NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T PRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 121)
Nieuwe aandoening. Tot hiertoe had Tjerk met zijne zuster hier een zeer ondergeschikte rol gespeeld. Slechts even waren zij bij Gabe toegelaten om hem de hand te drukken, bij welke gelegenheid deze ook aan hen gevraagd had, of zij hem al het kwaad zouden kunnen vergeven, 't welk hij over hun huis had gebracht. Daarop was het aan beiden niet ontgaan, welk eene verandering er gekomen was in de verhouding der ouders onderling, en hoe het gemeenschappelijk leed hen dichter bijeen bracht. De mededeeling van het geheim tusschen Gabe en Liesbet Paulussen had ook hen ontroerd en in 't bijzonder Mini gekrenkt, die in deze treurige geschiedenis opnieuw een stuk van den reeds tanenden luister, welke „Donia-state" altijd omgeven had, zag verdwijnen. Als het niet geweest was op herhaalden aandrang harer moeder, dan had zij zeker deze eerste ontmoeting met het arme dorpsmeisje in het vertrek dezer pleegzuster niet willen bijwonen, omdat zij zich eerst nog gewennen moest aan alles, wat uit de verstrekte mededeelingen voortvloeide, doch het was juist om den vrede te bewaren, dat zij mee ging naar hier ; en nu kwam daar deze ontmoeting bij. Echter was nóch door haar, nóch door Tjerk één woord gesproken. Beiden waren vervuld met eigen gedachten, tot plotseling déze wending in het tooneel ook hem aangreep. Waarom moest die vrouw, wier haren reeds vergrijsd waren en die zulk een groote overeenkomst met hunne dorpsgenoote had, van deze alles weten ? 't Woord zijner moeder scheen Tjerk in verlegenheid te brengen. Even keek hij zijdelings naar vader, als zocht hij uit diens gelaat te lezen, hoe deze dit gesprek opnam. Maar vóór hij nog gelegenheid had te zeggen, wat hem op de tong brandde, nam boer Santema het woord.
„'k Zal de Zuster wel eens vertellen, hoe de vork in den steel zit. Onze Tjerk — en hier wees hij op zijn zoon — ,,nou, ik wil maar zeggen, die voelt veel voor dat meiske, zooals dat met jongelui wel meer gaat, en zou wel graag verkeering met haar hebben. Nu ben ik daar altijd sterk tegen geweest, vooreerst, omdat Nienke niet uit den boerenstand was, en dan — omdat men eigenlijk niet eens weet, waar zij wèg is. Want ik geloof wel, wat mijn vrouw zegt, dat zij een flink meiske is, en een knap gezichtje is het óók, maar Nienke heeft geen bekende afkomst. Niet één, die weet, vanwaar zij is en wie haar ouders zijn. Toen Gurbe Huitema nog schoenmaker in de stad was, zoo'n twintig jaar geleden, denk ik, moet hij haar als een heel klein stumperke door middel van het Leger des Heils ergens uit Holland gekregen hebben en is toen later naar Zevenhuizen gaan wonen. Daar wist in het eerst niemand beter, of het was hun eigen kind, tot de schooljaren kwamen en de naam aan het licht bracht, dat dit niet 't geval was. Velen weten nóg niet beter, of zij is in elk geval een familielid en in de omwandeling wordt zij altijd Nienke Huitema genoemd. Van zichzelf heet zij evenwel Straatsma en voor de rest weet ik er niet meer van, dan alléén dit. Ons leven gaat heel anders, dan ik altijd gedacht en gehoopt had. Vooral in de laatste tijden is er een heele wijziging gekomen en ik heb mijzelf wel eens afgevraagd, hoewel ik dit voor niemand wilde weten : „waar gaat het heen ? " Want dat het niet goed ging, dat voelde ik wel, al hield ik mij groot. Nu zitten wij geheel onverwacht hier in Amsterdam en weten niet, wat de dag van morgen brengen zal. Ik ben met mijn hooge idealen van boven gekomen en zag het eene na het andere verdwijnen, 't Eenigste, wat ik nog wensch, het is, dat we Gabe mogen behouden en dan met Liesbet er bij, en ook hun kind, dat wij nog niet eens gezien hebben en wat Tjerk aangaat, 'k zal ook hem niets meer in den weg leggen, als hij meent, met dat meisje van Gurbe-baas gelukkig te kunnen worden — hoewel ik wel gaarne iets meer van haar afwist".
't Laat zich denken, welk een indruk dit woord van boer Santema maakte. Ook op zijn huisgenooten, zonder onderscheid, ja, op hen niet het minst, omdat zij voelden, wat er in den man moest zijn afgebroken en vernietigd, om tot deze uitvoerige mededeelingen te komen. Lag in dit woord niet een schuldbelijdenis meteen en een begeerte tevens om vanaf heden een andere levensrichting te kiezen ?
Doch de verbazing bereikte bij allen haar hoogtepunt, toen op het laatste woord van Santema, Zuster Ina het woord nam en met iets in haar stem en blik, 't welk niet was weer te geven, ging antwoorden : „Dan kan ik u wellicht nog iets anders zeggen".
Zonder verder een woord te zeggen, stond zij op en haalde uit een oude chiffonnière, zeer waarschijnlijk 'n familiestuk, een doosje te voorschijn. Met een teederheid, als gold het iets heiligs, werd dit geopend, en na eerst een paar brieven te voorschijn te hebben gehaald, wier verbleekte adressen de teekenen van den ouderdom droegen, kwam een klein pakje te voorschijn, verzegeld met een zijden lintje. Allen volgden met groote belangstelling, in gespannen verwachting, al hare handelingen. Zwijgend ontknoopte zij dit en haalde toen uit zacht vloeipapier een foto te voorschijn, in album-formaat, 't Was de beeltenis van een aanvallig kind, 't welk met haar lachende oogen vroolijk de wereld inkeek.
„Zou het mogelijk zijn, dat een van u misschien dit portret herkent ? " vroeg zij met bevende stem.
(Wordt vervolgd.))
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1942
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's