Heeren niet mag worden ontheiligd door uitreiking zonder onderscheid. Vervolgens moeten de slechten van de goeden worden afgescheiden, opdat ook de goeden niet worden afgetrokken. En ten slotte is het doel, dat de overtreders zelf uit schaamte berouw zullen beginnen te krijgen over hun schandelijkheid. Door het voelen van de roede moeten zij wakker gemaakt worden. Door toegeeflijkheid zoiuden zij nog hardnekkiger worden.
't Gaat derhalve om de eere Gods, het heil der zielen, de heiligheid van Gods kerk en inzetting, de redding van den zondaar.
Voort laten woekeren van de zenuwziekte is derhalve een verwaarloozen van dit alles. Een verwaarloozen bovenal van den Naam en de zaak des Heeren. Dit mag onder ons alzoo niet geschieden. We hebben zelf te smeeken om te mogen buigen onder de tuchtiging des Heeren. Maar dan hebben we er ook naar te staan dat de tucht worde gehandhaafd, wel allereerst in de kerk van Christus. Tot eere Gods. Tot heil van zondaren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's